Nederlands - Gronings

Dit is ingescand met "OCR " dus daar kunnen wat kleine foutjen in zitten!

E-mail mij even als er fouten in zitten.

                      A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

 A

 

Aagje, nieuwsgierig - Oagje nijneers

aaien fleren; aaien

aak oak(e)

aalvork (oal)toek(e) II

aambeeld ambolt

aan aan

aanbevelen (aan)rekomdaaiern

aanbrengen; aanbrengen

aandrift schroal, schrol

aaneen, snel - achterrad

aaneensluiten, planken - drieven

aangaan (school) ingoan

aangebrand broaderg; zangerg

aangebrand, sterk - sangerg; sengerg

aangenaam noflek

aanhalen florren

aanhoudend (: regen) slicht

aanklampen aanrandjen

aankleden aanboeien; aanbòien; aanklaiden; aanredden; aantrekken

aankleden, netjes - opbòien; optugen a

anleiding aanlaaiden

aanloop, plotselinge - roam

aanmanen moanen

aanmaning aanmoanen; moansedel

aannemelijk aannemelk

aanpakken, fors - tamtaaiern

aanprijzen, opdringerig - aanprietjen

aanprijzen aanzuiten; aanpriezen

aanraken aankomen

aanrecht schuddelbaank

aanreiken langen; aanlangen, toulan­gen

aanschaffen aanschavven; aanstellen; toustellen

aansporen aankittjen; aanpeerdjen; peerdjen; peerdken

aansporen (schrift.) aanschrieven

aanspreken aantoalen

aanspreker laidaanzegger; lijaanzeg­ger

aanstaande ankom

aanstalten kloareghaid

aanstalten maken reeuwen

aansteken, vuur - (aan)buiten

aansteken aansteken; aanstellen

aansteller maalderd

aanstellerig eelsk; hebbelachteg; hui

aanstellerij maalstoatsies; mettereg-haid; metterij; meneuvels

aanstelster maalfots(e); eelske Wie­bel; eelske medde; eelske met; eelske mette; hibbel; oelepetoet

aantal koppel; loag(e)

aantikken (fig.) aanlopen

aantikken, erbij - aankrummeln

aanvaarden aanveerden; aanvoarden

aanwijzing aanwies

aap oabe; oap(e)

aar eure; oar I

aard oard

aardappel eerabbel; eerappel; tovvel

aardappelrooier kraber; ruder

aardappel rooster modderreuster; modderzeef

aardappels kedonzels; kedovvels

aardappelschilmesje koapmeske; koapke

aardappelzeef raasp(e); reuster; hor

aardbei eerbaai; eerbij; eerdjebij; ittje-bij

aarde (planeet) eerde

aarde (stofn.) eer; grond

aarde (zwarte -) modder

aarde brengen over aaneerden

aarde over 't land brengen eerbultjen; eerminnen

aarden (bnw) eerden

aarden noaturen; oarden

aardewerk diggel; diggelgoud; staingoud

aardgeest graauwke

aardig oard

aardig nuver; oardeg; orreg

aars neers, neerze

aarts- eerste

aartslui stailui

aarzelaar mietje

aarzelen druddeln; druljen; druilen; drutjen; drutten; oarzeln; druntjen

aas (in kaartspel) hoas; oas

aas (prooi) oas

abeel, witte witblad

Abel Oabel

Abraham Oabram

absoluut zekerwoar

accent bakkenbrüg

 

accepteren apsepteren

ach hai

acht (telw) aacht(e); acht

achter zijn noagoan

achter(aan) achterwegens

achteraan achteraan

achteraan, er - der achterheer; der achtertou

achteraf (: van de weg af) achteroet

achterdeur (van boerderij) baander (deur); baansder(deur)

achterhalen, de waarheid -1 rechte gewoar worden

achterlijk achteraan; achteroet; achter-uut; achterhek; slicht

achtermuur (v. boerderij) hogemuur

achternaam foam II; stam; tuddel; tuttel

achterop in t achtern

achterste achterborst; achterkestail; blode batterij; flottjebaarg; fotse; konde; kont; moars ; moarze; poepgat

achteruit achteroet

achteruitgaan achteroetboerken

achteruitgaan (ondanks insp.) achteroetkraben

achteruitslaand, plotseling - weeps; wepeg

achterwege achterweeg(s); achterwe­gens

achterwiel achterrad

adel oadel

adelaar oarend I

adem oam; oazem; poest I

adem, buiten - achter oam; overoameg; achter poest

ademen oamen

ademen, diep - sieken

ademstoot poest I

ader oader; oar II

Adorp Oadòrp (in) [Oadòrper]

Aduard Au werd (in) [Auwerder]

Aduarderzijl Auwerderziel (op) [Auwerderzielster]

advocaat (beroep) avvekoat

advocaat (drank) tuutjebrij

af (bnw) bestòt; doan

af (vz) of

af- òf-

afbeulen, z. z. moorden; z. verbeulen; z. vermoorden; z. wurgen

afdingen pottjen; prietjen

afdoen, vlug - besteuten

afgekalfd melk

afgelopen doan; oet; òflopen

afgericht worden beleren

afgeroomd vloot

afgescheiden òfgeschaaiden

afgeschut vredeg

afgeven òfgeven

afgrenzen rastern; schutten

afgrijzen òfgries

afgunst pikanteghaid; òfgunst

afgunstig nieds(k)

afhalen, bonen - boontjedroaden; droaden; bonen punten; bonen

streupen; bonen stroepen; bonen strupen

afhangen (puntig -) tippen

afkeer groul; mier; òfkeer

afkeer voelen z. griezeln; z. schudden

afkerig mies

afkerig worden van verstingen op

afkoelen bekleumen

aflopen ofkaalven; òflopen

afmeten (met voeten) pootjen; voutjen

afmeten (v. land) treden

afmeting moat I

afnemen in kracht soaien

afnemen, geld - roebeln

afnokken opkròzzen

afpakken òftjoenen; òftjoeren

afraffelen berabbeln; òfravveln; òfrovveln

afranselen deurnaaien; òftiggeln; òftroeveln; omnaiten; omtiggeln; omzeumen; troeveln; truveln

africhten beleren

afrikaantje (plant) oafrikoanen; tudeltoanen

afrossen verpoltern

afschepen òfzolten; òfzoltjen

afschutten vredegen

afschutting vredeging; vreding

afschuwelijk aldervrezelkst; aleriezelkst; ofgruwelk

afsnauwen òfrovveln

afspreken òfproaten; verhakseln; verhakstukken; verhapstokken

afspringen, onhandig - rugeln

afstand òfstand; verschait

afstap stoup(e)

afsteken (v.e. wal) òfwalen

 

afstoffen oetstubben; òfstubben; stobben

afstropen strupen

aftrekken òftrekken

aftroggelen òftoeken; òftokken; òftroggeln

afval dus(t); duust; haid(e); korries; òfgeval; òfval; zammelgoud

afvallen òfvalen

afvoerbak klinsbak; klinzebak

afwachten aankieken

afwatering raaien

afwijzen kitsen

afwinden (v.e. kluwen) òfklounen

afzetter òfzetter; vilder

afzonderlijk absörd; apaart

akelig oakelk

aker (emmer) oaker

akkoord, een - sluiten akkedaaiern; akkoordjen

aks ekse; eksebiele

aktief iemeg

al al

al(les) aal

al, het - aal

Albert Aalbert

algemeen aalgemain

alhoewel aalhouwel; allewel

allang allaank; allaank al; laank al

allebei aalbaaiden(t); baaiden(t)

alleen allain; allaint; allènt; allinneg; bloots

allemaal aalman; aalmoal; aalpmoal; aaltemoal; altmoal; apmoal

allemaal (grof) aaltenbliksem; aal ten-donder; aaltenduvel

allemachtig allemachies; blinder

aller- aalder-; alder-; aller-

allerheiligen adrillen

allerlei hakkemak en nikkenak; hakkemak en vegezak

alles alens

als aans; as

Alteveer Alteveer (op t) [Alteveerster]

altijd aaid; aaltied; aaltieden; aaltieten; hailtied(en); haitied

amandel mandel; mangel; mantel

amen oamen

ammoniak vlaig-op; vluig-op

amuseren, z. z. verdievendaaiern; z. verdieverdaaiern; z. vernuvern

Andel, Den - Naandel (in) [Naanster]

ander, een - (persoon) aanderman, n –

ander aander

anders aans; anders; aanders

andijvie andievie

angel ang; angel

anjelier filedde; filet

Annen, Sint - Sunt Annen (op) [Simt Anner]

antwoord antwoord; beschaaid

apart ampaart; apaart

apekool appelkoolkwint; kouk mit krenten

Apel, Ter - Troapel (op) [Troapelder]

Apelkanaal, Ter - Troapelknoal (op)

[Troapelknoalster]

apotheek aptaik; janlap

apparaat apperoat; fermik

appel abbel; appel

appelmoes appelbrij; (appel)smots

appelsoort jeupen; kalvien; keviel; kleviender; laange zuiten; laange zuren; noageltjes; arrediezen; pladde jaantjes

Appingedam n Daam (in) [Damster]

april april; pril

arbeid aarbaid; waark

arbeid, harde - schrip

argeloos ongeaargd

arm (znw) aarm

arm (bnw) aarm; koal; noakend

armoe kraab-op-de-noad; aarmou; aarmoud(e)

arreslee belslee; looike

as aask(e)

as (draai-) as; azze

asbak aaskebak

asjeblieft dè; dèr

Atlantische Oceaan Grote Gapperd

augustus, 28 - n achtentwintegsten

autobus bus; onnibus

averechts onrecht

avond oavend

avond, lange - n oetgespierde oavend

Avondmaal Nachtmoal

avonds, 's - oavends; soavends

avonturier oaventuraaier

avontuur oaventuur

 B

 

baal boal(e)

baan boan(e)

baar, draag- boar(e)

baard board

baas boas

baas, de - mesterabt; abt en voogd

baas, de - spelen kawalter speulen; kebalter speulen

babbelaar teut

babbelaarster lèl(le); rabbeldeus; rabbelkoar(e); revelkoar

babbelen jaauweln; kekeln; kolsken;

kwedeln; teutjen; tjaauweln

babbelkous fladdergat

baby popke; poppie; potje; lutjeke

babysitten potjepazen

babyvoeding (melk, brood, suiker) potjepap

bad (goedkoop -) loezebadje

baden boaien

Baflo Bavvelt (in) [Bavvelder]

bagage begoazie; begoazje; pakjede-rij; pakkeloazie; pakkerij; pakkoazie

bagagedrager pakjedroager

bagger bagel; baggel

baggeren bageln; houken

baggerstok laaikbeugel

bah harrebakkel; harrekakkel; harre­gat; hoeregat; jakkei; ulk

baken boak(en)

bakken bakken

bakkersvrouw bakkerske

bakschol broadschol

bal baal; bale

baldadigheid keroazie

balie boalie

balk baalk(e)

ballast ballast; ombaalgen

balsemien springzoad

band baand

bang baang(e); bange; buizeg; bunzel-

achteg; bunzelg; verveerd

bang worden z. ververen

bangerik baangschieter(d); bangeschieterd; duurbloud; schieter(d)

bangheid baangeghaid

banjeren birzen; fokseln

bank baank(e)

barbecuen dik-doun-in-toen

Bareveld Boareveld (op) [Boarevelder]

bark baark II

Barlage Ballege (op) [Balleger]

barsten barsten

basisschool grondschoul(e)

basterdsuiker middelsukker

baten nutten

bats woeps(edie)

bazuin bezuun

bebroed (eieren) voel

bed bèr(re); kaziematten; loender; mitte

bed, naar - aan zied

bedaard bestendeg; loek; stoadeg; stoareg

bedacht op vervat op; verdocht op

beddenplanken (voor matras) tielens

bedeesd bedèsd; schoamachteg

bedekt met dakpannen paandekt

bedelaar schooierlapzak; nachtbidder bédelen schontjen

bedenken oetbedenken; oetfigelaai-ern; opbedenken

bederven bedaarven

bederven (v. melk) karreln

bedisselen beduzzeln; kloetjebakken

bedlegerig legerachteg

bedoelen bedoulen; mainen; mienen

bedoeling bedoulen

bedorven gaalsterg; galleg; versloagen

bedorven, licht - aanstoken

bedreigen bedraaigen

bedremmeld luddek; luk; sloeps

bedriegen bedraigen; bedriegen; be-lotjen; bemietern; knooien; neppen; smiegeln; verneuken

bedrieger kraivelder; laplander; lapperd; schobberd

bedrijf boudel; bedrief

bedrijfsleider (beperkt bevoegd) kon-terboer

bedrijvig kiepeg, kieperg

bedroefd bedruifd; heun; muieik

bedroefd, meer dan - allerbedruifdst

bedrog bekukelderij; lapperij; verneu­kerij

bedtijd bèrgoanstied; bèrregangerstied

Bed urn Beem (in) [Bemer]

beëindigen deurzetten

been bain; bien

been,grof - schonk

been, op de - baineg

beentjelichten baintjewippen; knikkebaintjen; pootjeflippen; pootjen; striekjebainen

beer beer

beer, gesneden - orkebeer; ortbeer;ortjebeer

Beerta Beerte (in) [Beester]

Beerta, Nieuw - Hörn (in) [Hörnster]

beest baist; mager - bonk(erd)

beet beet

beet (vissen) biet

beetje bedie; biet(je); snittje; snobbel­tje

beetje voor beetje eten, bestellen e.d krummeln

beetje, een - flortje; flottje

begerig grabeg; groapeg; begereg

begerig naar, zeer - vergrèld

begerig, zeer - verbraand

begin begun

begin, het eerste - aanbegun

beginnen begunnen; hingoan; (der) in vegen; aangoan; aankomen

begrafenis begraffenis; begraftenis; begroafenis;

udegst(e); utegst(e); uterst

begrijpen vuilen; begriepen

behalve as; behaal ven

behandelen, slecht - offrontaaiern

behappen behandjen

beheer keduks(ie)

behept berèd

behoefte behuifte; verlet

behoorlijk (bnw) adinlek

behoorlijk (bw) mooi

behoren heuren

behulpzaam (be)hulpzoam

beide baaide

beide(n) baaid; baaidegoar; baaiden(t)

beitel baaidel; baaitel

bekend bekind; kundeg

bekeren veraandern

bekeren, z. z. omgeven

bekeuring persès

bekladden beklaaien; beklaren

beknibbelen op bekrinzeln

bekomen valen

bekomen, slecht – miskomen

bekonkelen bekonkelfoezen; bekonkeln

bekrompen keudelg

bekvechterij kifkederij

bel bèl(le)

bel (op slee) kluunder; kluun

bel, water- bobbel

belanden (aan)belanden

belang pertansie

belang, van - dat wat is

belangstellende laifhebber

belasting belasten; sinzen

belhamel belhoamel; belhoamer

believen blaiven; blieven

bellen blazen bobbeltjebloazen; brobbeln

Bellingwolde Bennewolle (in)Bennewolster]

belopen belopen

beloven touzeggen; verzeggen

bemesten misken; mizzen

boemoeial aalbestel

bemoeien, z. z. bemuien

bemorsen beslaintjen

benauwd benaauwd                             

beneden, naar - omdeel; omdele; ombeneden

benen, lange - laange lempers

benepen beknepen

bengelen pongein

benieuwd benijd; nij

benieuwen benijen; nijen; verwondern

benijden benieden

benul vernul

bepaald (bw) hailewel; kant; zuver

bepalen, z. z. bepoalen

beramen beroamen  

berde, te - op batterij

beredderen beslofken; beslovven

bereik berek

bereiken (Itk) berekken (fig), bereiken, berieken

bereiken, hoogste punt - (huizen­bouw) richten

berg baarg(e)

bergen baargen, bargen

bergplaats hilt(e) II; hude(r)

bergruimte schap

bergruimte (in schuur) vak

bericht tieden

berisping inzeggen; rovvel

berk baark I; baarkenboom

berm baarm; barm; daipswaal; daipswale

Bernard(us) Benaars; Naarsie

beroemd vernuimd

beroep affeer; affere; vak

beroep (op dominee) beroup

beroerd mieters; bemieterd

beroeren beruiern

beroerling lamlul; lamswans; lapswaans

berouw beraauw

berouwen raauwen; muiten

berusten z. deelgeven

bes baai; kraal; krale

bes, rode - aalbeer; aalbeern

beschadigen beschoadegen; knooien; schandaaiern; schanzeren

beschaduwd schareg

bescheiden bekweem(kes); beschaaiden; miedsk

beschermen beschaarmen

beschuit bak; beschuut; twaibak; twijbak

besjesgort krïntjebrij

besjoemelen besjaggeln

beslaan besloagen

besluiten besloeten; besluten; rezelvaaiern

besmettelijk besmeddelk

besmetten aanpoten; aansteken; aanpoken

besmeuren fleren; (be)gleren

bespieden belakschaauwen; lak-schaauwen

bespringen beroamen

best, z'n - doen (der) in vegen

bestek, zuinig - krapmoatjeswaark

bestelen reupen

bestellen komdaaiern

bestorven besturven

betalen betoalen; liek moaken; uutbulen

betalen, teveel laten - scheren

betekenen beduden; betaiken

beter beder; beter; kloar

beteren aanwinnen; optakken; betern

beteren, langzaam - aanbetern

beteuterd befoesd; befoezeld

betoveren bekeukeln

betraand troanderg

betrappen trappaaiern; trepaaiern

betrappen, op heterdaad - overlopen

betreffen aanbelangen

betreft, wat dat - doarvan; van dat

betrekking ploats(e)

betrekking stee

betweter oversnoever

beuk buikenboom

beuren inbeuren

beurs boekzaik

beurt beurt; toer

beuzelen fietern; fietjen

bevallen, goed - mondjen

bevelen bevelen

bevinden, z. touholden

bevreesd schoamachteg

bevriend, goed - groot

bevriezen vraizen

bevroren verroren; vervroren; vroren

bevuilen, z. beslintern, z.

bewaarplaats (geheime) ude(r); uter

bewaarplaats (v. spek, worsten, ham­men enz.) wiem(e)

bewaarplaats voor vis bun(ne)

bewaarplaatsje uudje

bewaren opbewoaren

bewegelijk wif; wips

bewegen wemeln; wippern

bewegen (, z.) reugen (, z.)

bewegen (v. vloeistof) golpen; gob-beln; gobben; govveln

bewegen, druk - wimmeln; windjen; wummeln; aargewaaiern; aggewaaiern

bewegen, heen en weer - bakkeln

bewegen, steeds - weven; wielewoa-len; weefken

bewegen, z. vlug - snieden; snittern

beweging (in vastgezet iets) verwiek

beweging, vlugge - snidder; snitter

bewegingen maken schamzaaiern; schanzaaiern

bewegingen maken, snelle - vlaigen

bewegingen maken, veel - schaarmen

beweren van noazeggen

bewerkelijk bewaarkelk; waarkelk; waarkzoam

bewimpelen (fig.) lapzaalven

bewolkt (dreigend -) bulterg

bewusteloos sevveloos

bezem bezzem

bezemsteel bezzemstoal; bezzemstok

bezigheden dingzegheden

bezigheid oaventuur

bezinksel grom; prut; prudde

bezit bullen

bezit, gemeensch. - maan; maande; mandegoud; mane; manne(goud)

bezoek bezuik

bezoeken bezuiken; gastjen; óver­komen; verziedjen; verzieten; veziten

bezoeker proater

bezorgdheid liefzeerte

bezorgen öflangen; bezorgen

bezwaar bezwoar; swoareghaid

bezwijken bezwieken

bezwijmend, bijna - beswiemachteg

bidden beden; bidden; handen vollen

bidden (van vogels) wiekeln

bidder beder

biechten bichten

bieden baiden, bieden

Bierum Baaierm (in) [Baaiermer]

biest baistemelk; hot

biet bait

big big(ge)

bij \vz) bai; bie; bij

bij | znw) iem(e)

bij dag overdag

bijbel biebel

bijdehand astrant; biederhaand; gozzel; kibbeg; kiebeg; kiepeg; kieperg; klouk; toek

bijgebouwtje (bij boerderij) beuterij; stookhut; stoookhok

bijl biel(e)

bijl. grote - akse(biele)

bijl. soort - heksebiel(e)

bijlichten lichten II; luchten

bijna benoasten (bie)

bijna glad; hoast; host; kaar; kant; krap-aan; oast; schier; schroa aan; schroa bie: schroal; sikkoms; aan; benoasten (bie); sikkom

bijna  zover aan tou  

bijsmaak met - aikeg; aikerg

bijster biester

bijt bit: eendebit

bijten bieten

bijten (naar de hakken) hakkebieten

bijten, beginnen te - aanbieten

bijten, onverwacht - gnaauwen

bijten, proberen te - graauwen

bijtlustig biets(k); nippel I; nibbel I

bijverdienen touverdainen

bijvoer (extra -) toevoer; touvouer

bijvoeren touvouern

bijziend stikzaind

bijzonder biezunder; briek

bikken bikken

binden (, koren -) bienden; binden

bindstro baand

binnen binnen

binnendijk koadiek

binnenhalen inhoalen

binnenkort eerdoags; eerstkans; kortens; körtens; korts; korts;

nijsdoags; verdan; veurdan

binnenplaats blink

biscuit meelkoekje

bits pikant

blaar bloar(e)

blaarkop bloar(e); witkop

blaas bloas; bloaze

blaasbalg bloasbaalk(e)

blad, lokaal - bokkeblad; bokkekraant

bladeren bladjen; bloadern; bloadjen

bladstil blak(stil)    .

bladzij bladziede

blaffen blavven

blank blaank

blaten blèrren

blauw blaauw

blauwmaanzaad moanzoad

blazen bloazen; poesten

bleek blaik; bliek; blier; heun; witbekt

bleekveld blaik(e); bliekveld

bleken blaiken; blieken

bles snof; snuf

bles, een - dragen blezzen

blij blied(e); bliedeg

blijdschap bliedschop

Blijham Blijham (in) [Blijhamster]

blijkbaar schienboarliek

blijken blieken; oetblieken; z. oetwiezen

blijven blieven

blikkerend blik

bliksem weerlicht; weerlocht

bliksemafleider dunderket

bliksems bliksie(koater)

blind (vensterluik) blin(ne)

blindemannetje spelen blinddoukjen

bloed bloud

bloeden blouden; bluiden; bloeden

bloedworst bloudworst

bloei blui

bloei, volle - vloag

bloeien blaaien I; bluien

bloem blom; bloum(e)

bloem (div.) kaddestaart; kaddesteert

bloem worden bloumen

bloemen kweken bloumken

bloemen, het geheel van - bloumkederij

bloemenkwekerij bloumkederij

bloementuin kruudhof

bloemist blomkeder; bloumkeder

bloemknop bluiknop

bloesem blözzem; blui; bluizem

blok blok

Blokum Blokum (op) [Blokumer]

blos blos

bluf machtspreuken; windmoakerij; snakkerij

bluffen baldern; bluvven

bluffer blaskont(erd)

blussen bluzzen

blut buuls; dop; kaps; koal; koalop; kaps; kups; lutters; rut; verlud

bochel boggel

bocht bocht(e); boggel; draai; krui

bocht (in kanaal e.d.) omdraai; öfdraai

bod bod

bodem bome II; boom II

bodemslijk blaauwbragel

boeg boug

boek bouk

boeken, verzameling - boukerij

boekweit boukwaaide; boukwaait

boekweit- boukwaaiten-

boekweitegort boukwaaiten jaantje

boel (hoop) barrel; kluit

boel, dwaze - gekkenspul

boel, smerige - sjompboudel

boeman appeboesjeude; beuzebelder; boesapperd; boesjeude; boesebelder boeman, soort - boare

boender bounder

boenen bonen; bounen

boer, een - laten bolken; korken; körken; kurken

boer, slordige - kröddeboer; kweek-boer

Boerakker (op de) Boerakker [Boerakkerder] (inw) [Boerakker]

(bnw)

boerderij boerenploats(e); boerenspul; ploats(e); spul I; stee

boerderij (met uitsl. weigrond) gruinlaandsploats; gruinploats

boerderij op dalgrond daalploatse

boerderij voor landbouw baauw-ploats

boerderij, deel v.d. - kaarnhoes; middelhoes

boerderij, type - staarthoes; stölp-ploats; Oldambtster ploats; dwaars­hoes

boeren boeren; boerken

boerenknecht middelste; middelvent

boerenknecht (eerste -) veurganger

boerenknecht, jongste - lutje knecht; lutje vent

boerenkool laankmous; moes; mous

boerenkool (scherts.) mozes

boerenkool, soort - bladjemous

boeren laan ree; reed

boerenvoorhuis, soort - laankhoes

boerin vraauw

boers boers

boete boete; boute; buite; breuk

boffen bovven

bok bokkeraam; bokram

bokking bokken; bukken

bol (broodsoort) böl(le)

bol staan oetboeken; oetbulen

bolletje, soort - mik; swoan-ien-t-nust

bom bom

bom ijs bomelies; bonkies

bonedraad rang

bonen, gezouten - sullebonen; zuile­bonen; zultjebonen

bonen, soort - krombekken

bonen, stamppot - cement; boneklont, stokvaarf, stopvaarf

bonensoep boontjenat

bonzen bomzen

boodschap bodschop; bosschop

boodschap, zgn - pisbosschopke

boog boge; boog

boog (schietwapen) flitseboge; flitse-boog; pieleboog; spanneboog

boom bome; boom I

boomstomp stob(be)

boomstronk strompel

boomvruchten, resterende - zammel-goud

boon bone; boon

boor boor I; bore I

boord boor II; bore II

boordevol boornstevol; smoorvol

boos bremsterg; bromsterg; does; duuster; grèl; lèlk; maal; mies; vaals; vrang; glin(de); spans; voel

boos, wat - kriegel

boos, zeer - verbraand; vergrèld

bord, houten - bred

boren boren

borg börg(e)

borg staan bokje stoan

Borgercompagnie Börkomnij (in) [Börkomnijster]

borgheer meneer

Borgsweer Börgsweer (in) [Börgs-weerster]

borrel drupke; houstje; klokje; oustje; zeupke; heldertje

borrelen brobbeln; goddein; gorreln

borstel bozzel

borstel, soort - roevoester

borstelen bozzeln

borsteltje laampepoester(d)

bos bos(k)

bos (stro) groede; grude

bos, dichte - doest

bos, verwarde - toest

bosje foske; fosse

bosschage boskerij

bot bodde; bonk; knoak

boter bodder; botter; budder; butter

boter, kaas en eieren hok-stok-blok; tik-tak-tun

boterbloem botterbloum(e); butterbloem; euliebloemke

boterham brog(ge) II; brug; stoet(e) brug; studebrug; stutebrug

botje bij botje hutje mit mutje

Bourtange Boertang (in) [Boertanger

bout (ijzer-) bolde; bolt

bouw (van huis en land) baauw

bouwen baauwen

bouwland vaalg

bouwterrein haimstee

bouwvallig brekvalleg

bovendien bie tou; boetendat; boeten-des; butendien

bovenstuk kap(pe)

box loophek

braak broak; vaalg

braakland zummervaalg

braam (op schaatsen) droad

braambes brommel; brummel

braamstruik brommelbos

braden broaden braken breken; spijen

brand braand

brand, in - steken oplontjen

branden (v. stro e.d.) luchten

branden, doen of gaan - oplichten; oplochten; opluchten

branderig branderg

brandewijn branwien

brandewijn, soort - rladderak; schillechie

brandnetel branneddel; brannekkel

brandstof braand

brasem broazem I

breed braid; bried

Breede Brij (op) [Brijster]

breedte bredte

breedvoerig braidvoudeg

breien braaien; prikken

breinaald praim(e)

breipen priem

breiwerk braaien

breken breken; mestern

breken (scherts.) lappen II

brengen brengen; bringen

bretel hulpzeel, hupzeel; lits(e)

brief braif

briefje sedel; setel

brievenbus klipgat

brij van melk melkenbrij

bril bril(le); fok(ke)

bril dragen, een - brillen

brildrager brillesteern

Briltil Bril (op) [Brilster]

broche bros

broddelen bröddeln; bruddeln

broddellap broddellap

broddelwerk lapperij

broeden brouden; bruiden; broeden

broeds bröds(k); bruds(k); kloks

broedsel bröd; brudsel

broeien braauwen; bruien

broeierig baag; bage; brudseg;bruieg; bruierg; bruisk; maag; maarg;smoesderg; smoezeg; zwoul

broek boksem; broek

broek, ouderwetse - toerzak

broek, wijde - wiedewaal

broek, zondagse - oetlopersboksem

broekzak boksembuus

broer bruier; bruur

brok kloet; laarp

bromfiets plof(fiets(e))

brommen neudeln; neulen; neuren; neuteln

brommerig nareg; norrel

brommig norreg

brompot nirt; vranter(d); vrant(er)pot

bromvlieg brommer; droager; droaver

bron wèl(le)

bronstig willeg

brood stuut; stoet

brood(je), soort - achterling

brooddronken brokkel; maaldaarten: vretendaarten

brooddronkenheid broodkrummels; midwilleghaid

broodje (div. soort) pof; duvekoater; schoot II

broodmager spiekervet

broodmes dikmès

bros brokkel; bros

brouwen braauwen

brouwen (de r -) brijen

brug brog(ge) I; brug

brug(getje), bep. - badde; bat(ten)

brug, draagbare - tilbat

brug, houten - til(le)

brug, soort - boge; boog

bruggetje zonder leuning juk

bruggetje, smal en hoog baalkje; hooghöltje; hoogvonder

bruidegom brudegom; brudeman

bruiloft brulof(t)

bruin broen; bruun

bruinig toanderg

bruisen broezen

brullen brollen; brullen

brutaal astrant; strebant; stroabant

bui bui(e) zul (tig.) schroal; schrol

buigen boegen; bugen

buigen, z. nederig - kaddepokkeln

buiïg roezeboezeg

buik buuk; lief

buik (v. potten e.d.) boek

buigezwel vlaaisboom

buikpijn liefzeerte

buil boel(e)

buitelen boideln: böltern

buitelen, doen - koatsken

buiten boeten; ien boeten buten boetdeur(e) 

buitenaf. iem. van – boetenòfster

buitenbeentje boetenbainder; oetoarder

buitendijks land uterdiek

buitengewoon alderduvelst; allernoast; deur-in; oet de kiek; meroa-kel; oeterniedsken; öfgerakkerd; on-neuzel; swiet

buitenkansje binnenbeurtje; n mooi oepke

buitenlui boetenlougsters

buitenspel gaan staan schoefie-, schoffie loeren

buitenzijde, aan de - boetenom

bukken boeken; bokken; doeknekken

bulderbast bolderbak; bolderboksem

bulderen baldern

bult boel(e)

bult (hoop) buide

bundel bendel; bundel; top

bundeltje knoedel; koedeltje

bungelen bongein

bunkeren buvveln

buntgras piont

bunzing bunzei; meert I; mud; ulk; urk

burcht borg

buren zijn noabern

burgemeester burgmeester

burger borger

bus bus

bus (trommeltje) buzze

button blikspeldje

buurboeren laandnoabers

buurman noaber

buurt noaberschop

buurvrouw noaberske

 

 C

 

castreren lubben; luppen

catechisatie kezoatsie; leren; vroagle­ren

catechisatiekamer leerkoamer

CD (schijfje) spaigelploatje

cement cement

cent sint

chaos haalterkwaalter; toesnust; toesternust; toezeboudel; wareboudel

chocola sokkeloa; sukkeloa

chocolade- sukkeloaden

 

chocoladekoekje, soort - niknak­koekje

cichorei sokkeraai

cijfer siever

citroen sitroun

cognac kejak

collecteren oplopen

combine kombain(er)

commanderen komdaaiern;  kommersietsen

commissie kemizzie

 

compliment kompelment; kompel­mint

complot komplot

concubine klongel

condoom, kledderpuut; sleupie; Klodderpuutje

contact verslag

corduroy kestuutsiekoor; konner­stuutsiekoor; konstuutsiekoor; konter­stuutsiekoor; streepkoor; striepkoor; striepkoren; stuutsiekoor; triepkoor

Cornelia Kee; Kneel

Cornelis (Cornelius) Kneels; Kneles

crackers, soort - knappertjes

Crangeweer Cramweer (in) [Cramweerster]

 

 D

 

daag dö; doehoe

daags doags

daar doar; dör

daar(zo) doarzo(ot)

daar dan

daardoor zodounde

daarom doarom

daaromtrent doaromtou

daarvan doarvan

dag daag; dag

dag worden doagen

dag, de volgende - aanderdoags

dag, elke - doags

dagelijks doagelks; aal doage(n);doaglieks

dag koekoeksbloem meulentje

dagvlinder, bonte - schoulapper; schou(n)moaker

dagwerk dagwaark

dakkapel aarkenail; akkenail

dakpan paan

dalgrond daal(grond) nw

dam daam; dam

dame, stadse - stadsmamsel

dameslaarzen leerskes

damp, vol - smoreg

dan (voegw) as

dan (bw) den; din

dank (u) daanje

dankbaar dankboar

dansen daanzen; dansen

dar dörm

darm daarm

darmkronkel daarmslinger; kinkel in daarm

dartel daartel; daarten; midwilleg; ver­vreten; vlaigachteg; vlaigerg; wepel

das daas; das; daze; dazze; strik

dashboard meterbred

dat as dat voegw

dat (zelfst.) dadde

datum doatum

datum (vragend) mennegsten

dauw daauw

dauwen daauwen

daveren daldern; doavern

David Doaved; Doavied

de d'; de; e

december december; dezember(moand)

deeg daig(e)

deel dail; paart; petuur

deel v.h. huis, achterste - achterhoes

dekken (v.e. paard) bespringen

dekken (v.e. stier) speulen

deksel lid II

delen haalfstoan

delen, gelijkelijk - paarten

Delfzijl Delfziel (in) [Delfzielster]

denken denken; dinken; miemern

denkbeeld denk

derde daard; daarde(rt); daarders

dergelijke(n) zukken(t); dijen(t)

dertien dattien

dertig daarteg; dareg; datteg

desalniettemin doarom

desnoods noodziend(e); noodzijnd(e)

destijds destieds; doudestieds

deugd, lieve - laive tied, - toetpot

deugniet deugennait; japperd

deuk boet; deuk(s); duup

deur deur(e)

deur, zelfsluitende - snapdeur

deurstijl stiel(der)

deze dis-; dizze

deze(n) dizzen(t)

dezelfde ainder; aigenste

diaken dioak; joak

dialect plat

diarree deurgang; loop; schieterij; spaalkerij

diarree, in - löslieveg

dicht dicht(e); tou

dichtbij deun bie; dicht bie; drong aan; kort bie

dichtbinden toubinden

dichtgroeien touwazen

dichtknijpen, ogen half - kuren

dichtmaken slempen

dichtopeen dichte as hoar-op-hond

die dai; dij; dijen(t); dije; de

dieet taks

dief daif

dienen dainen

dienst dainst

dienst, militaire - dainst

dienstbetrekking dainst

dienstmeid maaid

diep daip

diepte bedèlte; dèlte

dier(en) daaier

dier, groeizaam - dijer

dier, losbrekend - baloor

dier, oud - strint; strinde

dier, vr. - mouer I

dij bil(le) dijk diek

dijk, buitenste - uterdiek

dijkjes riemkes

dik (v. gezicht) dieneg; plotseg; ploz-zeg

dik (v. vloeistof) gobbe; lobbeg

dik worden opdienen

dikkedakken smiksmakken; smikseln

dikkerd, stugge - daiterd

dikkop (scheldn.) bobbekop; bobbelkop

ding (waardeloos -) fermikke

ding, duur - duurgelder

ding, een of ander - fermik; karrie-farrie; dingerais

ding, groot - grode; plunt; woepsterd

ding, lang - hiemham

ding, log en dik - dodde

ding, misschien nuttig - tepas kommerke

ding, oud (en verbruikt -) old baistje

ding, oud - knaar; knaster; schebrak; öl strieder

ding, slecht - minne

ding, vreemd - fertuut; vermik; vertuter

Dinges Homko; Homkool; Homkoos; Homko van der Hommes; Van der Hommes; Hommesko; Homskool; Jan Paiter Oepkes; Omkool; Ongkool; oom Kool

dinsdag deengsdag; deensdag; dingsdag; dinsdag

direct doadelk; doalek; doalkies; doals; doaltjes; geliek(s); op haand; op slag; op stond(s); vot; votdoadelk;zogelieks;

dissel(boom) duzzel(boom)

distel schaarbe diezei; doornstiekel; stiekeldoorn

dit (zelfst.) didde

dobbelen bomzaaiern; dobbeln

dobber dobbel; dobber; hangeltopke;top(pe)

dobberen dobbeln; dobbern I

dode punt, over het - over domp

doek douk

doel doul; oogmaark

doen doun; doen; ommaans hebben;oet t stro zetten

doen (terloops -) woarnemen

doen, het onmogelijke - heksen

doen, niets - geniks

doen, snel - beroamen

doffer dovver(d); oarend II

dokter (scherts.) kwak

dokteren mestern

dol dol

dolgraag stommegeern

dom ozzeg; slicht

dom ogend dodderg

domheid slichthaid

dominee domie; domnee; domnij; doomdie; doomnee

dominee (scherts.) preekheer; preekvent

domineesvrouw domneeske; pestoorske

dommelen doeskern; doddern

domoor kou; okse; onverstand; otte; stovvel; kounavvel; odde; lót

donder dunder; grommel

donder, op z'n - op t jak

donderdag dunderdag

donderen dundern; grommeln

donderslag, knetterende - knitterslag

donderwolkje swaalke

donker graauw dood pijger dood (scherts.) mottje

doodgemoedereerd gemoedeik; ge-moudelk; trankiel

doodgoed deurbest

doodsbang schietensbenaauwd; vuurbaang

doodstil (i.d. natuur) nosk

doodziek deurzaik; doodzaik; stoefzaik

dooi deu; dij; dooi; dui

dooien deuen; duien

dooier deutel; dole; door; geeldoor

doop deup

door deur

door de week overdag

door en door deurhin; oet en deur; stok en stain

door heen deurhin

doordat deurdat; mit dat

doorelkaar deurnkander; deurnander; deurmekoar; enter-de-twenter; enter­en- twenter; enter-over-twenter

doorgaan aangoan; deurgoan

doorgaans deurentied

doorgang deurgang

doorleren touleren

doornat deurnat

doorsteken deursteken

doorwerken (tot 't einde toe) aanaar-baiden

doorzetten deurtoaveln; deurzetten

doorzetter vaastholder

doorzicht deurzicht

doorzoeken noasnuustern

doos deus; deuze; duize

dopen deupen

dopen (in-) stippen

dor soor

Dorkwerd Dörkwerd (op) [Dörkwerder]

dorp dorp

dorp, (kom v.h. -) loug

dorp, deel v.h. - gilde

dorpeling lougster

dorpsgenoten lougslu

dorpsplein blink

dorpsvaart schipsloot

dorsblok dörsblok; rolblok

dorsen daarsken; darsken; dörschen;dorsen; dörsken

dorskleed dagklaid; dörsklaid;zoadklaid

dorsplaats (v. koolzaad) leger

dorst dorst

douche does I

dovenetel daauwneddel; dieneddel; doofekkel; dovenekkel; dovenettel; melkzoeger

dovenetel, soort - oadam-en-evoa

dovenetel, witte - dove brannekkel; makke brannekkel; oadam-en-evoa

draad droad

draad, metaal - wierdroad

draaibrug draai

draaien dwirreln; siddeln; sirreln; trie­zel n

draaien (bij geluidmaken) dra ie In

draaien (i.e. kanaal) swoaien

draaien, rond - giezeln III

draaien, shagje - drèllen

draaien, snel - swiddeln; swirreln

draaiend drèls(k)

draaihek vring

draaimolen maalmeulen; malemeulen

draaiorgel lier(e)

draaiplek (i.e. water) swaaihörn

drachtig (v.e. koe) drachteg; kaalf(d);tieg; vool(d)

drachtig, niet - gel

draden struupsel; streupsel

draf draf(t)

dragelijk droagelk

dragen droagen

drager droager

dralen teuven

drammen drenzeln; taandjen

drammerig drans; dranzerg

drank draank

drank, slechte - tjoegel

draven droaven

draver droaver

dreef, niet op - in de pikpaan

dreef, op - op scheut

dreigen draaigen; drizzen; drouden: loeren

dreigen v.d. lucht schoeren

drempel drömpel; drabbel; drumpel: druppel

drempeltje drubbeltje

Drent Drent; Drïnt

drentelen flittern; gangeln; gingeln; keudein

Drenthe Drint

Drents Drents; Drïnts

drenzen draanzen; jaainen

dreumes deup(ke); doem-oet-haanske:grompie; keudel;

keudeldoemke; korrel; kroep-ien-buus; kroep-ien-döb:

kroep-ien-heeg; kroep-in-de-kroane;  kroep-oet-dop;

kroep-oetje; pork; prengel; preuksel; prewwel; prop;

prugel; spork; stop-ien-heeg; tjoop

dreunen donzen

dreunen, dof - dobbern II

dribbelen driggeln

drie drai; drij(e); drèje

drie(ën) (zelfst.) drijen(t)

Drieborg Drijbörg (op) [Drijbörgster]

driekleurig drijkleurd

driest driest

drift drift

driftig broaderg; hait; kwoad; maal; maalkopt; nieds(k); obsternoat; obstinoat; roeg; verniend;

driftkop kortkop; kwoadkop; maalkop; tiddelkop; stiekelpotse

drijven drieven

drijvend vlot

drinkebroer draanksteern; kijlebruier; - _ pimpelder; Popke nathaals; sjaskebruier; sjikkerlap; zoepsteern

drinken, leeg - oetsteken

drinken, met teugjes - klokjen

drinken, slecht - (: koffie) joegel; joggelebom; juggel; joegeltjebom

drinken, veel - sjaskern; zoepen

drogen bedreugen; dreugen

drogen (v. hooi) swelen I; keren

dromer dreumerd

dommels deksels; dekselze

dronkaard scheuvelloper dronken dik; doen; dronken(d);

miskwoam; saigel; sikker; sikkom; sjik-ker: zoaleg

dronken maken aandoenen; doenen

dronken, een beetje - doeneg

droog dreug(e); lins

droog (v. dieren) gust

droogrek waskerik

droom dreum

dropjes, ruitvormige - sammelakjes; zoldropkes

druif droef; droeve; druuf

druk (bnw) bandeg; drök

druk (znw) drók

druk, zeer - voelbandeg

drukken drokken; drukken

drukkend smoeze(l)g; smoreg; zat

drukte bemeuren(s); biebeer; drokte; haikernoazie; hui I; joechaai;

 joechij; kedelbuiterij; spats; weure

drukte (leven) pehui; poehaai

drukte (op straat) katjejacht

drukte maken baljoaren; bijs moaken; aargewaaiern

drukte, koude - kaskenoade

druktemaker baloor; pehuimoaker

drupje drupke

druppels, grote - botterdruppen

druppeltje drubbeltje

dubbel dubbel(d)

duf sof; suf

duffel buvvel

duidelijk dudelk; dulek; duudlek

duif doef; doeve; mok

duiken doeken; duken

duiker duker I

duim doem(e); duum

duimbekleedsel sleuf(ke); sleup(ke);sleuve; sloef

duin duun

duister duuster

duisternis donker(n)

duit daait; doit

Duits Poeps; Duuts

Duitser Poep; Duutser

duivel duvel; de kwoade; stommel hinderk; ol Pait; ol Vint;

duivels duvels; heileg

duivels, des - glïn in hakken

duizelen doezeln

duizelig doezeg; doezelg; dool; du-zelg; swiemerg; swiemsloagerg; zoe-ze(r)g

duizeling swiemslag

duizend doezend telw

duizendpoot doezendbainder; doezendpoter

dulden lieden

dun flitterg

dun (v. vloeistof) hui

dun en lang spilleg; spilterg; sprieterg

durf driesteghaid

durfal vrij vechter

durven deuren; duren; duurven

duur jouker

duur, lange - n haile rekte

duw knovvel

duwtje nokje

dwaalspoor biesterboan(e)

dwaalweg biesterboan; biesterweg

dwaas (bnw) dwoas; maal vreten

dwaas (znw) haalfmaal; haalfwieze; haalsmaal; maalgeboren; onwieze

dwalen dwelen; dwoalen

dwarrelen dwaddeln; dwarreln; dwir-reln

dwarrelwind wirrel

dwars dwaars

dwarsdrijver bongel; bungel; dwaarsbongel; dwaarsbungel; dwaarsholt;

dwaarskop; waalvlaiger

dwarsdrijverij bongelderij

dwarskijker negenoog

dweil faaiel; faail(e); fale; vaail; vaal;vale

dweilen faailen; vaailen I

dwerg estermantje

dwingerig draans

 E

 

eau de cologne klonje; lekkerroek; lodderaain; lödderaain; lödderin; roek; roekefoe(k)

eau de cologne (scherts.) lok-mie-de-vent; roek eb eb(be)

echt eerliek; jechteg

echter aanders

echtgenote (scheldw.) gladsmeerdeus

echtgenote (v. spreker) vraauw

eed aid; eed eelt heelt; iel(t); swil

één (telw) ain(e)

een (lidw) n

een en al hoop-en-troost

een, de - ain eend aind

eend, geschoten - aindvogel

eend, kleine wilde - smaint; smient

eenhandig ding (: met één hand vast te houden) ainhandse

Eenrum Ainrom (in) [Ainrommer]

eens èns; ers; es; ies; ins; inzen; rais

eens ('es) ais

eens (gezind) aineg; ains

eenstemmig ainpoareg

eentje, in z'n - op zien allaintjes

Eenun Aimen (in) [Ainmer]

eenvoud ainvoud

eenvoudig slicht

eenzaamheid aineghaid

eenzelvig aindoadeg

eerder eder; eer

eergevoelig eergiereg

eergisteren eerguster

eerlijk eerlek; eerliek

eerste eersterd

eerste, de - v.d. maand n eersten

eersteklas doalders

eetaardappel eter

eetbaar, licht - grouzeg

eeuw aive; aiw; eeuw

eeuwig aiveg; aiweg; eeuweg; ieuweg;ieveg

eeuwigheid aiveghaid

Eexta Eekste (in) [Eekster]

effen aingoal; evven; geliek; slicht

egel iegel; iegelkouerte; egelswien;stiekelswien; swieniegel; zwieniegel

egge aaid(e)

egge ij de

eggen aaiden

eggen ijden

egocentrisch aigenikkeg

ei aai; ei

eierdooier aaidoor; eierdeudel

eierkoek pleverkouk(e)

eierspel (met pasen) lommerken

eigen aigen vnw

eigenaar aigender

eigenaardigheden aigenheden

eigengereid aigenhereg

eigenlijk aigenliek; aigenst; aigentliek; aiglieks; aingst; ainliek(s); aink

eigenschap aigenschop

eigenschappen meuren

eigenwijs aigenikkeg; aigenwies; loos; wies

eigenwijsheid lozeghaid; wiezeghaid

eigenzinnig aigenzinneg; stiefzinneg; zinneg

eik aikenboom; ekkelboom; iek

eikel ekkel

eiken aiken; ieken

eiland; aailaand

eind(e) èn; ènd; ènde; ind(e)

eindelijk endeik; indelk; indeln; laank overlet

eindeloos van olden tot kolden

eindigen besloagen; opholden

eis aais(k)

eisen aaisen; aaisken; öfvaargen

Ekamp Aikamp (in) [Aikamper]

ekster eekster; oakster; okster

ekstergeluid geschatter

el èl; èlle

elastiek elestiek; rek

elastiekje rekker(tje)

elektriciteit elektries

elf elf; elven

elfde elfde; elfte

Elias Lais; Lijas

elkaar nander; nkander vnw

elleboog elboog; elleboge

ellende ellén; ielïnne; kripsie; krupsie

ellendeling lamstroal; lamzak; lapzak

ellendig labberlötteg

Ellerhuizen Ellerhoezen (in) [Ellerhoester]

els eldernboom; elzenboom

els (instr.) els; elze; oal I; prikkedil

elzen- eldern

emelt hoamel; oamel

emmer, grote - bakemmer

emmer, wijde - schoot III

endeldarm pakdaarm; pakkedaarm

enig ainegst

enkele(n) goenen(t); gonnen(t); gounen(t) vnw

enorm onnuur; reuzen; van wonder en geweld

Enumatil IJmentil (op) [IJmentilster]

envelop kevòrt; kevò; koevòrt; kom-föttje

enzovoort enzowathin

Eppenhuizen Eppenhoezen (in) [Eppenhoester]

er der; ter

ereprijs (plant) (blaauw)mier(e)

erf aarf; haim; hiem

erfdeel aarf(dail)

erfscheiding swet

erg (znw) aarg

 

erg (bw) aalmeugend; aarg; astemoat; bedruifd; benaauwd; bitterliek(e); bot; deeg; dik; dories; filaain; glin(ne); maal; as de ment; onvoeg; onvoug; slim; stinkend; swoar; toek; verdukerd; verduufkerd; verflikt(e); verniend(e); voelbandeg; gloepend

erg, meer dan - grof en groot

ergens aargens; aargens(woar); aarms(woar); aarns(woar); aarnt; ainderwegens; hier of woar; woar (aarns); woaraargens;

woaraarms vnw

ergeren (, z.) aargern (, z.)

ergernis aargernis; saggerien

ergste, het - dikste; slimste

ernst eerns

ernst (innige -) ainmoud

ervandoor mottje; op nobbel

ervaren ervoaren

ervaring ervoaren

ervaring, zonder - nöchtern

erven aarven erwt aarde; aarfte; aart(e)

erwt, grauwe - graauwaart

erwten met spek spekkenaarten

erwten, soort - schokkers

es (boom) eskenboom

esdoornvruchten eskentuutjes

essenblad eskenblad

estrik esterstain

etcetera ekseteroa; aings; ainks

eten eten

eten (grof) vreterij

eten (gulzig -) aggeln; haggeln;buvveln; schranzeln

eten en drinken etendrinken

eten met lange tanden piezeln

eten met tegenzin mommeln

eten, brood - snibbeln

eten, dun - jacht-deur-daarms

eten, geprakt - praksel

eten, het - etens; gevret; gevrötje

eten, opgewarmd - praan; prane

eten, overvloedig - dikdakken; diketen; dikkedakken

eten, slecht - piemeln; pieuwen

etensrest òrt; òttje

etensrestje, lekker - smoddertje

etgras etgras; etgruin

etgroen echtgruin; noagras

etter meterie

etteren attern

Eva Evoa

even geliek(e); immer; lieke

even veel alliekeveul

even, om het - iegoal; krekgeliek; netgeliek

evengoed alliekewel

evenredig evenredeg

eventjes aits; eefkes; efkes; evenkes; evenpies

evenwel lieke wel; oaber

expres espres; expres

extra extroa

extra('s) overbaauw

Ezinge Aizing (in) [Aizinger]

 F

 

faam foam I; roup

Faan Foan, t - (op) [Foanster]

fabel foabel

fabriek febriek

failliet aan appellat; feliet

familie (buiten gezin) femilie

familieberichten olwiefkenijs; olwievenais

Farmsum Faarmsom (in) [Faarmsom-mer]

fatsoen fersoun

fatsoen, met goed - mit schik

fatsoenlijk fersounlek; fersounliek; fesoenlek; schaauwboar

fatsoenshalve fersounshaalven; schandshaalven; schikshaalven

fazant fezant

februari feberwoarie; feberwoarie-moand

feeks fekke; fikke

Feerwerd Fiwwerd (in) [Fiwwerder]

feestelijk feestelk

feesten feestjen

feitelijk faitlieks

feliciteren filesetaaiern

femelarij fiemelderij

ferm kregel; kriegel; niedeg

fiducie feduutsie; ferduutsie

fiets fiets(e)

fijn fien

fijngevoelig noanemend

fijnheid fieneghaid

fijnmaken knailen

fijt fiet

fikken klariddefikken

fiks beus

filistijnen, naar de - noar de filo

filtreren klinzen

financiën finansies

Finsterwolde Finnerwold (in) [Finner-wolmer]

fistel apstendie; fizzel

fladderen floddern; flottern

flakkeren fakkeln; fokkeln

flansen faggeln; klebükseln

flansen, in elkaar - foestern; goegel-fluiten

flapuit bekjegaauw

flard tiaar; flare; flinter; flodder

flater floater; gob-aai

flauw flaauw; lar(r)eg

flauwekul kulkouk; kulloazie; lulderij

flauwerik lougijver

flauwte gammelte; gijhonger

fles vlès, vlèzze

flesopener doppenropper; kontjeprop

flets eerdeg

flierefluiten diedeldaantjen; diedel-domdaantjen; diedelomdattjen; dom-daantjen; dommedaantjen; omdiedel-daantjen; tuutjefloiten; tuutjen; vlin­derknippen

flikflooien flöien; flooien; fliemen

flink eerlieks; fleeg; helder; kerel-achteg; kerdoat; nuver; snaideg; snie-deg; terdeeg; terdege

flinkhouden, z. z. hammeln

flinter vlinder II

flodderend flodderg

fluim kwaalster

fluisteren flaaistern; tlustern; fluus-tern; lu(u)stern II

fluit flaaide; flòide; flòit; fluit; piebe; piep(e)

fluiten flaaiten; flòiten

fluitenkruid keesblommen; kezebloumen

fluweel ferwail

foei fai; fij; foi

fooi handsmeren; handwisk

foppen kullen

fopperij wiesmoakerij

fopspeen lót

forceren faksaaiern

fortuin fertuun

fortuinlijk schietgelukkeg

fortuintje smantje

fouten, allerlei - lek en brek

Foxhol Foxhol (in) [Foxholster]

framboos flamboos

Frankrijk Frankriek

Frans Fraans; Frans

Fransum Fraansum (op) [Fraansumer]

fratsen aibels; babbelguchies; fiebeldekwinten; fiebelkwinten; fiemelekwinken; fiemelkwinten; fievelekwinten; flinken; griebels; meroakels

Frederik Frederk; Freerk

Frederika Freerkje; Freerktje

Fries Vrais

Fries (taalnaam) Vrais

fris vris

frommelen knoedeln

fronsen schoeren

Froombosch Froombos (in) [Froom-bosker]

frutselen hutseln

fuik foek(e)

fuik, deel v.e. - kub(be)

fuik, soort - schutnet

fysiotherapeut strieker

 

 G

 

gaaf goaf; geef; geve

gaaf, geheel - fiengeef

gaai, vlaamse - schraiwekster

gaan goan; gonnen; krösken; opkrözzen

gaan, er hard vandoor - der oetfietern; der oetkielen; der oetklaaien; der oet-klaauwen; der oetnaaien; der oetrieten; der oetsnieden

gaan, er van langs - der om weg goan

gaan, ertussenuit - der oetbulen

gaan, luidruchtig - boldern

gaan, naar huis - siebo goan

gaan, snel - fietern

gaan, voetje voor voetje - voutjen

gaar goar

gaar, half - goddel; gorrel

Gaarkeuken De Goarkeuken (op) [Goarkeukener]

gaarne geern, geernt, groag

gaas goas

gal gaal; gale

galerij (kerk) klunderbeun

galg gaalg(e)

galmen gaalmen

galmgat klepgat; klokgat; gaalmgat

galziekte gaalderij

gang gaang

gans gaans; gaanze; gans

ganzebloem, gele - mörgenglorie

ganzenbord ganzebord; ganzebred

ganzenbord spelen gaanzebredjen

Ganzedijk Ganzediek (op) [Ganzediekster]

gaper gapperd

gare, halve - butje

garen goaren

garen en band linterij

Garmerwolde Gaarmwol (in) [Gaarmwolder]

garnaal genoat

garnalen vissen genoatjen

Garnwerd Garwerd (in) [Garwerder]

Garrelsweer Garrelsweer (in) [Garrelsweerster]

Garsthuizen Garsthoezen (in) [Garst-hoester]

gast uutvanhuzer

gat gat; glop; loek; lok I

gat (boven schuurdeur) klepgat

gat (in kous, sok) knöl(le)

gauw gaauw; rad

gauwdief filo

gave goaf

gebabbel teut

gebak (al of niet mislukt -) brabbel-kouk

gebak, soort - schoapstaart

gebaren meneuvels

gebekt mondgaauw; mondjegaauw;radbekt

gebeuren heergoan

gebit (v. paardetoom) bit

geblancheerd begozzeld

gebloemd bloumd; bloumked

gebogen doeknekjed; doeknekt

gebogen, met - hoofd iendoekt

gebonden bandeg

gebouw gebaauw

gebouwd, grof - schonkeg

gebouwtje baauw

gebrabbel (v. kinderen) hounderkefraans

gebrek behuifte; scheel; schelen; sche­ling

gebruik gebroek; gebruuk

gebruikelijk gebrukelk

gebruiken broeken; bruken; gebroe-ken; gebruken

gedaante gedoante

gedachte (gek idee) denk (wat n denk)

gedeelte gedailte; dail

gedeisd kuin

gedekt worden tielen

gedekt worden (schapen) aanlopen

gedoe gedou; gedounte

gedonder duvelderij

gedraaf gebirs; gebirzel

gedraaid wiends; winds

gedragen, z. nemen, z.

gedrongen draig; dreeg

geducht om roak; ommeroak; omroaks

geduldig liedzoam

geduldwerk getiepel

gedurende onder ... weg

geen gain; gainen(t); gien

geep (vis) gebe; geep; gepe

geest gaist; geest

geeuwen gappen

geeuwer gapstok

geeuwhonger geehonger; gijhonger

gegroeid wozzen

gehaaid finail

gehakt gehak

geheel finoal; gehail; hail; haildaal; hailendaal; vlak

geheim gehaaim; gehiem

gehemelte beun van mond; verwulf

geheugen onthold

gehoorzaam geheurzoam

gehoorzamen om (t) liek willen

gehoorzamen, leren te - omstalen leren; omstoan leren

gehorig geheur(eg); heur

gehumeurd getakt

geil gaail; gaal

geïsoleerd levend aindoadeg

geit bok; seeg; sege; sik

geitenbok bok

geitenmelk bokkemelk

geitenstal bokhok; bokhut

geitje boklam

gejaagd höfteg; jachteg

gek gek; haalfwies; maal

gek (beetje -) dörms

gek, voor de - veur kezoan

gek, voor de - houden begugeln; pie­ren

gekalfd, pas - nijmèlk(t)

gekheid gekkens; gugel; maaljoagerij; maleghaid; tralarechies

gekheid (uitroep) flaaitpiepen

gekheid maken maaljoagen

gekheid uithalen maaltweren

gekkenwerk gekmanswaark

geklaag gejeuzel

geklauter geklaauwster

gekleed, schamel - voazel

gekleed, slordig - sleeps(k)

geklets lulderij; lulkouk

geknisper geknapper

geknutsel getudel

gekonkel konkelderij; konkelfoezelde-rij

gekookt, goed - (eieren) zaipe(r)g

gekscheren gugeln; oaliazzen

gekte maal

gelaat fizelemie; fizenemie; foatsie

gelagkamer jachtwaaid(e)

geld  doemkruud; schoef-veur-doem; segienen; siezen; sinten; sinterij

geldzak geldpong; geldpuil; geldpuut

geleden heer; heerwoarts; leden

geleidelijk langzoam aan

gelijk aingoal; geliek; liek; moatje-aingoal

gelijk (bij wedstrijden) kamp

gelijk, geheel - spiergeliek

gelijke jegender

gelijkmatig evenredeg; iengoal

geloof geleuf; geloof

geloven geleuven; geloven; leuven; loven

geluid geluud

geluid maken, klokkend - klokkern

geluid maken, zacht - neulen

geluiden laten horen (zacht) nokkern; nukkern

geluk gelok; geluk

 

geluk, op goed - op roakeldais

gelukstol altemoal; leggerholtje; nulholtje

gemaakt, zelf - aigenred

gemak gemak

gemakkelijk gemakkelk; genog(t); licht; makkelk

gemeen filaain; filaaineg; gaalsterg; galleg; gemain; gemien; lapperg; rötterg; vilaain; voel

gemeenschappelijk mandaileg

gemeente gemainte

gemenerik gaalsterd; laaip

gemijmer prakkezoatsie

gemoed gemoud

gemopper geprommel; mopperderij

gemors graimboudel; graimerij

geneigd tot stoten steuts(k)

genezen keraaiern; koeraaiern; betern

genezen, uit zich zelf - oetdolen; octrooien

genieten groalen; grollen; gruilen

genieten (stil -) genottern

genoeg genog(t)

genoegen genougen; gevaleghaid; nocht; nucht; oard; oardeghaid; wil(le)

genot genut I

georganiseer geredder en geregel

gepeuter tiepelderij; getudel

gepraat proaterij

gepraat, vervelend - gekwedel

gepruts gekudel

gepruttel gepruddel

geraamte geribte

geraden geroaden

Gerardus Grades

Gerbrand Gaarmt

gereed kloar; raid; rij; op sprang; veerdeg; vereg

gereed, geheel - (om te vertrekken) gestiekeld en gespoord

gereedheid schiereghaid

gereedmaken redden

gereedschap aark; geraidschop; gereedschap; raidschop; raif; raive; reeuw; riw

gereedschap, slecht - dioakenraif;faggelraive; instekersraive; hoagebuiken raif; rakkersraif; rakkerstuug

gereformeerd òfgeschaaiden

geregeld perooi; tèls; zetrecht

gereken rekenderij

gerend gereg; hörnschaif; hörnschuuns; kiels

geritsel geruzzel

geroddel gereudel; getjaauwel

geroep geroup

geronk gerotter

Gerrit Gerriet

gerst gaarst

geschater geschatter; geschotter

gescheld geraag; geschèl

geschikt handzoam; jenteg

geschreeuw gebèlk; gebölk

geschreeuw (huilend -) gereer

geschrijf schrieverij

geselen giezeln I

gesis gesister

geslaagd bedegend

geslachtsdeel femilie

geslepen voal

gesmeerd (fig.) as n liere

gesp gaasp; geps(e)

gespartel gespaddel; gespartel

gespikkeld (v. gevogelte) spaar(d)

gespitst zijn, er op - der op spinzen

gespuis gespuus

gestadig stoadeg; stoareg

gestand doen stoan

gesteld op maal

gesteld op mensen (v. dieren) menskeg

gesteld op, erg - stoapelmaal

gesticuleren speren; spereweren; spin-kenaaiern; spirrewirren;

spinhakken (mit aarms)

gestoei geriddel; ralemalerij

gestreept streept

gesuis gezoes

getikt belotjed; besoaksemd; betoefd; haalfzeuven; verbiesterd

getimmer timmerderij

getreuzel fietjederij; gejutje; gepie-mel; nuzzelderij

getroffen worden (fig.) aankomen

getuige getuge

getuigen getugen

geul, doodlopende - baalg

geur roek

gevaarlijk gevoarelk; gevoarlek

geval gevaal; geval

gevangenis (scherts.) klontjegat

geven aanlangen; doun; geven;langen; toulangen

geven, melk - geven

geverfd, slecht - miskleureg

gevlekt (v. vee) grimd

gevoel ge vuil

gevoelloos doof

gewaar worden wies worden

gewas, zelf verbouwd - aigenbaauw

geweest wést

geweldig grofdoadeg; òfgerakkerd

gewelf ge welf (te); gewulf; verwulf

gewend wénd; wind

gewicht wicht II

gewonnen (- gegeven) baist

gewoon aaldoags; gebeurlek

gewoon, zgn. lak en flak

gewoonlijk dag en deur; deurentied; oet en deur; deursneeweg

gewoonlijk tiedels

gewoonlijk, zoals - annoarie weg

gewricht gevricht; hoak; smeerschief

gewroet gevruzzel

gezanik kutkammerij; plazerij

gezegde taim(ke)

gezellig noflek

gezellig (van aard) gezelschopzuit

gezelschap gezelschop; gil(le)

gezet dubbel(d)

gezeur gedrutje; gemietje; gesjank; gezoes; gedwèlm

gezicht gezicht(e); oetkiek

gezicht, dik en dom - bobbekop

gezicht, tweede - goaf

gezin volk

gezond geef; gezond; veerdeg; vereg; vlog(ge); vlug; vris; zond

gezondheid gezondhaid

gezwets reudel

gezwoeg geschrip; ge wurg

gezwollen blaaisterg; blazzeg; bluisterg; glaai; glij

giebelen gabbeln

glechelaarster giebel; giebeljet; gie­bel ke trien: giebeltoet

gier ier; jier(e); jirre; joepe

gierig krieterg; krimphaarteg; noagoand; grienderg

gierigaard kniephoezen; kniepstuver; kniezebieter; krieter(d); krimpkat; ne-devreter; pennenzestien; pienappel; pinkevieler

gieten gaiten; gieten

gijzelen giezeln II

gil gier

gillen gilpen; jilpen

ginds gun(ne); gunder(s); gunderwied; gunt

gindse gun(s) vnw

gissen gizzen

gist gèst(e)

gisten gèsten

gisteren guster(n)

glad glad; glidderg

glad, slijmerig - glidderglad

 

gladheid gladdeghaid; gladden(s); gladte

glanzend maken (stof) klandern

glas glaas; glas

glas, soort- bom

glibberig gleers(k); glereg; glidderg

glijbaan glidskeboane; glieboane; slietskeboan

glijden glieden; gliddern; slidsken; slieren; sliersken; sliestern; slietsken;

slisken; sliskern; slistern

glijden (op sneeuw of ijs) gliesterken; gliestern; glistern

glijden, het - glee

glijden, z. laten - op schaatsen bodje-voaren

glimmend glaai; glij

gloed glmneghaid; gloud

gloeien gluien

gloeiend glin(de); glinne

gluipen gloepen; glupen

gluiper hounderdaif

gluiperd gloeperd

gluiperig gloeps(k)

gniffelen gniflagen; kniezen; knivveln

Godlinze Glïns (in) [Glinster]

goed goud

goed, juist - ribschier

goed, schijnbaar - ribschier

goed, slecht - flaregoud; joakenraif

goed, tamelijk - enneg

goedbloed goudhaals; zok(ke)

goederen goud; spul I

goederen, gewilde - roofgoud

goederen, slechte - rakkersgoud; schiet

goedgebouwd ledeg

goedheid goudens

goedkeuren goudkeuren

goedkeuring goudkeuren

goedkoop gekoop; goudkoop

goedkoper beterkoop

goedsmoeds getroost

goedzak slokkebotter

goeiedag goidag; goeidag; goiendag; goundag; moi(en); puut tussenw

goeiemorgen goumörgen tussenw

goeienavond genoavend tussenw

golf boar

golven (ww) waggeln

golven (znw) waggels; woagen I

golven, hoge - wagen

goochelaar gogelder; keukelder

goochelarij kukelspul; ogenbekeukel-derij; ogenverkeukelderij

goochelen goegeln; gogeln; gugeln; kukeln

gooien bikken; jompen; mietern

gooien, met sneeuwballen - snijbaal-tijen

goot geude; geut(e)

gootsteen geutstain(e)

gootsteen geutstien

gordijn gerdien

gorgelen goddein; gorreln

gort görde; görde; gort; gort

goud gold

gouden golden

goudrenet goldrenet; goldringenet

goudsbloem goldjebloum(e)

graag geern; geernt; groag

graasrecht (v.e. lam) lamswaaide

graat groade; groat

grabbel, te - op gribbegrap; op gribbelgrabbel; op griebelgrabbel

grabbelen gribbeln; grobbeln

gracht graacht(e); graaft(e); graft

grap kuur

grapjes wiepkes

grappen babbel(e)guuchies

grappen maken guutjen; scheervogeln

grappenmaker kuken; kulibas; kurendriever

grappig kureg

gras gras; gres

gras, onkruid- krep

grasland greide; mij; moa; moar II; ven(ne)

grasland, laag - brouk; maiden; mieden; mijden; stroute

grasland, omgeploegd - nijlaand

grassoort raai; rooigras

graszode laar; lade; lare

gratis omsunt; vergees

grauw graauw

graven groaven

graven (sloten) geutjen

grazen waaiden

grendel grondel; grondel; grundel; scheudel; schodel; schotel

grenen - grainen -

grens grens; grins; schaaiden; grup(pe)

grenzen schutten; swetten

greppel geut; gruppel

greppel, grote - maintgeut; maitgeut; middelsloot

grieperig hiepkonterg

Griet Grait

griezelen griezeln

grijnzen kniezen

grijpen griepen

Grijpskerk Gruupskerk (in) [Gruup-skerker]

gril (bnw) grèl; spril

gril (znw) kuur

grimas fertuut

grimassen mantjes

groei aandij; dij; grui; schot

groei, sterke - fieter

groei, voorspoedige - weldij

groeien aanzetten; dijen; gruien; toudijen

groeien (omhoog -) wazen

groeien (zonder zaaien of poten) opsloagen

groeien, welig - oarden

groeikracht schreeuw; schriw; tier; voartsie

groeikracht, gebrek aan - pog(ge)

groei puistjes gruipoeten

groeischeut schoot I

groeizaam gruizoam; oardzoam

groen greim; gruin

groen als van koeiendrek kouschietengruin

groenboer mousker

groente greunte; gruinte; gruinterij

groentje kiek-in-de-wereld

groet groutnis

groezelig gorreg; soeterg; groeterg

grond (voor huis en tuin) haimstee

grond, nieuwe buitendijkse -; aanslag

grond, stuk - kaambe; kaamp

grondbezitster, beklemde - maaierske

grondbezitter, beklemde - maaier

Groningen Stad (in) [Stadje(de)r]

Groningen (stad) Groot Loug

Groninger Grönneger; Grunneger

Groninger, stad - stadjeder; stadjer

Gronings, het - Boers; Grunnegers; Grunnings

groot groot; stolt

grootbrengen (zonder moedermelk) opsaaiern

Grootegast Grodegast (in) [Grode-gaster]

grootheid groothaid

grootouders grootolden; grootollu

grootte grootte; grötte; mannelkte

gros gros

grote (in z'n soort) doavied

gruis groes

grut schrödde; schrot

grut, klein - mozzelgoud

gruzelementen groezelementen; groezels; gruzels

guit gimt; guutjepuut

guitig gudeg; guteg; kruderg

gul gul; rij

gulden (scherts.) veurrad

gulp snél

gunstig melkwaarm

gutsen goddern; goezen; gobbeln

gymnastiek gemestiek; gimmestiek

 H

 

Haag, Den - n Hoag

haagwinde pispot

haak hoak

haak, soort - klaauw

haal, aan de - op kladder; op kledder; op klender; aan de klitter; op rek

haan hoan(e)

haantje de voorste (bnw) biebereg   

aantje de voorste (znw) Paitje veuraan

haar (vnw) heur

haar (znw) hoar

naar, kort staand - stiekelbos

naard buiterij; heerd

naardos, verwarde - toesterbos

naarspeld pielkevanger

Haarwervel dwaddel; dwarrel

haas hoas; hoaze

naasje-over bokje stoan; bokjen

haasje-over-springen bokjespringen; meetjen

haast gaauweghaid; gaauwens; raauwte; jacht

haast (bijna) hoast; oast; sikkom

haasten hoasten; jachten

haasten, z. bozzeln

haastig hoasteg

haatdragend hoatsk

hachee siepeltjevlaais; siepeltjevlees

hagedis evertaaske

hagelen hoageln

haitied altijd

hak hak(ke)

haken hoaken

haken, blijven - teppen; toeken

hakken (snijden) fieken

halen hoalen

halen, vandaan - heerhoalen

half haalf halfrijp wanriep

halfvolwassen graauw; haalfwazen; haalfwozzen

halfwijs haalfgozzel

halm strospier

hals haals

hals, onnozele - Pait lut; slörm; zole

halsoverkop kop-over-haals

halster helster, elster

halsteren behelstern

halswervel haalsknoak

halve gare butje; haalfgoare

halverwege haalfweg

ham schink

Ham, Den - Ham (op n) [Hamster]

hamer hoamer

hameren kleutern

hand haand; tjijs

hand, een - geven voestjen

-handelaar -kerel

handelaar, zuinige - tik-op-de-schoal(e)

handelen (handel drijven) pangeln

handelen (doen) z. nemen

handelen, stil - smoegen

handen peulings

handen, onder - nemen kedip nemen

handig smieteg

handschoen vingerhands

handschoen, - met halve vingers voestje

handschoen, soort - knovvel: kof II

handtekening handtaiken

handvat handsel

handvat (v. gereedschap) hilt(e) I

handvol gaps(e); gapsel

handzaam handzoam

hanenpoot hoanepoot

hanenpoten kribbelkrabbels

hanenstaartveren moudveren

hangen hangen

hangerig ledderg

Hans Hans

hanteerbaar, licht - lichtveerdeg

haperen stoeken; stuken

hapering stoekerd

hapje, lekker - vret

happig happeg; haps

hard haard; haardoet

harddraver haarddroaver

hardhorend haardheureg

hardleers onbegripzoam

hardst, om 't - haail om t zaail; huil om t zuil

hare, de/het - heuren(t)

Haren Hoaren (in) [Hoarener]

haring heern

hark haark(e)

harken haarken; rieven

harken, op regels - (van hooi) swelen I

Harkstede Haarstee (in) [Haarsteder]

Harm Haarm

Harpel Haarpel (op t) [Haarpelker]

hars katjeliem

hart haart

harte, van - van haarten

hartelijk hartelk

harten (speelkaarten) haarten

hartig hartelk

hartklopping n haartkloppens

haten hoaten

haveloos palterg; polterg; roepeg; roepseg; schoaberg; schobbe(r)g; roeg en ropperg

haven hoaven

havenen hoaven

haverhoaver

haver, wilde - oart

haverpluim hoavertaail; taail; tijl

havik hoanebieter

hazelnoot hoasneut; hoazeneut

hazelnoten, grote - lammerkeneuten

hazenslaapje knipsloapke

hazenstrik hoazestrik; hoazestroep;hoazestruup

hè? hèn?

hebben hebben; hemmen

hectare bunder

hectare, halve - daimt; mat

heden (och -) herik (och -)

heel hail; hiel; huil; hu ui

heem haim; hiem

heen hin

heen en weer hinneweer

heengaan hingoan

heenweg, op de - hin

heerlijk aan t lutje toontje tou

heerschappij permoters

hees hais; haisteg; haisterg; Mes; hees

heet hait; hiet

heet (bij zoekspel) vet

heet, gloeiend - gloependeglin

heetgebakerd bambereg

heets, iets - kokende karro

heffen hevven

heft hecht

heg neeg; hege

heggenschaar heegscheer

heide haaide

heiden haaiden

heil haail

heilig haaileg; hilleg

Heiligerlee Kloosterholt (in) [Kloosterholtjer

heimelijk steelskewies; stiekom

heimwee haimzaikte; wènst(eghaid); winst (ieghaid)

heimwee hebbend haimzaik

heimwee voelend winsteg

hek riggel

hek soort - sticht

hekel graauw; groul; riepel

hekelen hekeln

helder gril; helder; kloar

helder (: nacht) zichtig

heleboel haileboel; haileboele

helemaal glad; hail(en); haildaal; haiendaal; hielemoal; haldaal; hielendalmoal; hielendaal

helemaal niet - nait recht

helft haalfschaid; haalve

helft (van een -te verwachten-tweetal) ainspaanjer

heft de - helfte

hellen öfschunen

hellveeg horrebedor; orbedor

helling dèlloop; helgen

Hellum Helm (in) [Helmster]

help, lieve - goude gerechteghaid

helpen helpen; bok(je)stoan

helper haalfstoander

hem hom

hemd, gebreien - borstrok

hemeltje goi

hen hin, hen

Henderikus Rieks

Hendrik Hinderk

hengel angel; hangel; (h)angelgare;  hangelstok

hengelen angeln

herberg haarbaarg(e)

herder schaiper; scheper; schijper

herderstasje lepel(tje)blad; lepeldaif; lepels-en-vörken; toenlepeltjes

herfst haarst

herfst, in de - saars

herkauwen eerkaauwen:   ;ei

herkauwen (fig.) noabranden

Herman(nus) Mans

hersenen hazzens

hersteld kloar

herstellen heerhoalen; opkraber..

herstellen (van ziekte) opklandern

herstellen, knoeierig - lapzakker,

het t

heten haiten

heup heup; hup(pe)

heupfles platloes

heupwiegen draaineerzen

hierheen heer

hierzo hierzoot

hij hai; hij

hijgen hiemen; poesten; puustes swougen

hijgen (v.e. hond) bleggen

hijsen (molent.) laaien; looien:

hik snok

hinkelen kinkjen; kooihinken: kootjehinken; paarkhinken; paarkjehinken; pothinken

hinkelspelen hinkjen; hinkjevakjes

hinken hampeln; hinkelepinken

hinniken frensken; grinsken: grìnzen; vrenskern; vrinske(r)n

hitsig hetseg

hitte hette(n); hettens

hobbel (ltk en fig) horrel

hobbelig hulterg; kloeterg: ribbeld robbeg

hobby oaventuur

hoe hou

hoe ... des te houveul te ... houveel te  wat... wat

hoe ... ook aal hou

hoe zulk(e) houk; huks; houken(t); houksen(t)

hoed houd

hoed, soort - galliballi; kip(pe)

hoed, vrouwen- kiep(e)

hoeden voor, z. wachten, z.

hoeder (v. dieren) haaider

hoefhaar fiedeltoppen; fieterlok

hoefijzer peeriezer

hoegenaamd hougenoamd

hoek hörn; houk

hoek (v. kamer) met de klok klokhörn

hoek, inspringende - krimp

hoeken en gaten kanten en ranten

hoepel houp(el)

hoer poedie; houer

hoest, droge - schoaphoust

hoesten housten; knoggeln; koggen; koggeln

hoeveel houvel; houveul

hoeveelheid bats

hoeveelheid ben(de); birzie; boes; boe-ze; bom; boudel; boulen; bourel; dag-waark; doddel; doest; dont; dreudeltje; drift; drobbeltje; droestje; droppeltje; drubbeltje; gaang; glop; gobse; gulp; hommeltje; hörntje; houstje; hude(r); kap(pe); kelonie; ketaaier; klip(pe); klob(be); kloet; klompke; klont; kluit; knoest; knoestje; knor(re); komplöt; kop; kwaab; kwabs(e); kwak; kwittje; lare; moal; nöst; nust; peuter; plok; pongel; praan; prak(ke); praksel; prane; prodde; pudel; pudeltje; put; pudde; rieg(e); rommel; slombe; slomp; snit­ter; stok; stommel; stommeltje; stootje; stötje; todde; tongel II; troest(je); tuustje; vlocht; vlucht; vouer

hoeveelheid (klei, hooi) klamp

hoeveelheid (vloeistof) troantje

hoeveelheid vocht plompke

hoeveelheid, grote - brom; sjees; sjène

hoeven hoeven; huiven; huven; huwen

hoewel aalhouwel; alewel

hokkeling heukel

hol hole; hooi

hol, op - op kledder; op riddel

hollen en draven baaistern

hologig holoogd

Holsteiner Holstainer

Holwierde Holwier (in) [Holwierder]

hommel brommer; bromster; hummel

hommel, soort - mosdoare(n)

homp homp(e)

hond dog

hond, grote - barries

hond, speelzieke - levverd

hondsdraf loop-bie-de-weg

honger bok

honger, niet te stillen - wolfhonger

hongerig gammel

hongerlijder hongerlap; smachtlap

honing hunneg; hunnek

honingraat waark I

honkvast hoesvaast

hoofd heufd; kop; steern I

hoofd, met ingetrokken - doeknekt

hoofddiep (in Vk.) veurdaip

hoofdpijn heufdpien; kopzeerde; kopzeerte

hoofdstuk kepiddel

Hoogezand Hogezaand (op t) [Hogezandster]

Hoogkerk Hoogkerk (op) [Hoogker­ker]

hoogrood bluierg; bluisterg

hoogte heugte; högte; hoogte

hooi haai; heu; hooi; hui III

hooiberg heubult

hooidijkje wier; wirs; wirze

hooien heuen; hooien

hooihark rief; rieve

hooihoopje raag; rage

hooioogst heumennen

hoop (bult) bult

hoop, verwarde - dont

hoopje bröd; kwakje

hoor heur; hör; hur tussenw

Hoorn, Den - (Wehe -) Hoorn (in) Hoornster]

hoornschelp nuunhoorn

horen heuren

horloge hallozie; allozie

horlogemaker klokschoner

Horn, Den - n Hörn (op) [Hörnster]

Hornhuizen Hörnhoezen (in) [Hörnnoester]

horten en stoten hötken en stötken

horzel bremster

houden holden

houden van magen; maggen

houden, de teugels - mennen

houden, voor de gek - de gek aan­leren

houden, z. z. holden; z. tieren

houdend van, niet - baang(e)

houding holden

hout hòlt

hout, eind - bongel; punter

hout, stuk - bome I; boom I

hout, rond stukje - klóbke

houten hòlten

houterig hòlten

houtje, op eigen - op aigen bandevout

houtjes maken holtjen

houtpakhuis holtstek

houtsoort sipsapholt

 houtsoort (v. fluitjes) sapsiepenholt

houvast hòl

Houwerzijl Houwerziel (in) [Houwer-zielster]

houwwerktuig haauw(er)

huichelen hugeln

huid hoed; huud; vèl

huik haaike; hoek(e)

huilebalk blèr(re); blèrder(d); brolbek; liepbek; liepenketrien; liepentrien; lieperd, grienderd

huilen brollen; grienen; grinsken; grinzen; gulen; hoelen; holvern; jaainen; liepen; reren; schraiven; schraiwen; schrouwen

huilen (div. bet.) goelen

huilen (hard -) gaalpen

huilen (v.d. wind en hond) goelen

huilen, aanhoudend - blèrren

huilen, luid - golvern

huilen, verlangend - hunskern

huilerig grienderg; grienerg; reerderg

huis hoes; huus; kleun(e)

huis, bouwvallig - baauwvaal; brakje; kwinde; kwint(e); spriknust; vaalom

huis, gastvrij - hoeske van hol-aan

huis, van - om gat

huishoudster hoesholderske; huusholdster

huisje hoezie

Huisjes, Kleine - Hoeskes, Lutje - (op) [Lutjehoeskeder]

huisjesslak hoorntjeslak; kinkhoorn

huiskrekel bakkerstiek(e); bakkersiempien; (h)aimeke; (h)aimerke; heerdaimke; heerdiemer; hoesaimke; iemerke; iempien

huisraad hoesgeroad; hoesgroad; hoesroad

huisvrouw (scheldw.) boaliemoarze

huiveren grillen; huvern

huiveren voor z. schudden

huiverig huverg

huivering huver

Huizinge Hoezen (in) [Hoezener]

hulp, flinke - handeveger

hulpbehoevend behulpzoam

huls huls; huize

hulst huls

hulststruik hulzebos

humeurig maalkopt; neudelg; neuleg; neulerg; nusterg; torreg; nareg

humeurigheid spikanteghaid

humusrijk mouerg

hun heur

hunkeren hoegen; hugen; guntern

hunne, de/het - heuren(t)

hup wipsedie; wipsie; woepsie; wupsedie; wupsie

huppelen hinkelepinken

hurken hoek

hurken, op de - op boeke; op boeke-bakke; op huken; op t hoekje

husselebusselen tjakseln

husselen proekseln; tjoekseln

hut hudde; hut

hutselen huzzeln

hutspot stimpstamp

huurboer laandgebruker; maaier

hypotheek bezwoar; hieptaik

 I

 

idioot, wat - wat n verstand

ie (hij) der; e; er

ieder aal; elks

ieder (die maar wil) haandje en wiltje

ieder(een) elkain

ieder, in - geval in aals geval

ieder; aal

iedereen elkenain; aal

iemand ain(e); wèl

iemand z'n aines \

iemands ains

iep iepenboom

iets goen; goun

ietsje kroem; krummeltje

ijdel  iedel; iedeljipsk

ijdeltuit iedeltoit; iedeltuut; iedeltoide

ijlen boazen; wielewoalen

ijs 1 (niet voor consumptie) ies

ijs II (voor consumptie) ijs, ijske

ijsschots schol I

ijver iever

ijverig nieds(k); radneersd; verbraand; voel waarkgiereg; waarkzuchteg; iemeg

ijzel iezel

ijzen iegeln; iezen

ijze- doen - griezeln

ijzer ieder; iesder

ijzerplaatje (onder schoen, tegen glijden) krap

ik k ik

imbeciel  butje

imiteren noabaauweln

immers ja; wis

in ien; in

in de omgeving van bie ... om; in ...om; inom

in enen in de roes

in orde maken klevaaiern

in orde, niet - ongedoan

in plaats van in stee dat

in,... - inop

inachtnemen, z. z. woaren

inbeelding verbeeldens

inboedel boudel; boulen; bourel

indien as indruk moet

ineengedoken in n koedeltje; doek-nekt

ineens ien ainen; in ainen; inain; rempel; rempen; tou ainmoal

ineenzetten, slordig - foegeln

influisteren ienstupen; induzzeln; inlustern; inschunen; instoeken; instupen; influstern

ingenomen loos

ingevoerd (fig.) letterwies

ingewand (v.e. slachtbeest) gewaaid(e)

ingewanden (eetbare -) intast

inhalig aigenikkeg; groapeg; grobbeg; ienkrabeg; onnask

inhouden, z. z. bedappern

inklinken inlakkaaiern; inlaksaaiern

inmaken (conserveren) inzetten

inmiddels ondertied

inpikken nieveln; òfnieveln; strandjen

inprenten inpoeiern

inrit ienree; indrift; invoart; inrit

inschikkelijkheid goudens

insekt, soort peerbieter

inslapen inzaailen

inslikken deursloeken

insmeren inpaiken

inspannen, z. bikseln; bokjen; bokseln; foekseln; fokseln; frokseln; der tegen kraben; schrippen; sporreln; z. striggeln; z. verweren; vrözzeln

inspanning gespaddel; gespartel

instrument insterment; iensterment

intensief, iets - doen peutern

intreurig godsbenaauwd

intussen in tied; tussentied

inventaris eventoarie

inwijden inwaaiden

inwijdingsritueel, soort - leeuwerken

inwinnen, informatie - omheuren

inwrijven (zeep of sneeuw) inzaipen

inzicht oogmaark

 J

 

Ja joa; ja

jaar joar I

jaarlijks joarlieks

jacht jacht

jagen hoasjoagen; joagen

jagertje snikjong

jakje kamzool; komzool

jakje, soort - overschaiter

jammer muieik; schaande; schane; begrodelk; spiedelk

Jan Jaan

Jan en alleman Jan, Pait en Kloas

Jan Rap en z'n maat rap en roet

Jan Salie melkentwijbak

janboel jeudenschoule

Jantje Jaanje

januari jannewoarie(moand)

japon klaid

jarig joareg; jorreg

jas jas; jaze; jazze; jes; kamzool; wams

jas, oude - sleperd

jas, toonbare - sjaauwer

jasje, kort - vrij schieter

jawel jawol

je jai; doe; dou

jeetje griezel: jai; jaikes

jek mol vanger

jenever jannever

jenever (slechte -) jandoedel

jenever, klare - schiere

jengelen tjingeln jeugd jonkhaid jeuk jeukte

jeuken, doen - kirreln

jij doe; dou

jijen doeden

Jipsingboertange Taange (in) [Jipsenboertanger]

Jipsinghuizen Jipsenhoezer (in) [Jipsenhoezer]

jodin jeudske

jong jonk

jong (v.e. dier) jonk

jongelui jongen: jonkgoud; jonkvolk;

jongeman jongkerel

jongen jong

jongen (vleinaam) boi; bui(e); buit; bukken

jongen, dikke dörm

jongen, lange lörk

jongen, onhandige – gozen

jongen, stevige -  barries; zetterd

jongen, sullige  - dort

jongensgek  flodder - elsie; flotter;  flotterkedoes

jongetje kreude

jongste, de - lutje

Jonkersvaart Jonkervoart (op de -) [Jonkersvoarter]

jood jeud(e)

jou dai; die; dij

jouw dien

jouwe, de/het - dier

juffrouw juffraauw; juvver juffrouw (scherts.) kösterske; meester

 juffrouw juist just; juust; krek;(t); tjuust.

Jukwerd Jukkerd (jn)[Jukkkerder]

juli, 20 Pis Grait

jullie ie; ielu; je; jim; joe

jutten strandjen

 K

 

kaak kaif; koak

kaal koal

kaan koan(e)

kaars keers; keerze

kaart koart

kaart, doorgestoken - omstoken waark

kaartspel, soort - pakjeleggen; lantern

kaas kees; keze

kaasrasp keesrief

kaasstof (in melk) hot; karrel

kaatsbal koatsebaal; kotsebaal

kaatsen koatsebaaltjen

kabaal keboal; rebulie

kabel, -televisie koabel

kabinet kamnet

kabouter dreudel; eerdmantje; estermantje; kebouter

kabouters spenèlmboardjes

kachel kaggel

kacheltje, klein - duveltje

kadetje böl(le); haardbrood; kedetje

kaf pluus

kafnaald ang; angel

kak, kale - schiet

kak, kouwe - krintekakkerij

kakelen koakeln

kakkerlak aimeke: aimerke; bakkers-iempien: bakkerstiek;

bakkerstie-ke:haimerke: heerdaimke; heerdiemer; hoesaimke;

iemerke: iempien

kalf kaalf

kalf (koe-) veerskaalf

kalk kaalk(e)

kalkoen kalkoun

kalm kaalm; bedoard

kalven kaalven

kalvend, een jaar niet - voalmelk

kalvend, vroeg - vrougmelk

kam kaam; kame; kamme

kam, grote - (met handvat) rijkamme

kamer koamer

kameraad kammeroad; pazzipant

kameraden kezoaten; kezorten; kon-zorten

kamille, soort - knoopkes

kamperfoelie melkzoeger

kan kaan; kane; kanne

kan, blikken - klip(pe)

kanaaltje moar I

kandijgruis klontjegroes

kandijklontjes vlintjes

kaneel kenail

kaneelstok piepkenail

kanen grewels; griewels; griggen; gruvvels; koorns; koanen

kanjer bom; woepster(d)

kans kaans; oaventuur

kant kaande; kaant(e); zied(e)

kant, aan de - op zied

kant, aan de andere - aanderkaant

kant, scherpe - eg(ge)

Kantens Kannes (in) [Kaanster]

kantkoek lapkouk; kankouk; kantkouk

kantkoek, soort - vrakke lat

kap kabbe; kap(pe)

kapelaan kappeloan

kapitaal kaptoal

kapitein kaptaain

kapot kepot; stokkend; stukkend

kappen, ermee - z. scheren

kapper hoarsnieder; boardscheerder; cheerboas

kapschuur alaarmschure; kapschuur

kapseizen kapsaaizen

kapstok kapstok

kar kaar; kare

karbonade kaarbenoadje: kaarmenoadje; karbenoadje; ribkes

karekiet, kleine - raaitvink

karnemelk zoepen

karnemelksepap zoepenbrij

karnen kaarnen

karos krös; krözze

karper kaarper

karwei kerwaai

karwei, lastig - toaie tep

karweitje putje

karwij kerwaai

kast kaast(e)

kasteel kestail

kastelein kastelaain

kat kadde; kat(te)

katapult kaddepul

kater koater

katoen ketoen

katrol schiefloop

kattenkwaad ondeude

kauw torenka

Kauwen kaauwen: kammeln

Kauwen (kleine hapjes -) kaauweln

Kauwen, langzaam - kaiweln

Kazerne kezèrn

Keel haals; sloek(e); strödde

Keelgat haals gat

Keer bod; raais: raaize: moal

Keffen kifken: kivven

Keffer kifke

Kegel tap(pe)

Kei (steen) vlinde: vlint

keitjes vlintjes

keizer kaaizer

kennen kennen; keunen

kennen, niet goed - miskennen

kennis ien e kun(de)

kennissenkring kun(de)

kerel, ruige - bamzoeze

kereltje (vleinaam) maanje

kereltje, dik en klein - koddel-om

kereltje, klein - stip-in-t-flessie; keudeldoemke

kerf kaarf

kerk kerk(e)

kerkgangers kerkvolk

kerkuil kat-oel

kerkzakje buul

kermen kaarmen

kermis, avond voor - petjemaart

kerngezond tiereg

kers kaars, kaarze

kers, oostindische - biddelkaars: bittelkaars: bitterkaars:

piepke: wip­staart] e

Kerst Karsttied: Midwinter

kerven kaarven

ketel kedel

ketsen kitsen

ketting kedde: ket

keuken (in boerderij) kebof

keuren, laten - tugen I

keus keur

keutel dreudel: keudel; keulen

keuterboer boerke: boertje

keuvelen köstern: proatjen

kever ( diverse soorten -) krob(be)

kever, loop- kullebieter

kever, soort - bloarebieter

kibbel aar hikhak: kraivelder

kibbelen hirrewirren: kivveln

Kibbelgaarn Kibbelgoarn (op) [Kibbelgoarner]

kiekendief, bruine - hoanebieter

Kiel windeweer Kiel (in) [Kielster]

kiem kim II

kiem (in aardappel) oge; oog; oust(e)

kiemen kiemen; kimmen; oetlopen; spieren

kier glief; glieve; gloep; gluup

kies koes; koeze

kieskauwen keeskaauwen; paaien; plierken; pieuwen

kieskeurig keur; tezzel; ties; tiesk

kiespijn koeskillen; koespien

kietelen kiddeln; kiedeln

kietelig kiddelg; kieleg

kieuw kaif; kieuw; kijf; kaiwe

kievit kieft; kieviet; kiewiet

kiezen bepoalen, z.; kaizen

kiezer kaizer

kijk kiek

kijken kieken

kijken, grimmig - grensken

kijken, kwaad - gloepen

kijken, stug - stoenen

kijkgat gloepgat

kijven kieven; kivven

kikker aalbert; kikker(d)

kikkerdril kikkerrit; rit

kim kim I

kind grom; kiend; kind

kind (vleinaam) öl

kind dat overal aan zit grieptengel; (h)antam

kind dat slecht eet piezelemietje

kind, bijdehand - biederhandje

kind, dik - droet(gat)

kind, dwingend - dwingerd

kind, huilerig - grienderd; grienerd; krieterke

kind, klein - orke; piezel; pruk; pruk-kie

kind, koppig - stiekel

kind, lief - keudeldoemke; mokkel(tj;

kind, ondeugend - iensterment; ondeude; ondeugd(e);

rob(be); (h)antar; amtam

kind, onecht - bilwipper; wilde

kind, ongehoorzaam - enter

kind, ongezeglijk - antam; baloor

kind, onhandelbaar - stiggel

kind, parmantig - wieske

kind, peuterend - hantam

kind, stevig - klaauwer(d); stiep(erd

kind, stoeigraag - repeltas; repelkoar

kind, teer - pieperke; pieuwel; pieuw-ke

kind, tenger - hieper(d)

kind, vertederend - (door oogopslag ogendainder

kind, vleiend - flod(de)

kind, vragend - bedellapke

kind, vroegwijs - oldgeborentje

kind, wild - wildschut

kinderen guiten; kortbainen; kortvolk; kinder; kiender

kinderen, gesteld op - kindermaal; maalkinds

kinderen, kleine - graauwstammen

kinderfluitje nuner

kinderlievend maalkinds

kinderstoel kakstoul(e); preekje

kinkhoest kinkhoust

kip hin(ne); piek; rèb(be); tude; tuut I

kip, leggende - legger

kippen hoonder; hounder

kippen- hounder-

kippendief hounderdaif

kippenei tuutaai

kippensoort rooie ieslanders

kippenvel houndervel; noppen (op aarms)

kippenvoer (kalk e.d.) schuurmoag; schaarp

kirren (duiven in paartijd) koeren; moaren

kiskassen bottertjen; flittern; gliester-ken; gliestern; kiskern; platjezeilen; sliestern; slistern; zaailen; ziezeln

kiskassteentje flikkerstaintje; slister-staintje; zaailstain

kist kist(e)

klaar kant; aan zied; kloar

klaarmaken toumoaken

klaarspelen ritsen; kloarspeulen

Klaas Kloas

klad (vuiligheid) klaar; klare

klagen jaiweln; jaizeln; jeuzeln; kloagen; kremenaaiern

klagen (zeurend -) sjantern

klagen, aanhoudend - aarmhaarten

klagen, huilend - jaauwstern

klagen, verlangend - guntern

klager hiepenkriet

klap abbesoezerd; diedel; katjewaai; kemotter; klap; lap; lemperd;

oabel-doedas; trekker; bats: lawibes; peuter

klap(pen) laaiter III

klapperen killen

klappertanden tandeklappen

klas klas; klazze

klauteren klaauwstern

klauw klaauw

klaver kloaver

klaveren (speelkaarten) kloavers

kleden boien; klaiden

kleden, netjes - opklaiden

kleding klaaieroazie: klaaier: kleroazje; krös; krözze: tuug

kleding, zeer slechte - laren en bellen; poltenpaalten

kledingstuk, toonbaar - oetloper

kleed klaid; klied

kleefkruid duvelsnaaigoaren; klis(ter); klit; riepeltocht; tongel I

kleermaker snieder

klef (v. meelgerecht) klaims(k)

klei klaai

klei brengen over beklaaien

klei, ontdoen van - klaaien

Klei-Oldambt Lutje Oldambt

kleibewoner klaaiker

kleibewoner (scheldn.) klaaipoazer

klein klaain; luddek; luk; lut; lut(t)ek; lutteg; luutk; neukerg; onneuzel

Klein Duimpje Keudeldoemke

klein(e) leutje; lutje; piemel; pooks

kleine (vleinaam) routerd

Kleinemeer Klainmeer (in) [Klain-meerster]

kleiner worden beklinken

kleingeestig lammenoadeg

kleinigheid foas; knibbel(tje); prikkedil; scheet; smiksel; flottje, biegoantje

klein kind hummel: kreude

kleinkind ootjezegger

kleins, iets - lutjeke

kleinzerig haitkiddelg; haitkilleg; uin; waikzereg; wiebereg

klemring waai II

klep klep(pe); lep

kleren goud: klaaier: lappen; tjopen

kleren , in de - zetten oetbozzeln: oetstubben; oetboudeln

kleren, nieuwe - poaskepronk

kletsen reudein: reuteln; tjaauweln

kletskous proatjeboksem

kletsmajoor fleerpuut: kletsmaaier: kwaalmpot: lulbruier; lulmaaier: reu­del

kletsnat deurhmnat; dompeldeurnat; dwaarsdeurnat; sjompenat

kletteren klettern

kleumen klurnen

kleumer krimpkat

kleumerig, - persoon kleumkat; kleumkadde

kleumig kleums(k)

kleuterschool bewoarschoul; snöddebelschoule

kleven aanbakken; bakken; pikken I

kleverig bakkeg; bakkerg; baks; bakseg; kleverg; klibberg;

pikkerg

klier toaie Tais

klikken flappen; fleren

klikklakken aankittjen; kitsken; kittjen

klikspaan flapkoar; flapperd; flap-scheet; flapsnoet; fleerder; klikspoan; klapspoan

klimmen, iem. omhoog laten - bokje stoan

klimop aailoof; klimmer

kling klink

klingelen kluundern

klink, deur- klink(e)

klinken heuren; roazen

klisteerspuit schietspaaide

klit klaar; klare

kloek gerizzelveerd

kloek (kip) klok I

klok klök(ke)

klokken klokken

klomp klombe; klomp; klumpe

klompen (soort -) holsken; tripklom­pen

klompje klompke

klont kloet

klonteren kloeten; kloetjen

kloof kleuf

Kloosterburen Kloosterboeren (in) [Kloosterboerster]

klos klos

klossen klözzen

klotsen klokken

kloven kleuven

kluif kluuf

kluifje kloef

kluit kloede; kloet; klont; kluut

kluiten, uit de - gewassen gewamsd

kluiven kloeven

klungelen klongeln

kluwen donde; dont; kloon; kloun(e); klouwen

kluwen, slordige - knoedel

knaap monster; veger(d)

knaapje beudel; beuker(ke)

knabbelen knaauweln; knibbeln; nibbeln

knagen knoagen

knappen knappen

knarsen knistern; knaarzen

knauw knaauw

knecht vmt

knecht, eerste - boerknecht; groot­knecht

knecht, jongere - haalfwas; aaierjong;  schimmelmuiter; schoapjong; schoap-melker; schoapvent; stoppelknecht; voelveger

knechtje, beginnend - dainstjong

knersen knarren

knetteren knistern; knittern

kneuzen kneuzen; knuizen; knuren; knuzen

kneuzing knuur

knibbelen knibbeln

knie knij(e)

knieën knibbels

knieën naar binnen, met de - knibbeltoond; kniebeltoons; knivveltoond; knibbeltoons; kaalverknijen

knieholte hoks(el)

kniestuk v.e. varken binkje; hakje

knijpen kniepen; knuren

knijper knieper; knipper

knik blaauwbragel

knikkebollen nikkoppen

knikken nikken

knikker albaster; badje; badjerd; badkerd; basterd

knikker, soort - bikkelknikker; bommel; bosterd; koierd: bom

knikkeren doddeltjen

knikkeren (in een kuiltje) koeltjen; koeltjestoiten

knikkeren, oneerlijk - doemken

knip knip

knoeien flontjen; kloetjebakken: knooien; knottjen: kudeln; slentern

knoeier hakkenkruk; knooiboksem; knottjeboas

knoest houst(e): knor(re): oust(e); oest

knol knöl(le); ruif: ruive

knollen, soort - maaiknollen

knolraap rinkel(knol); roap; ropknol

knoop knobe: knoop: knubbe: knup(pe)

Knoop, slechte - olwieveknup

knop knobbe: knop

knorhaan knorhoan

Knorrepot gramniet: gremiet; naarbok-sem; naarpot: nusteipot: vranterd

knorrig franterg: nirteg: narreg Knot knot; stödde: stöt II: knödde

Knuffelen aandoeken

knuist knoest

Knuppel (stok) bongel: bungel

knutselaar knuterboksem

knutselen hutseln; kleutern; knutern; knuustern; knuutjen

koe baist; boekou; koe; kou; koubaist

koe, drachtige - kaalfkou

koe, onvruchtbare - kween; kwene

koeien hoornvij

koeiendrek kouflare; kouflort; kouflotter: kouschiet

koeienhoop flaar; flort

koeienstal koustaai; kouhut; kouschut

koek kouk(e)

koekenpan pankoukspaan

koekhakken (spel) koukhaauwen; koukhakken; kouksloagen

koekje (voor schaatsers) bagelbak

koekjes, soort - kniepertjes

koekoeksbloem pinksterbloum(e)

koel koul; luchteg

koel (v.d. wind) gul

Koert Kouert

koestal koudeel; kougaang

koestalzolder koubaalk

koesteren beklokkern

koesteren (als een kloek) klokkern

koffer kovver

koffie kofje: kovvie

koffie, bakje - drundeltje

koffie, houdend van - kovvieachteg

koffie, slechte - (e.d.) joegel; joggel; juggel; joggelebom: juggelwodder

koffiedik kovvieprut

koffiedrinken konkeln

koffiemaat kovvielood: lood

koffiepot, ouderwetse - kroantjepot

kogel koegel

kolen, op hete - op knipnoagels

kolenkit vulemmer

Kolham Kolham (op) [Kolhamster]

kolk. binnendijkse - kolkje

kolonie kelonie

kom koem(e); kom(me); kuum

komen komen; kommen

komen, op het juiste moment -overtou komen

komfoor kefoor

Kommerzijl Kommerziel (in) [Kommerzielster]

kommetje spoulkom

konijn knien(e)

koning keuneg; keunek; keunenk

koning (kaartspel) heer

koningin keunegin

konkelen konkeln

kooi kaauw(e)

kool, rode of witte - boeskool

koolmees blaauwmaiske; blaauw-wintermaiske; iembieter; iempikkertje; spekmaiske

koolraap ronkel

koolwitje reepschieter; stengeldoorn

koolzaad roapzoad; zoad

koolzaaddorsen kooldörs(k)en; zoaddörs(k)en

koolzaadhoop leger

koorts koors; koorze

koortsig koorzeg

koosjer kouster

kop kop

kop, met een dikke - dikkop(t)

kopen kopen

koppig doezeg; steeg(s); stief; stiems(k); stiekel

koprol maken kobbeltjeboideln; kobbeltjebuideln; koppeltjeboideln; koppeltjeboien;

koprol maken (getweeën) kraaike-wippen; kraaikewuppen

kopzorg(en) kopschraberij

koren wit; witzoad; koren

koren (tarwe, gerst, rogge) witkoren

korenschoven, hoop - hok

korenzaad zoad

korf korf; waan

kornuiten kernuten

korporaal kapperoal

korrel graain; korrel; korrel

korst körst(e); körste

kort kort, kort

kortademig dempe(r)g; hiemerg: knoord; naauwborsteg; oameg; poesteg

kortgeleden kortsleden; nijachteg I

kost kost; kost

kostbaar duroabel

kosten (znw) kosten(s); kösten(s): swoareghaid

koster koster

kou kol; kolde

koud köld

koud (bij zoekspel) moager

koud (wg. komende regen) wotterk

kous hoos; hoze

kousevoeten, op - op hozevöddels: hozevörrels

kouwelijk hieperg

kozijn kezien

kraag kroag(e)

kraai kraai; krije

kraai, tamme - ka

kraai, toren- ka; hanska

kraakbeen knaster; knirzel(bonk); knizzel; knor (re)

kraai kraal; krale

kraam kroam

kraan kroan(e)

krab kraab; krabe

krabbel kriwwel; maggel

krabbelaar (schaatsen) hakkenkruk(ke); kraabhak; kraber

krabbelen (schaatsen) krukkeln; kraben

krabbelen (schrijven) kraben

krabben hekeln; kraben

kracht forsie; voartsie

kracht (fig.) sjars

kracht, werk - knif; knir(re); knirt

krachteloos waikbakken

kraken kroaken

krans kraans

krant kraande; kraant(e)

krassen krazzen

krediet kerdiet

krediet, verkopen op - borgen

krent krìnde; krint(e)

krentebol stoetje

krentenbrood krintstoet

krentjebrij gordegruwel; gruwelwotter

kreukelig kroes

kreunen en steunen haien en faien; poesten en stinnen

kreupel hankemank

kreupele hinkelepink: hinkelpoot

Krewerd Kraiwerd (in) [Kraiwerder]

kribbe krub(be)

kriebelen krieweln

krielaardappel kriwwel

krielhaan kroepelhoan(t)je

krielkip kroepelhin(t)je

krieltjes haalssloekers

krijgen kriegen: vangen

krijgen, voorelkaar - beschoustern

krijt kriet

krijten krieten

krimpen, het - krimp

krioelen kraiveln: kraiweln; krimmeln en wimmeln: krioulen: kriwweln: kroepen en krimmeln: krummeln en wummeln

kriskras alterkwalter: halterkwalter: hinterdetwinter; koeskas;

taalterkwaal-ter

kroeg kroeg; kroug

kroeg, stille - kniep(e); knip

krokus krookje

krombenig taks bnw

kronkeling (Itk) drèl

kroos eendekreus; kreus; kreuze

krop krobbe; krop

Kropswolde Wolle (in) [Wolster]

krot krot

kruid kruud

kruiderig kruderg bnw

kruien kroden

kruien, het - kro(de)

kruik kroek(e); kruuk

kruikar (eenwielige -) koar(e); kroodkoar

kruim kroem

kruimel griezel; kroemel; krumel; krummel

kruimelen kroemeln; krumeln; krummeln; krommels

kruimeltje krummeltje

kruin kroun; kruun

kruipen kroepen: krupen

kruis kruus

kruisbes krudeldoorn: krudoorn

kruiselings kruuslings; kruusweegs

kruisen kruzen

kruisjassen kruusjazzen

Kruisweg Kruusweg (op) [Krauswegster]

kruiwagen kruikoar: koar(e): schoefkoar(e)

kruk kruk(ke)

krui fertuut: krol: krul

krullebol doeskop

krullen krollen; krullen

kuchen kifken; knoggeln; koggeln; koggen

kuieren kaaiern; kuiern

kuif koef; kuuf; pielk; toeve; top

kuifleeuwerik padloper

kuiken kuken; piek

kuiken (nl. hen) hïnkuken

kuiken (nl. haan) hoankuken

kuil döb(be); koel(e)

kuiltje sjol; koel(t)je

kuip koep

kuit kuut

kunde kun(de)

kundig kundeg

kunnen keunen; kinnen; magen; maggen

kunstenmakerij keukelderij

kuren verdaipens

kurk körk(e)

kus smok: tuut I; doetje

kussen (znw) kuzzen; peul(e)

kussen (\v\v) smokken; doetjen

kussensloop slobe; sloop

Kuzemer Kuzemer (op) [Kuzemer]

kwaad beus: beuze; grammiedeg; grammieterg; gramniedeg; gramnieterg; kwoad; nieds(k)

kwaadheid kwoadens; kwoadhaid; kwoaiens

kwaadmaken, z. z. besouwen

kwaadspreken labaaien

kwaal kwoal

kwab kwaab; kwabe

kwajongen bunze: bandrekel: gaalgestrop: go wel: neger: kwoajong: ort; strop

kwajongens blaauwkoppen

kwaken rikkikken

kwakzalven lapzaalven

kwakzalver lapzaalver

kwalijk kwoalek bnw

kwalster ragel; kwaalster

kwalsterijs kwaalster(ies)

kwansuis kwanswies; kwienskwans: kwinskwans

kwart vöddel; vörrel

kwart, voor een - vöddels

kwartaal vörreljoar

kwartel kwardel; kwartel

kwartier ketaaier; ketaar

kwartje viefstuver

kwartje, van een - kwattjes bnw

kwast (in hout) dwarrel; (h)oust

kwastje (op kleren) toef

kwebbelen kaibeln

kweekgras kweek

kwelling tamtoatsie

kwestie kwestie; kwezzie

kwezelaar fiemel; fiemelder

kwibus krébas; kriebes

kwiek ras en tas; veerdeg; vereg

kwijl kwiel(e)

kwijlen sievern

kwijnen kwienen

kwijt kwiet

kwijtraken kwiet worden

kwijtraken (onachtzaam -) verkontjen verstommeln; votkontjen

kwikstaart akkermantje; baauwmantje

kwispelstaarten wimmelstaartjen

 

 L

 

la(de) loa; loag

laag (bnw) leeg II; plat

laag (znw) loag(e)

laag (van stam) leegstamd

laag, stevige - eten daam

laagte dèl(le) I; leegte; lege

laan dreve; drift; oetdrift; oetree; oetvoart; loan(e)

laan, boeren- ree; voart

laars stevel; leers; leerze

laarzentrekker stevelknecht

laat loat

laat (te -) achteroet

laat, nogal - loatachteg

laatkomer Pait achteroet; Jan zachies

laatst lest; lest(en)doags; lestent

laatste, de - oef

lachen lakken; laggen; lagen

ladder ledder I

ladder (in kous) riddel; ril(le) I

laddertje (in boerderijgracht) kret

laden loaden

lading loaden

laf laf

Iaf aard hukker; lafbek; lafscheet; lafsnoet; lavverd; levverd

Lageland Legelaand (in t) [Lege-landster]

lager wal, aan - in neerloag

lagere school legere -. loagere schoul(e), schoul(e)

laken loaken

laken, van - loakens

laks laauwloeneg

lam laam; lam

lam (in het kruis) kruuslam

Lam bert Lammert eigenn

lambrisering lammerzaaiern

lamenteren lamme(n)taaiern

lamlendig lamlötteg; lammelötteg; lammenoadeg

lammeren (ww) lammerkriegen

lamp laambe; laamp(e)

lampionnetje kip-kap-kogel; tuutje

land laand

land tussen 'wieken' (Vk.) blok; aailaand

land, bebouwd - baauw

land, braakliggend - broak

land, ingedijkt - uterdiek

land, driehoekig stuk - tibbe; tip

land, omgeploegd - baauwte

land, onbebouwd - vogelwaaide

land, strook - heerd

land, stuk - gewént

landbouw landbaauw

landbouwer baauwboer

landgenoot laandsman

landloper loezebos; omswinder; omzwiener

landmaat tree

landmaat (oude -) mud(de)

landouw land(sd)aauw

landschap landschop

landweg noodweg; nutloane; nutweg

landzijde (in Vk.) laandskaande

lang (bnw) laang; laank

lang (bw) laange

lang en vermoeiend laankziekeg

lang geleden in laankmanstieden

lang niet hennebienoanait; hin of bienoa nait; laank-en-benoa-nait

lang, vrij - laankachteg

lang, zeer - tiedstieden

langbeen laankpoot

langbenig laankbaind; laankbijnd

langdradig laankwaarpeg; wielewoaleg

langdurig in tieden; laankmanstied; laankwieleg; langemanstieden

langharig laankhoard

langpootmug laankbainder(d); laank-bijner; laankpoot; laankpoter(d)

langs bie laangs; bie laans; bie langes; laan(g)s; lange(r)s; bie langs

languit laankoet

langwerpig laankwaarpeg

langzaam langzoam

langzamerhand bie leutjen; bie lutjen; stoareg aan

lankmoedig laankzinneg

lantaren lampteern; lanteern; schienvat

lanterfanten omdoameln

lanterfanter gengel

lap labbe; lap; lappe; taalt; flaar; flare

lap, losse - flaans

lap, oude - lort 1; palt; polde; polt

lapje (stof) flittertje

lapje, voor het - veur de abbe; veur; d'odde; veur t zootje

lappen lappen II

lappen, vol - lapperg

larie lar(r)ie; larriefaks; larriefarrie

las lask; latse

lassen (v. hout) lippen

last, zwaarste - aanjuk

laster proaterij

lastig nareg

lastig vallen moeien; moien; muien

lat ladde; lat laten loaten

later noatied

Laude Laauwde (in) [Laauwder]

lauw schotterlaauw

lauw (eerder koud dan warm) lietjelaauw laveren levaaiern

lawaai lewaai; rebulie

lawaai maken lewaaien; roazen; tjoedeln

le(d)ergoed leerwaark

ledematen ledemoaten; leden

leed laid; lied

leefregel taks

leeftijd leeftied

leeftijd, (hoge -) older

leeftijdgenoten evenölders

leeg gèl; gust; leeg I; legedeuzenwaark

Leek Leek (op de) [Leekster]

leem laim

leen lain

Leendert Laindert

Leens Lains (in) [Lainster]

Leentje Lain; Laintje

leep laip

leergierig; aannemelk

leerlooierij leerkoepen

Leermens Leerms (in) [Leermster]

leest laist(e)

leeuw laif; laiwe

leeuwebekje laiwebek; liwerbek

leeuwerik laiwerik; laiwerke; leeuwerk; leeuwerk(e); liwer(ke); luwerke

Leger des Heils Haailsleger; Leger

leggen leggen

lei laai

leiden laaiden

leiding laaiden

leidsel laaide; laaidseel; leide; tets(e)

lekkage lekkerij; lekkoazie

lekken sievern

lekker, niet - grotterg; hiepkonterg; krebenteg; lar(r)eg; mieterg; oet orde(r)

lel lobbe; lod; lor II

lelijk lèlk

lelijkerd lèlkerd; ousterd

lelijkheid lèlkens

Lellens Lèlns (in) [Lèlnster]

lemen laimen

lemmet lemt

lende len(de)

lendenstuk (v.e. rund) meurbroa; muurbroa

lenen borgen; lainen; lorten; lortjen

lenig jenteg; lieneg; smui; jezzeg

lening lainen

lens gust

leren leren

Lethe, De - Laite (in de) [Laitjeder]

Lettel bert Lepterd (in) [Lepterder]

letten op figelaaiern; noalopen

letter ledder II

leugenaar laigenbaist; leugenbaist; "leugender; leugenpuut

leuning leunen

leunstoel kroakstoul; zörg(e)

leuteraar leuterboksem; leutergat; leuterkoar

euteren bakpannen

even leven(t)

evend leventeg

evendig leventeg; tiddel; tirrel

evenslustig flonk; tiereg; wif

evensteken, geen - gain oazem

leveren, het 'm - lappen I

levi Laip

lezen lezen

libel peerdmantje

lichaam hoed; krös; krözze; lief: liggoam; de litsen; ribben

lichaam (plat) pens; pokkei; pukkel

lichaamsdeel (onbepaald -) niknak

lichaamsgestel inholten

licht lucht; licht

licht worden lichten II

lichtgeraakt brokkel; bros; krik(ke); naarsk; naauwnemend; niddel; nitterg; sprokkel; tiddel; tiezeg; tirrel

lichtje tuutje

lichtslapend dunsloaperg

lichtvaardig lichtveerdeg

lid lid 1

lied laid

lieden lu

liederlijk liederliek

lief knuterg; laif

liefde laifhebberij

liefhebber beminder; laifhebber

liefhebberij laifhebberij

liefst laifst; laist

liefste laive

liegen laigen; liegen

lies laisk(e); laist

lieve troedel

lieveheersbeestje eertuutje; heertiek-je; heertuutje; laimeneerstiekje; laimeneerstuutje; lij meneerstiektje; lij meneerstuutken; lij meneertieke; meneertuutje

lieveling laimeneerstuutje: laiverd; sokkern kenailduveltje; tuut I

liever laiver

lieverlee, van - van laiverlee; van laiverloa; van laiverloag; van lieverloa;

liflaf slinger-om-de-smoel; liplapperij

liggen leggen: liggen

liggen, in het water - (hout) woatern-

liggen, verkeerd - z. verliggen

liggend (graan) legerachteg; legerg

liguster legister; leguster: register

lijden aan labberaaiern

lijden, pijn - lieden

lijder lieder

lijken lieken: tonen

lijken (klinken) toulieken

lijken op slachten II

lijm Hem; plaksel

lijn lien(e)

lijst liest(e)

lijster kliester; liester

lijsterbes kliesterbij: liesterbaai; liesterbij; liesterkraal

lijsterbessen dolbijen: kraiken; kraiten; kweeksen; kweetsekralen; kweetsen; kwetsebijen; kwetsen; kwitsebaaien; kwitsekralen

lijzeil laaiseel

lijzijde schoelkaant

lik slik

likdoorn liekdoorn

likken slikken

liniaal liekholtje; lieklatje; lienholtje; linioal; lieker

liniaal, soort - raailat

linnen rek linnenrik: rik

lip libbe; lip

liquideren liekedaaiern

lis, gele - aaiberbek; aaiberbloum(e);eent; schelvisstaart

lisdodde aindebek; bollepies; doeskoarde; doethoamel; douterkoeze; duthoamer; duuthoamer; hoanebolt; hondebolt; ielte II; kaddestaart; laampepoester(d); pommel; pompei; pomper; schelvisstaart; segoar(e); snieling; toelebolt; toerebol(t); toetebol(t); tudebolt; vluus

listig laaip; laip

liter kaan; kane; kanne

litteken dèl(le) I; groe(de); grou

lobbes govver(d); kolverd; loebes; lovverd: molverd

 

loefzijde te laauwerd

loeien beulen; bolken; brollen; hoelen

loeren kuurogen; loeren; gappen

loeren, het - loer

logeren lozaaiern; uutvanhuus goan

lok pielk

lokmiddel lokkebrood

lol spikanteghaid

lol, voor de - oet joks; oet poelegrap

lomp lompend; ontjonterg; stovvel-achteg

lomperd govver(d); kolverd; lovverd: tjont(e)

long (scherts.) poester(d)

lood lood

loodrecht straalrecht

loom maf; mats(k); matseg

loon verdainst(e)

loon (dag-) daghuur

loop loop

loop naar de maan schiet die oet

loop, in de - lopiesvot; lopiesweg

loophengel töbhangel

loopkever filaainebieter

loops loops(k); tiels(k)

loops (v. kippen) treds(k)

loot loopsel; stek

lopen lopen

lopen sjaauwen

lopen (in natte schoenen) soppen

lopen door 't land veldjen

lopen met forse stappen boestern; voamen

lopen over ijsschotsen scholtjelopen swakbodjen; swakjeboantjen; swakjelopen

lopen, druk bewegend – haauwen

lopen, flink - steveln

lopen, gejaagd - bildern

lopen, hard - bokseln; boksemen; bozzeln, buien; bunzeln; vlaigen; vorken; veldjen

lopen, langs de straat - bildern l

lopen, lawaaierig - gaddern II

lopen, met geweld - binzeln; klettern

lopen, met veel drukte - veugeln; vogeln

lopen, moeilijk - stuidelbuideln; :okseln

lopen, moeizaam - stutjen

lopen, onhandig - klontern

lopen, scheef –schongeln

lopen, slecht - hottjen

lopen, slingerachtig - heukeln

open, snel - birzeln; birzen: postern

lopen, soppend - sjompen

lopen, stijf - strampeln

lopen, uit alle macht - klaauwen

lopen, vlug - oplopen

lopen, voorzichtig - pootjen

lopen, wijdbeens - strieden

lopen, wijs - steertjen

lopen, zwaar - aanbougen

lopend lopend(s)

oper steeksleudel

Loppersum Loppersom (in) Lopster]

los lös

los (van structuur) hoppeg; goddel: zorrel; vlözzeg

los zitten (v. schoenen) sloppen

los zittend gap(s)

los(bandig) lösbandeg

los vrij - lösachteg

Losdorp Losdorp (in) [Lösdörpster]

losjes lichtveerdeg

lossen lözzen

lossen, ged. - lichten I

lot (de fortuin) lot; löt

lot (uit loterij) löt

loten lötten

loterij lötterij

louter kloar; loeter; schier; schoon

Louw Laauw(e)

loven en bieden haandjebakken; haandjeplakken

Lucas Loeks; Luuks

lucht locht; lucht

luchtbel brobbel; bobbel

luchten oetwieren; wieregen; wieren

lucifer luzivèr

Luddeweer Luddeweer (in) [Ludde-weerster]

lui (bnw) laai; loi; lui

lui (znw) lu

luiaard laauwgat; lammert

luid haardoet; haardop .

luiden luden

luidruchtig bambereg; biebereg; holbol; hui(la); luudruchteg

luier pakdouk; pisdouk

luieren laaiern: luierken: loiern

luieren, liggen – loddern

luiheid loieghaid: luiens

luik loek

luim noek

luimig loens(k)

luis loes: pioot: pioter: zespoter

luis (scherts.) aanloper; overloper

luisteren heuren: lu(u)stern I

luizen (scherts.) gezelschop

Lukaswolde Luukswolle (in) [Luukswolmer]

lukken belokken: belukken: lokken; lukken

lummel dovvel: dower(d); loebes: loeter(d): tjoulf

lunch broodeten

lupine lepien; lepuun

lurken lurpen

lurven schobben

lus lits(e)

lusje (aan paardenhalsband) etfing; netfing

lust moud I; smicht; zinneghaid

lusteloos doamel; sloer(eg); soor

lusten Luzzen

Luthers Lutters

luw lij

luwen lijen

luwte lijte; schoel(e); smoute; verschoei

 M

 

maagzuur zeubranden; zobranden; zokwellen; zuur

maal moal

maaltijd eterij

maaltje, lekker - vretje

maan moan(e) I

maan, lichte - lichtmoan

maan, naar de - noar de barrebiesies; noar de giegom;

noar de giegemegugel

maand moand

maandag moandag

maandags, 's - smoandags; smoandoags

maar man; moar; mor; oaber

Maarhuizen Moarhoezen (op) Moarhoester]

maart meert II; meertmoand

Maarten Meerten(t)

maas (v.e. net) netfinke

maat moat

maat (etens-) meug(e)

maat (vr.) moatske

maat (zover als oog reikt) gezicht

maat, afstands- ge wind; venneweegs; ven weegs; wind

maat, inhouds- spient; spint

maat, oppervlakte - daaimt; graas; gras

maat, veen- klem

machine mesien

made (insect) moade; moar; moade; moat

madeliefje botterbloemke; koebloem-ke; laandjebloum(e);

maaibloum-pie(n); melaifke; venneblom; venne-bloum

madeliefje, dubbel - laifkebloum

madeliefjes mooie laifkes

mager aarmhaarteg; hoamel; lieder-liek; moager; smachteg; snoar; voazel

magerheid moagerns

mak als een koe koumak

makelaar moakelder; moakeloar

maken moaken

maken, in wanorde - verroppen; verruden

maken, slecht - tjikseln

makkelijker makkelder

makker moat II; pazzipant

makreel mekrail

mal maal

malaria binnenkoors

malen, fijn - moalen I

malend moalderg

man kerel; manskerel

man van niets soepkerel

man, forse - boare

man, ruwe - beer

man, wat overdreven - sjarlefrans

manchesterstof mesester; oamias; ommejas; ommejès

manchet mesjedde; mesjet

mand ben(ne); korf; madde; mat

mand, rug- kiep(e); kiepkörf

manen (v.e. paard) moan(e) II

manen (ww) moanen

manier menaaier; menaar; wies

mank gaan tippen; kreupeln

mankeren mekaaiern; schelen

mannen manlu (volk)

mannetje mantje; maanje

mannetje, klein – eerdmantje

manspersoon manmensk

manspersoon, klein - mieghummel; kreut

mantel mandel

manufacturen lapkes; lappenlonten

manufacturier bontjer; lappieskoop-man; lapkekoopman

markt maark I; maart

markten martjen

marskramer kiepkerel

Martenshoek Houk (op) [Houkster]

Martha Martje; Mat

Martinitoren Olie Grieze; Martini; Metini

Marum Moarum (in) [Moarumer]

masker gebèlskop; gebilschop; kebèls-kop; schebellenskop; schebèlskop; schebilskop

massa, vochtige - kwaksel

masseur vriefdokter

masturberen haandkaarnen; öftrek-ken; voesieknakken

mat maizeg

matsen foekeln

mazelen mezzels

mazen masken: masten

medelevend meeliedeg

medelijden meedlieden; meelie; om-denken

mee met: mit

mee bezig zijn ommaans hebben

mee zitten (door 't weer) mitweren

Meeden Maiden (op de) [Maidemer]

Meedhuizen Midhoezen (in) [Midhoester]

mee-eter eter

meelijwekkend aarmhaarteg

meel kost blaauwe bliksem; haalf sem; Jan-in-de-zak; Jan-in-onderboksem; Jan-in-t-hemd; ketaaier-veur-twaalven; kiek-boven-deur; kiek-over-deur; klont; kraab-ien-paan; kraab-oet-paan; kraab-om; loiwievenkost; lui vraauwlu-eten; meelklont; pankouk; potjebuul; potjemeel; povvert; ruierom; stip-in-t-gat; stip-in-t-koeltje: zakkouk

meer dan genoeg zat genog

meerdere meerderman

meerderen hevven

meest mainst; maist; mijnst

meestal mainsttied; miest

meesten, de - gros

meester mester

meester (scherts.) koster

meester, vrouw van de - kösterske

meeuw koap; köb(be); maif; maive; maiwe; meeuw; miw;

onweersvogel; zeevogel

Meeuwis Mais

meevallen touvalen

mei maai; maaimoand; mei

mei, 1 - maai, nij

mei, 12 - maai, ol

meid, brutale - hoksel

meid, eerste - grootmaaid

meid, jongste - lutje maaid

meid, kreng v.e. - pinheukel

meid, stevige - boaswicht

meidoorn hoageldoorn

meidoornvruchten jaipies; juipies;  smeerbaaien; smeerpotjes; smeertuiten; spekjuipies; trekkebekkers; tuidebloumen

meikever ekkelmot; ekkelmouer; ekkeltiek; gloazetikker

Meindert Maaindert

meisje ram(ke); maaïd; meid; moagdje: or I; orke; wicht I

meisje (verveiend -) orre

meisje, bewegelijk - wipstaartje; wupsteertje

meisje, bijdehand - spitske

meisje, dartel - bilder

meisje, klein en aardig - stipdiggel

meisje, kwaadaardig - siggel

meisje, lastig - oas

meisje, lui - lietjelaauw

meisje, mager - dundaarm; latte; spieker

meisje, ongedurig - klits(e)

meisje, op jongens gesteld - fommelötte; wilster

meisje, opgedirkt - flottermedam

meisje, ouwelijk - bepke

meisje, pinnig - evertaske

meisje, proper - evventredje

meisje, wild - roeskevoeske

melde mèl

melig meelderg; melerg

meelijwekkend meeliedeg

melk en beschuit melkentwijbak

melk, dik geworden - keel

melk, geen - meer geven öfsaaiern

melk, geen - meer gevend dreug(e); gust

melk, schiftende - kilterkalter

melkdistel zeudiezel

melkenstijd melkoavend

melkplaats melkvaaier; melkvaal; melkvoart

melkvat tien(e)

melkzeef klins; klinze; teems; teemze

men mensken

meneer meneer

menen mainen; mienen

mengen mengen; koeskazzen; kwakseln; tjoekseln

menig menneg vnw

mening geleuf; mainen

Menno Menne; Minne

menpad loan(e); mennen

mens mens(k); mins(k)

mens, raar - petret

mensen mensken; volk; lu

Mensingeweer Menskeweer (in) [Menskeweerster]

Menzo Menze; Mlnze

mep peune

merel swaarde liester

merg pit; maark

merk maark II; moet

merken maarken; waiten; vernemen

merkteken moude; mout; iekje

merrie meer; mere

merrie, drachtige - voolmeer

mes mes; mèsk; mest

mes, oud - slakkesteker

mes, soort - knief(t)

mes, stomp - porrevilder

mesje schildersmeske; ko(a)pmeske

messing mesk

mest dong; rnezze; mis; mizze I

mesthoop dongbult; mestvölder; mezzebult; misbult; misdöbbe; mizzem; mizzenk; schatbult mestkever mistiek(e)

mestschop drekschop

mestschop, grote - misscheer; mis-schere

mestvaalt mis: mizze I

mestvarken mezzelswien; messelswien

met met: mit

met andere woorden dat -

meten öftreden

metselen mezzeln: muren

meubel meubel

miauwen maauwen

middag middeg; mirreg; noamiddag: nommerdag

middags, 's - smirregs

middageten middag; waarm eten

middelbare leeftijd, van - haalfsleten

Middelbert Milbert (in) [Milberder]

middelen scheuren

Middelstum Middelsom (in) [Middelsommer]

middelvinger laange laaiter

midden middel; midden

middenrif middelschot

Midwolda Midwolle (in) [Midwolmer]

Midwolde Midwolle (in) [Midwolmer]

mier miegaimer; mieger; mieghommel; mieghummel I; pishoamer; pishommel; pismieger

mieren maaiern

mierzoet kweer(s)

migraine schele kopzere

mijden z. mieden

mijn mien vnw

mijne, de/het - mienen(t) vnw

mijnen (veiling) mienen

mijt miet

mikken kuren; pikken II

miltsteek middelsteek; ziedsteek; ziesteek

minder erg worden lichten I

mindere, de - minderman

minstens sachs; saks; te minnent; te minzen(t)

mirakel meroakel

misbaar gebeer

misbaksel flottje; misbrudsel

miskraam mizze II; poedel

mislukken kullen; mishotken; mishottjen, mishottjern; miskielen;

miskullen; ontkomen

mislukking poebel; poepappel; poepel

mismoedig mismoudeg

mispas foebel; foevel; poebel; sluper; tumel

mispunt loer; loerangel; miesgaster

misschien aaltemit; altmangs; altmets; licht; lichtschain; mangs; meschain; meschien; misschain; opmis; woar; aaltemet(s)

misselijk flaauw; mizzelk

missen missen; mizzen I

misslag boetenslag

misstap misvaal

mist dook

misten doken

mistig dokeg; dokerg

mistig, licht - diezeg

modder prudde; prut

modderen moddern

modderig bragelg

modderkruiper (vis) poetoal

mode mode; moud II

modern nijmoods; nijmouds

moe moed; mui; muid; muide

moed keroazie; mor; morries; moud I; moudveren (fig.)

moedeloos flaauwmoudeg

moedeloosheid euvelmoud

moeder mem; moe; moek; moeke; moetje; mouder; mouer I; mouke; oldske

moedertje (vleinaam) öl

moeheid moedens; muidens

moeilijk muilek; stoef; stoer; swoar

moeite gedounte; gekruuske; kripsie; krupsie; muite; schripsie; waark

moeite doen bokjen; foggeln

moeite kosten in hebben

moeite, kleine - aanzet; toutast, t is mor n -

moeite, langdurige - gekruus

moeiten gemarrel en gesparrel

moer mouer II

moeras moor

moerassig zompeg

moes smots

moestuin mouskerij

moeten moenen; moeten; monnen; mouten

moffelen movveln

mogelijk meugelk; mogelk

mogelijkheid meugelkhaid

mogen magen; maggen; meugen

moiré meree

moker meuker

mol mol(le)

molen meulen; mollen; muilen

molenaar mulder

molenaarsvrouw mulderske

molenaarswoning meulenhoes

Molenrij Rieg (in) [Riegster]

molentocht meulensloot; meulenwiek

molenwiek meulenrou

mollengang ril(le) II; rit

molshoop molbult

mompelen mommeln; monkeln; mummeln; prommeln; prummeln

mond gapperd; konsjènzie; möf: mommel; muive; rabbelkoanes: revel

mond- en klauwzeer tongbloar(e)

mond-op-mond-beademing mond-op-mond-poesten

monnik munnek

monnikskap (plant) oadam-en-evoa; peerdenseeske

monster munster

mooi mooi: swiet; nuver

mooi maken, z. struzen. z.

mooi, - om te zien ogenkost

mooie (zgn) laiverd; lekkertje

mooiprater fleerder: smeerkwast: zuitkaauwer

moois mooieghaid

moois, iets - mooichie; mooike

mopperaar doesterd; foeterkoar(e); knorhoan; mopperkoar; motgat; mötjeder; motterd; naro; proem(e); toesterd

mopperen grommeln; mötjen; motten III; neulen; neuren; mottern; pröddeln; pruddeln; prutteln; vrante(r)n

mopperig vrevel

moppers kieve; motters; pröddels

morgen morgen; mörn

morgenochtend mörgenvroug; mörnvro

morgens, 's smörgens; smörns

morgenster, gele en blauwe - mör-genglorie

morrelen moddeln; morreln

morsboel groetjederij

morsdood pieremotje; stindood

morsebel graimdotse; groeterd; groet­je; groetjepoet; groetpoet; graimer(d)

morsen graimen; gremen; grijmen; klaaien; klaimen; kloddern; kloeten; klottjen; kwakseln; kwengeln; kwin-geln; motten II; pengeln; pulsken; roe­gein; slintern; smodsen; soetern

morsend, licht - graimeg

mosterd lollemansstip; lullemanstip; mosterd

mosterdsaus bolschiet; mosterdstip

motregen öfgeschaaiden regen: sladder: miggelregen

motregenen miegein; miezeln; mie­zen: miggein: motten I; stofregen

mout molt

mouw maauw(e)

mud mud(de); murre

muf beunsk; mof; movveg

mufheid movveghaid

muggenzifter mietjefoek

muis moes

muiskleurig moeskevoal

muizenissen kopzeerde; kopzeerte; moezenusten

mul moalderg

murik (onkruid) mier(e)

mus musk(e)

Mussel De Muzzel (in) [Muzzelker]

Musselkanaal Muzzelknoal (op) [Muzzelknoalster]

muts pole; pool

muur mure; muur

muur (plant) mier

 N

 

na noa; op

naad noad

naaien (op naaimachine) tjoekseln

naaien, slecht - foeken; foggeln; tjoeken; veugeln; toeken

naaister nijster; naaister

naakt noakend

naald naai; nale

naam noam

naar noa; noar; op ... aan

naar binnen harin; herin

naast benoastenbie; nevven; noast

nacht naacht; nacht(e)

nachtschade (zwarte) nachtkaarvel

nachtzwaluw kirrevaalk; meerlam; peerheer

nadat noadat voegw

nadeel noadail; schoa

nadenken omdenken; prakkezaaiern

nader noader

nagaan noagoan

nageboorte (v. koe of paard) licht

nagel noagel

najagen hoasjoagen

nakijken noakieken

nakomertje nustaai: nustdotje; tebaks--idertje

nalaten bemoaken

nalopen noalopen

namelijk noamelk: van

narcis, gele poaskebloum

narcose, onder - onder zaail

natheid natte; natten; nattens

natuurlijk noaturelk; noatuurlek; van-zulf

nauw naauw

nauwelijks mor even; naauw; zuneg

nauwsluitend knepeg; spans

navel navvel

nazeggen noazeggen

nazien noakieken; noawoaren

nazomer, fraaie - eerappelzummer

nazomer, mooie - kraaizummer

nederlaag neerloag

Nederlands, halfbakken - haalf put-, haalf regenwotter; Pekelder Hollands; Slapsma-Tiessens

nee schudden schud(de)koppen

neer hin

neerleggen deelleggen

neerslachtig sloef; sloefstaart; sloeg; sloek; sluug

neersmakken wamzen

nek nak(ke); nek(ke); nekken

nekken nekjen

nemen nemen, nemmen

nemen, ertussen - bekaaien

nerf naarf: oader

nergens naargens; naarms; naarns; naarnt

nering neren

nerveus hister

nest nöst: nust

nestei nustaai

nestelen nözzeln: nuzzeln

nestelen, z. - z. inkoelen

net (bnw) kant: schier

net (bw) krek(t)

net, soort - (znw) laai

netel- neddel-: nettel-

netjes mooi; nibbel II; nippel II; ogelk; ordentelk; pundelk;

smui; schier

neuken fieken; fietern; veugeln; vogeln

neuriën nunen; nunern; nuuntjen

neus neus; neuze; nosterd

neus, dikke - gokkerd

neusgat nöster

neusklem voor paarden bril(le)

nevelig dompeg; sobbeg

nicht nicht(e)

Niebert Nijbert (in) [Nijberter]

Niehove Nijhoof (in) [Nijhoofster]

Niekerk Nijkerk (in) [Nijkerker]

niemand gainain; gainen(t); naimand; nums

niet nai; nait; nich

niet even - ongelieke -

niet, volstrekt - onmeugelk nait

nietig schieterg

niets fotse; gain ooggroot

niets doen niksen

niets, helemaal - gain fits of foazel; gain rempel

nietsnut niksnut; onnut; slapdaarm; slapscheet

nieuw nij

nieuw lijkend nijachteg

Nieuw-Scheemda Scheemterhammerk (in) [Scheemterhammerker]

Nieuwe Pekela Pekel, Nij- (in) [Nij-Pekelder]

Nieuwe-Compagnie Nijkomnij (in) [Nijkomnijster]

Nieuweschans d'Schanze (in) [Schansker]

nieuwheid nijloatje; nijlootje

nieuwjaar nij-joar

nieuwmelks nijmèlk(t)

Nieuwolda t Hammerk (in) [Hammer­ker]

nieuws nais; nijs

Nieuwsblad van het Noorden Nijsblad

nieuwsgierig snuusterg I; nijsgiereg

nieuwtje naichien; nijlootje; nijske; nijchie

nieuwtjes naichies

Niezijl Nij ziel (in) [Nijzielster]

nijd nied

nijdas swieniegel; zwieniegel

nijdig dosterg; grabeg; niedeg

nijptang knieptaang, knieptange

nijver iemeg

nippen lepken; lipken; lubbern; lubken; nipjen; nipken; tuisken

nodig neudeg; van neuden; nodeg; vanneuden; verneuden

nodige, het - gerak; gerief

noemen neumen; nuimen; numen; nummen; noemen

noga noga

nogal mooi

non nun

nood knieper(d)

noodzaak neudzoak; noodzoak

noodzakelijk noodzoakelk

noord(elijk) noor; noord

Noordbroek Noordbrouk (in) [Noordbroukster]

Noorddijk Noorddiek (in) [Noorddiekster]

noordelijk noreik

noorden, het - noor

Noorderhoogebrug Hogebrug (op) [Hogebrugster]

noorderzon, met de - mit bèr en bolster

Noordhorn Noordhörn (in) [Noord-corner]

Noordlaren Noordloaren (in) "Noordloarder]

Noordpolderzijl Polderziel (op) Polderzielster]

Noordwijk Noordwiek (in) 'Noordwiekmer]

Noordwolde Noordwöl (in) 'Noordwolder]

noot (vrucht) neude I; neut

normaal noabergeliek

nors kloeterg; ozzeg; storreg; krieterg; rroel

nors zijn pratten

notenschieten neutenschaiten; rieg-jen; riestern; riestertjen

notenschieten, soort - aibeltjen

nou (tussenw) na

nou (bw) noe; non

nu non; nou

nu eens hier, dan weer daar bald hier, bald doar

nu en dan bie tiedbeurten; bie tieden; bie zetten

nuchter nöchtern

nufje steertpogge

Nu is Nuus (in) [Nuusmer]

nuk kwink; noek; nok; nuk; stoek(e)

nukken numen

nukkig bokachteg; bokkeg; proekeg

nukkigheid noekeghaid; nokkeghaid

nut wil(le)

nutteloos onnut

nuttig nut

 

 O

 

o-benen takse bainen; uterbaind

oké in de riebel

ochtend veumiddag; veumirreg; veurmirreg; vummerdag

ochtendmens mörgenman

oer or II

of as; of

offer ovver

ofschoon ofschoon (aal -); schoon dat

ogen glimmers

ogen, grote - kuipers

ogen, met half toegeknepen - kureg

ogenblik hetje; ogenslag; ogenstond; stuit; veeg

ogenblik, ieder - ieder klapscheet; ieder knapscheet

ogenblikje hoantree

ogend oogvol

ogenschijnlijk schienboarliek

Oldehove Olhoof (in) [Olhoofster]

Oldekerk Ollekerk (in) [Ollekerker]

Oldenzijl Oldenziel (in)[ Oldenziel-ster]

olie eulie; eulje

oliebol euliekouk(e)

oliebol (scherts.) eulieflot

oliën euljen

olifant eulifant

olijkerd scheervogel

om om; um

om ... te halen om

om bestwil oet best: oet gouder best

oma bep(pe); bepke; beppie; groop-moe; grootmoe; grootmoek; grootmoe­ke; ootje; opoe omdat omreden (dat)

omdraaien, z. z. omgeven

omgaan, onhandig - met knovveln

omgang, gezellige - aanhold

omgekeerd strieklings

omgeploegd swaart

omgeving jegend; kontrainen; om­geven; wereld

omgeving, in de - van en om

omgraven omgroaven; hoaken

omhaal weure; omhoal

omheinen öfriggeln

omlaag deel; dèl; doale; omdeel; om-dèl; ommeneden

Ommelanderwijk De Wieke (op) [Wiekster]

omspitten groaven

omwroeten ommevruten

onaangenaam onzuit

onafgebroken aingoal; drai zessen, drai zeuvens; van ollen

 tot kollen; twij korten twij langen; toereloers; toer-loos;

 toezjoer, in ain boksemwams deur

onbeduidend heukerg

onbehaaglijk ontronteg

onbenulligheid schietscheterij

onbeschaafd ontronteg

onbeschaafde onbeschoft

onbesuisd onbestekkelk

onbetekenende - schiet –

onder under

Onderdendam Onderndaam (in) [Onderndamster]

onderhandelen (over prijs) haandje bakken; haandje plakken

onderhoudsdeel pand

onderkin dubbele kin

onderlaken wiedel; wielen; wietel

ondermelk schep-op

onderweg onderwegens

onderwijzen leren

onderzoeken pegeln; schaauwen

ondeugend deugennaits; robbeg

ondiep vloot

onding ontront(e)

oneffen boggelg; bulterg; ongoal

oneffen worden kudeln

oneffen zijn boggeln

oneffenheden huiten en bulten: rellen en drellen

oneffenheid boggel; sjöldje

onenigheid mismasserij; onmooi

oneven on

onfatsoenlijk onmeugend; schoamzoam; onfersounlek

onfris miezeg; miezerg

ongedaan ongedoan

ongedierte ongemak; ongoud; vreterij

ongedierte, klein - luus en pluus

ongeduldig biebereg; laankzuikeg;edkorteg

ongedurig goddel; gorrel

ongehoorzaam nait om Hek

ongehuwd ainboar: ainlopend  

ontevreden hiepkonterg

ontfutselen kwiethandeg moaken: òfnaasken: òfnasjen

ontginnen laand toumoaken

ontglippen (uit de mond) ontkomen

ontgroenen behelstern

onthouden ontholden

onthoudend, goed - ontholdsk

onthuiden bloten; òfhoedjen

onthutst verblaaid; verblijd

ontkennen schud(de)koppen

ontkomen ontkomen

ontlasting deurgang

ontrieven bekorten; belutjen

ontroerd aanders

ontslaan holdert geven; ontsloagen

ontspannen (ww) holdert holden

ontsteld riddersloagen

ontstemd (fig.) toesterg

 

ontvelling smaart

ontzetting alteroatsie

ontzien woaren

ontzien, z. z. mieden

onveranderlijk ainpoareg

onverdroten onverdrutzoam

onverrichterzake ongetroost

onverschillig roeg

onverwacht onverdachts

onverzettelijk onverzeddelk; onver-zettelk

onvolwassen haalfwazen; haalf-wozzen

onvoordelig ongoadelk; ongoarlek

onvoorzien onverzains

onvriendelijk dwaars; tosterg

onweersbeestjes dunderknuut; dun-derkruud; dunderkruut; dundertuutjes; genut II; gnot; gnut; gnuut; knuut; miede; miet; onweerstuutjes

onweerswolken dunderkoppen

onwillekeurig veur der hand; veur haand

onwillig (v. dieren) steedsk

onze lieve heer ons laimeneer

onze, de/het - onnen(t); onzen(t)

onzeker brokkel (in hoed); onwis

oog oge; oog

oogkleppen oogdoppen

oogleden oogdoppen

oogsten winnen; mennen; minnen

ooi eu; ooi

ooievaar ooievoar; sprikkebain; störk; aaiber(d)

ook ok

oompje omke; ompie

oorbel bengel

oordeel zulfwait

oordeel(svermogen) oordail

oorlel lebbe; lotje

oorsmeer oorzaip

oorvijg aanwaaisel; katjewaai; labab-bel; lebabbel

oorworm oortiek; oorwurm

oorzaak oorzoak

Oost-lndië Oost-Inje (op) [Oost-Injer] Oosteinde t Oost-èn (op)

[Oost-ènstef

oosten, het - oost; oosten

oostereind oosterd

Oosterhoogebrug Oosterhogebrug (op) [Oosterhogebrugster]

Oosternieland Nijlaand (op t) [Nijlaandster]

Oosterwijtwerd Oosterwiewerd (in) [Oosterwiewerder]

Oostum Oostum (op) [Oostumer]

Oostwold Oostwold (in) [Oostwolme:

op op

op één na - ainnoa-

op tijd op tied

opa grootvoader; grootvoar

opbakken opsniddern; opsnittern

opbergen opbaargen

opbrengen doun; moaken; opbrenge; opsmieten; schudden

opbrengend, veel – schudzoam

opbrengst gemoak

opdracht bestel

opdringen aanprietjen

opeens opins

open blik; gapperg; spij; sprij

open staan gappen

Opende De Penne (in) [Penjemer]

openen open

opengegaan deur

opening (in kleding) haalsgat

opeten (vnl. van fruit) opschoavern

ooflikkering flöister; fluister

oogeborgen aan zied

opgescheept geschuddeld; opschudield

opgetogen opterpoe

opgeven schieten, z.

opgeven (hoesten) roggein

opgeven (plannen) overgeven

opgeven (spel) z. ter oetscheren; z. : geven; z. òfscheren

opgeven, de strijd - kamp geven

opgewekt knuterg; wiereg

opgewonden hister

opgezet (dik) dienderg; dieneg

opgezetheid blas(t)

opgieten (koffie) opsloagen

ophaalbrug klabbe; klap(pe)

ophemelarij biebeer

ophitsen hizzen; hoezen; (aan)huzen

ophitsen (om iets te laten mislukken) rieken

ophoepelen opakkern

ophopen bulten

opklaren òfbuien; opkloaren

opklaren (weer) opweren

opknappen klandern

opknappen (maken) opflikken; op-klandern; opklundern; oplappen

opkomen voor klevéren

opkrabbelen opkraben

opkrassen opkrözzen

opkweken saaien; saaiern; saaigein

oplawaai lawibes

oplettend vaaieroog

opleveren aanbrengen

opleveren (mudden -) mudden

oplopen oplopen

opmerken maarken

opnieuw vannais; vannaizen; vannijs; vernijs; veur nijs

opperman pleegsman

oppervlakte labbe; lap; lappe

oppervlakte maat daaimt; juk; rou; bunder; vout

oprakelen opreukeln

opruimen oetrakken

opscheppen bijs moaken; knittern;snaizen; broasken

opschepper bias; broaskeder; groot­hans; snaizerd; snak(ker); snakkerd

opschepperig broaskeachteg; snaar-derg

opschepperij batseghaid; gebroaske; ind;zegge

opscheppertje oapedriller

opschieten aanmoaken; avvezeren; hottjen; oavensaaiern; omseren; opschaiten

opschieten (met iem.) akkedaaiern; akkederen

opschieten, bij beetjes - flottjen

opschik klunen

opschik, onnutte - geslons

opschrijven aanschrieven

opslaan opsloagen

opsnijden boukstoaven

opspraak, in - op kladder

opstaand (: haren) wilds(k); pielkerg

opsteken opvörken

opstoken aanpoken; opschunen; opsteukeln; opstupen; opvörken;

stiggeln

opstuwen opstaauwen

optater petatter; petoater; petetter

optillen lichten I

optuigen optugen

opvallend spril

opvallends, iets - oogwaaide

opveegsel graimsel

opvliegend höfteg

opvlieger stiegens

opvoeden grootbrengen; grootmoaken; opbrengen; opvouden

opwaaien (v. zeewater) buizen

opwachten opmuiten

Opwierde Opwier (in) [Opwierder]

opzetten bluien; dienen

opzetten (in het geheim) opstupen

opzichtig gril

opzien tegen brillen

opzij bezied; oet zied: over zied

oranje oraanje

orde odder

orde, in - bie stok; deeg; dege; in es;richteg; bie stok

orde, niet (meer) in - staf

orde, niet in - oet pestuur

ordelijk ordelk

ordenen schieren

order odder

organist orgelist; örgenist

orgel orgel

os os: ozze

oud old

Oude Pekela 01 Pekel (in) [01 Pekel-der]

oudejaar oljoar

ouderlijk olderliek

ouders olden: olders: ollu

ouderwets olderwereldsk: olderwets

Oudeschans Olschanze (in) [Olschansker]

Oudeschip t Olschip (op) [Olschip-ster]

oudje (vleinaam) oldske

oudmelks olmèlk

ouwe (aanspr.) òl

ouwehoer flepsjijker

ouwelijk oldsk

oven ovent

overal aalderwegens; overaal

overal - (+ ww) rond - (+ ww)

overblijfsel stoal I

overdonderen befoezeln

overdrijven sandern

overdwars ien dwaarste

overeenkomen, iets - aanroaken

overeind in t ind

overgaan overbetern

overgangsfase (div. betek.) twijbrek

overgeven overgeven; spijen; breken

overgeven (, z.) heergeven (;z.)

overgeven, z. z. heerholden

overhaast overoameg

overhemd besroen; bezoen; boantje; boesroen: boezroen

overhemd, een - dragen blezzen

overhouden, er aan - der oetscheuren; der òfredden: der òfreupen

overkomen overkómen

overleden oet tied

overleg verzin

overlijden t ter tou doun: oetgoan: overlieden: der oetkniepen (plat)

overlopen overlopen

overmoedig bruil

Overschild t Schild (op) [Schildjer]

overschot oef

overspel plegen klongeln

overstuur oet stuur

overtollig bie ... tou

overtrek taik; tiek

overvloed keur; roemte; ruumte

overvloedig zat

overweg kunnen, mee - handegen; handen

overwegen annaaiern; onnaaiern; onneren

overwerken, z. z. veraarbaiden; z. verroppen

overwinteren wintern

 P

 

paadje, stenen - streepke

paal poal(e)

paal (met draad) riggel

paal, soort - slaait(e)

paal klim men strikbaintjen

paar poar

paard daaier; peerd; pere I

paard met lichtrood haar brandvos

paard, eenjarig - enter; inter

paard, oud - goeie; strinde; strint

paardebloem diezei; hondebloum; hontong; knienevreten; ontong; peer­blom; peerdebloum(e)

paardebloem, bladeren v.d. - diezei; hontong; knienevreten; ontong

paardebloem, uitgebloeide - laampepoester(d); poester(d)

paardeboon peerboon

paardeboon (ontkiemd en geroos­terd) molboon; mollebone; molleboon

paardenhandelaar peerkerel

paardenliefhebber peerkerel

paarden en koeien peerdenbaisten

paarden, omgaan met - peerdjen; peerdken

paardenmenner vouerman

paardenziekte, bep. - drous(t)

paardenstal peerstaai

paardenstel, deel van - haalsboog

paardentuig geraaid(e)

paardestaart (plant.) lidrusk

paardje kidde; kir(re)

paars paars; sangen

paasei poaskaai

Paauwen, De - Paauwen (op)[Paauwster]

pad pad

pad (dier) pod(de); por

pad, vaak op - zijn op t rad zitten

paddestoel paddestoul; padstoul; podstoel; podstoul(e); porstoul

pakhuis stek; pakhoes

pakken kriegen

palen, soort - slaaiten; slijten

paling oal II

palingsoort schieraal

palingtrekkerij oalkopöftrekkerij

Palmpasen Paalmpoask(e)

pan paan; pane

pand pand

pannenkoek pankouk

pannenkoeken, soort - spekkendikke

pantoffel pantovvel

pap brij

papa pabbe; pappe

papaver mannekop; moanekop

papegaai pappegoai(e); poppegoai

papier pampier

papieren, gedrukte - leesderij

papperig papperg; papsk

paradijs parredies

pardon, zonder - regelier

paren (v. vissen) schoaren

paren (v. vogels) moaren; treden

park paark

parmantig draal; wies

partij pertij

partij, gelijke - petuur

pas (znw) laarp

pas (bw) nijsies; nijskes

pas, kleine - hoanetree; hoantree

pas, van - te pas

Pasen Poask; Poaske

Pasen, Beloken - Lutje Poask; Lutje Poaske

pasen, tweede zondag na - Piemeltje Poask

Pasop Pasop (op de ) [Pasopster]

passagier passezier

passen akkedaaiern; akkederen;loenen; pazen

passend schikkelk

pastorie pasterij

Paterswolde Potterwöl (in) [Potterwöller]

patrijs petries

pauw paauw(e)

pauze, korte - piep(e)schoft

pedaal pedoal; pendoal

pedicure tonebikker

peer peer; pere II

pees (in vlees) zeen

peil paail; pegel

peilen paailen

pen, houten - pig(ge)

pen, ijzeren - stik

penis kruul; kul; piet; piethoan; pietje

penningmeester puutholder

pensioen penzioun

peren, soort - mannekeperen; menailtjepeer; sokkeraaiperen

perfect hekjeperfekje

periode schoft

periode, ononderbroken - rek

perk paark

pers (apparaat) paars: paarze

persen paarzen

persoon die praat over onbegrepen zaken kwaalmlaamp(e)

persoon met één arm ainaarm

persoon met o-benen swienevanger

persoon met ongedierte loezebos

persoon met scheve hakken schaai-hak

persoon, aanstellerig - aanstel, eelskerd

persoon, aarzelend - drokker

persoon, als heer gekleed - glad-stevel

persoon, bang - hiepenkriet; kakke-noodje; schiet-in-boksem

persoon, dik - schovvel; speknek; kloede

persoon, dik en log - dodgat

persoon, driftig - krik

persoon, druk - ruierlabbe

persoon, dun - slinger-om-de-mast

persoon, eenzelvig - aindoar(e)

persoon, eigenwijs - stiezelneus; wiessnoet; wiesschiet; kwaalster

persoon, flauw - doodlid; joune

persoon, flink - haile

persoon, fors - bambeer; bambere; barrie

persoon, gedrongen - knoedel; kop-en-kont

persoon, geeuwend - gapstok

persoon, gelijkhebberig - hebrecht; kifke

persoon, gesteld op kinderen kinderpuil; kinderpuut

persoon, gezet - diknek

persoon, gierig - aarmhaart

persoon, groeizaam - dijer

persoon, grof gebouwd - beer

persoon, grof sprekend - voelbek; voelboard

persoon, guitig - guterd

persoon, gul - schep-op

persoon, hebzuchtig - aalbegeer

persoon, hinkend - hampel; strampel

persoon, hippend - hipper(d)

persoon, inhalig - groaperd; streuper

persoon, jong - maalpeerd

persoon, jong en eigenwijs - potstronk

persoon, kakelend - bekstok; bekstuk; koakel; kwekkerd

persoon, klagend - jeuzel; jeuzelgat; jeuzelkont

persoon, klein - dreudel; hiepen-kriet; iepenkriet; kreut; pintheukel; pintneuker; keudeldoemke

persoon, klein en dik - dik bastje;doddel

persoon, klein en jong - pork

persoon, klein uitgevallen - boksem-povverd

persoon, kletsend - tjaauwelder; tjaauwelgat; tjaauwelmeulen

persoon, kleumig - kleumkat

persoon, knorrig - vrantpot; vranter(d)

persoon, koppig - seeg; sege

persoon, kort en breed - draaige

persoon, kort en dik - koedel(gat); kortdikje; poemel; stommel

persoon, laks - laauw loene

persoon, lang - laaiter I; laankhaals; laankwams; lemperd; loiterd;  schiet-spaaide; schietspoide

persoon, lang en dun - aaiber(d); gebe: gepe; kapstok; ringel; spilter; sprik; taaiterlaait; boonstok

persoon, langbenig - bainderd

persoon, leep - laiperd

persoon, lelijk - strint

persoon, lichtgeraakt - neetoor

persoon, lomp - Hans miegel; holster; klonter(d); ontront(e); plunt

persoon, mager - grashipper; gras-hupper; hiemham; himphamp;

hip-per(d); linnenrik; moager Oarend: ribberd; roeberd; roeperd;

 spicht(e); spierling; spilk; spitlikker; sprink-hoan; strinde

persoon, mal - maal Aalbert; maal Haarm; maal Jaan

persoon, melig - flaauwmous

persoon met scherpe tong bekstok: bekstuk

persoon, moeilijk lopend - stommelhak; stuidelbuidel

persoon, niet bang - vent Hinderk

persoon, nieuwsgierig - gapstok; hounderneers; nijskesopheurder; tuut-je-nijneers

persoon, nors - proel; toesterloeks; toesternak(ke)

persoon, nukkig - bok

persoon, nurks - tosterd; tosterhakke tosteiioeks

persoon, onaangenaam - bokkenis; doesnakke; hiestentriest; nork; ork; neetnek

persoon, ongeduldig - ongeduld; wimpel-op-tak; brandlabbe

persoon, ongezond - aarmhaart

persoon, onhandelbaar - meubel, kopstuk

persoon, onhandig - klont; knovvel-kont; stovvel

persoon, onnozel - kaalf; kloun(e); kolske

persoon, onredelijk - kopstuk

persoon, ontevreden - hiepkonter

persoon, onverwacht sterk - dichthoed

persoon, onvriendelijk - dosterd; stoensbounder; stoetenbounder

persoon, oppervlakkig - slichtmuts

persoon, opvliegend - kniddervink

persoon, ordinair - bie-pad-loper

persoon, oud - knaars; knaarze; kna-ge; knapperd; knare; knaster; sche-brak; strint

persoon, oud en verzuurd - knarskop

persoon, praatgraag - kwedelmesien; reudelpot; revelkoar; teutje

persoon, precies - persieske; schiet-vernien

persoon, raar - maal Aalbert; maalhebbel; maalhibbel

persoon, raar en dom - aigenmaal

persoon, rechtuit - liekoet

persoon, ruig - bamboeze

persoon, ruig en opvliegend - horrebedor; orbedor

persoon, ruw - bonk; holstainer; roegbainder; vraidbek

persoon, saai - dreugerd; dreugproemer: dreugstoalzuide; doodleven

persoon, scheeflopend - schaaihak(ke)

persoon, slap - waikmeler slapscheet

persoon, slecht - minne

persoon, slim - gaaie

persoon, sloffend - slor

persoon, slordig - flodderboksem; roegvout; voeltoede;

voeltoet: hoossok

persoon, sluw - slimschou

persoon, smerig - vetklep: vetlap

persoon, stevig - poterd; schobberd

persoon, stug - bobbekop; staailoor

persoon, suffig - goeze; goze; gozzel

persoon, tegendraads - dwaarshoes; oelepetoet

persoon, traag - daauwel

pwrsoon, trillend - trilpiep(e)

persoon, vals - sliemgast

persoon, veel thuis zittend - hoeshin

persoon, veel verdragend - haardhoed

persoon, verachtelijk - hondsvot

persoon, vergeetachtig - goeze; slof-gat

persoon, verkwistend - rijslaif

persoon, vervelend - kniezebieter; dreuge Paiter; amtam

persoon, verwaand - steernkieker

persoon, vloekend - vluikbaist

persoon, vuil - swienepuut

persoon, waardeloos - boksemvent

persoon, weinig inbrengend - jonne-voet

persoon, wild - beer

persoon, wispelturig - waalvlaiger; wispeltuut

persoon, wreed - vraidhoed; vriekel

persoon, zeer zuinig - knirt

persoon, zeurend - aimel

persoon, zonderling - van ipscheuten; maal appie; swans

persoon, zuinig - kniezebieter; knie-per(d); knieterd; zunege Paiter; pint-heukel; pintneuker

persoon, zwaar en dik - grofmelen-schobberd; grofwaaitenschobberd

perzik paarzek

perzikkruid hoanepoot; gele kiek;krödde; krör; platzoad; roodschonk; wilde ween: wilg

pesten malteraaiern

pet pedde: pet I

pet, soort - klodde: klöt

petroleum paitereulie: petrolie; petreulie

peul dop: hul: poul(e) II; puul

peultjes aartpoulen: puultjes

peuren poeren

peuteren puien; tudeln; tunteln; vrak-seln

piano pioano

piek paik

piekeren kopschraben

pienter routerg

piepen piepen

piepjong kukenjong

Piet Pait

Pieter Paider: Paiter

Pieterburen Paiderboeren (in) [Paiderboerster]

Pieterzijl Pieterziel (in) [Pieterzielster]

Pietje Paitje

Pietje (vr.) Paiterke

Pietje precies tieske

pijl piel(e)

pijn pien(e); scheel; zeerte

pijn (elders t.g.v. andere pijn) weerpien

pijn (in het gebit) geporrelmorrel

pijnigen rinkjevielen

pijnlijk pienlek

pijnscheut schoot I

pijp piebe; piep(e); smeugel

pijpdoorhaler deurhoalder; pieproai

pijpdrop lakkeris; lek(ke)ris

pijpkruid hondekruud; kezebloumen

pijproken piepken

pijpuithaler pieppreukel; pieppreukelder; piepreukel; por-oet

pikdonker baalkeduuster

pimpelmees blaauw(winter)maiske

pin, soort - deugel

pinda's souskes; souzemangels

pink lutje vinger

Pinksteren Pinkster

pissebed keldermot; mot II; motstaine; motte; muurloes; stainkrob; stainkrub; stainmot

pissen pizzen; sijken; miegen

pit korrel; korrel; pidde; pit

pit, aardappel- kim II; steek

plaag ploag(e)

plaaggeest nietjeboksem; nietjeder; nietjegat: oalias; ploag(e);

ploagbaist: taargerd

plaat ploade; ploat

plaatje schilder

plaats plakl; plek(ke): ploats(e); stee

plaatsen ploatsen

plaatsnemen z. plakken

plafond plefon

plagen mevaaiern; naren; negern; nietjen: nippen; nirten; nittjen; oet-sen; ploagen; tamtaaiern; taargen

plak, onder de - onder konduksie

plakker (fig.) drokker

plan, van - zijn drouden

plank bred; plaank(e); schol I

plank, soort - docht(e); doft(e)

plankier bat(ten), badde

plassen (door water) poltern

plastic plestiek

plastic, van - plestieken

plat plat plat (fig.) gruin

plat worden pletten

plateau plantail

plattelander laandjer; laandsman; landjer

plein plaain

pleister plaaister; ploaster

pleit plaait

plekje, stroef - op glijbaan nekke-breker

pletten pletten

plezier pelzaaier; plezaaier; slinger

plezierig (in omgang) aannemelk

ploeg ploug(e)

ploegen drieven; plougen; pluigen

ploegen (of hooien) drift

ploegen, beginnen te - aanvurgen

ploegen, dun - schilven

ploegen, ondiep - vaalgen

ploegen, soort - kleuven

ploeggang (vice versa) omdrift; omtocht

ploegmes laankiezer

ploeteren (in water) floddern; piasken; poeseln

plof kwak

ploffen plovven

plompebladen pompebloaden; snou-kebloaden

plooien, met - draails; draais(k); drèl(d)

plotsklaps rompslomps

pluche pluzen

pluim plume; pluum; toef

pluimstrijken vliemstrieken

pluis pluus

pluisje pluuster

pluizen (:handeling) tiezen; pluzen

pluizen(, uit -) pluustern

pluk plok

plukken öfteppen; plokken; roppen

plunje plunen

olunje (oude -) plunnen

po pispot

pochen bloazen; broasken; postern; >nakken; snaren; swaarmen; swetsen

pocher broasker; bloaze

poel poul(e) I

poes poes I

poesje poeike; poeke; poetje

poets fiet; loer

poffen povven 2

poffert povvert

poffertje bolbaaisie

pokdalig pokdelleg

pokken pokkens

politie plietsie

politieagent(en) glinne knopen

pollepel slaif; slief

polsen punten

pomp pombe; pomp

poort poorde; poort

poos reut; toer; zet

poosje pooske; posie; steutje; toertje;zetje

poot pode; poot

pootje, - over (schaatsen) over nèb

pootjebaden blootpootjen; wadjen

pop pobbe; pop(pe)

porren preukeln

porselein pastelaain I

portefeuille potterfulie

portemonnee knip

portie porzie; porzje

portret petret

postbode postloper

postelein pastelaain II

postuur bestuur; pestuur

poten, aardappels - dolen; dollen

pottenkijker potoakster; Jan hin

praam, open - schol II

praat, flauwe - kaalverproat

praatgraag proatachteg; proats(k)

praatjes meroakels

praatjesmaakster teudebèl(le)

praatjesmaker broaskemoaker;reudelteut

praatziek reudelg

prachtig schier

prak, in de - in de flozze

prakken prakseln; preuzen

prakkiseren oetzudeltjen;prakkezaaiern

praten monden: proaten; proten

praten door de neus snovveln

praten, aldoor - rammeln

praten, gauw en veel - bleddern

praten, onbeduidend - kaauweln

praten, steeds - rappeln

praten, uit het hoofd - ontproaten

praten, vervelend - kaauwen

prater proater

precies persies

precies zo ... akkroat zo ...

precisiewerk tiepelwaark

prei praai

presenteerblad bredje

presenteerblad schenkbred

presteren, doen - oet t stro zetten

prijs pries

prijzen priezen

prikkeldraad stekelwier; stiekeldroad; stiekelwier

prikkelen stiekeln; kiddeln

prikkelend jeukerg

probaat perboat

proberen bezuiken; pebaaiern; peberen; verzuiken; vigelaaiern

probleem, het - de dorie

problemen aksies

procederen plaaiten

proef, op - op pebaaier

proeven pruiven

professor pefester: perfester

profijt perfiet

prompt pront

pronkerbonen dikke jonges: pronkel-bonen; pronkerbonen

pronkzuchtig pronks(k); stoats

prop probbe: prop: stopipei

proper evven

propje koedeltje

proppenschieter knapbus

propvol proppende vol

provisie pervisie pruik proek(e)

pruilen blibben; snoetern: proelen

pruim proem(e); pruum

pruim, grote - aaierproem

pruimensoort effies; efkes; evven

pruimen (v. tabak) proemken; slóatje-kaauwen

pruimenpit proemstain

pruimpje (v. tabak) proemke

prul oapeding; schietding

prullaria gesnor

prutsen klontjen; kontjen

pruttelen porrelmorreln

puffen blaaien II

puik puuk

puilen, er uit - der oet poebeln; puien

puin puim

puist bobbel; poest(e) II; poet; vin(ne)

puistig poeteg

puistjes puustjes

pukkelig peukelg

pukkeltje peukeitje

punaise duker II

punch pons

punniken koordjebraaien

punt timp

punt (uiteinde) prip

puntbroodje gallechie; timpke; tipstoet

puntig tips puntzakje tippuut

put pudde: put

putje (in mes, vaatwerk e.d.) schaart; schaar(de)

 Q

           quitte  liek

 R

 

raad road

raaf roaf; roave

raak roak

raam roam

raar nuver; roar

rabarber rebaarber; robaarber

racen sjiestern

raden roaden

radijs redies

radionieuws berichten

rafel foazel; voazel; roavel

rafelen voazeln

rafelig voazelg

ragebol kopstubber

rail riggel

rakelen reukeln

raken roaken

rakker iegel; mieghummel; oasnek

ramen roamen

raming gis; roamen

rammelaar rammelkörfke

rammelen rabbeln; rammeln; rappeln

rammelend rabbelg

rand eg(ge); raand(e); raante

rank raank; taaiber(g); taaiterg; taiper

ransuil raansoel

Ranum Roanum (in) [Roanumer]

ranzig gaalsterg; rens

rasp rief; rieve

raspen rieven

Rasquert Raskerd (in) Raskerder

rat rödde; röt

ratjetoe koeskas; mikmak

ratten klem rötstap

rauw raauw

ravage revoazie

ravotten rementen: rebentern: reupen

ravotten, woest - baalgern

razen bandiezen: pandiezen: roazen

razen (v.d. storm) boestern

razend helbannegduvels

razendsnel mit koegelsgeweld: met kugelsgeweld

recht liek: recht; stroal        ....

rechtuit liekoet

rechtvaardig recht

rechtvaardigheid gerechteghaid

redden redden

redden ( kunnen -) rizzen (- kinnen)

redden, z. z. bescharreln

redden, z. z. maintjenaaiern

redelijkerwijs middelkerwies

redeneren annaaiern; redenaaiern; rezenaaiern

redetwisten kekeln

reep, dunne - flitter

regelen bescharreln; ordern

regelen (wat onhandig -) beknottjen

regelen, met moeite - behaspeln

regeling oddernoatsie

regelrecht lebendeg

regen regen

regen (groei bevorderende -) gras­regen

regen, langdurige - regenboudel

regenachtig motterg; trubel

regenbui giesp(er); goot; schoer II; stoeperd; stoever(d); strieker; swaalke vochtje

regenbui, zware - gobbe

regenbuitje snidder; sputter

regendruppels, grote - hettendruppen

regenen regen

regenen, flink - opregen

regenen, hard - gobben; gaiten

regenen, steeds - natjen; natten

regeren regaaiern

reiger (oal)raaiger; oaltoeker

reiken rekken

reikhalzen kathaalzen

Reinder Raainder

Reint Raaint

reis raais; raaize

reis, lange - Ommelandse raais

reis, lastige - sabbatsraais

reisvaardig raaisveerdeg

reizen raaizen

rek rik

rekenen reken

rekenen op z. stippen op

rekening reken

rekenschap rekenschop

rekken rekken

rekking rek

rennen runnen

rennen, dol - bentern

rentenieren rentnaaiern

repelen riepeln

reprimande rebamzel

resoluut gerezelvaaierd: rezeluut

restant huutfje)

restje staartje

restje (groente e.d.) akwa

restjes maken örten: öttjen

reumatiek remetiek: rimmetiek; rummetiek

reuzel ruzzel

rib rib(be)

ribbelig wakkelg

richel riggel: rim

richten naar, z. z. holden

richting richten

riem raim(e)

riet raait; rijt

rietpluim raaitploes

rij rieg(e); riester

rij huizen streek

rij slecht opkomende aardappels zundoagsrieg

rijden rieden; voaren

rijden, rustig - tufken

rijgen riegen; rijen

rijk maans; mans; riek

rijkaard diknek

rijksdaalder achterrad

rijm riem

rijp riep

rijpen (vriezen) roegvraizen; riepen

rijpheid riepte

rijshout ries

rijst ries

rijstebrij riezenbrij

rijzen riezen

rijzen, het - ries

rillen (v. afschuw) z. schudeln

rillen (v. kou) hiepern

rillerig grille(r)g; heukerg

rimpel kroes; schoei I; schoer I; völ(le)

rimpelig weelderg; weelkerg

ring (in koehoren) kaarf

rioolput zinkput

risee ropvogel

risico neude II

rit rit

ritselen goddern; rottern; ruzzeln; schemotseln; schemozzeln; vrözzeln

robbedoes roeske; roesketoes; roeskebeer

rode biet robait; robaide

roe rou

roek rouk

Roelof Roulf

roemen poggen

roep geroup

roepen roepen; roupen

roer rouer; ruier

roeren ruiern

roest roest; rost; roust

roet rout rogge rög(ge)

rogge- roggen-

roggebrood brood; roggenbrood

roggebrood met beschuit bakkenbrug

roggebrood met kaas keesbrog(ge); keesbrüg

roken pafken; pifken

rollade taauwkevlais; reloade; rolloade

rollen, omlaag - korreln; koedein

rommel boudel; bröd; brud; gedounte; geslons; hakkemak;

pakkelarrie; palternaksie; rommel

rommel, natte - proeksel

rommel, verwarde - haaidenboudel

rommelen (lawaai maken) boldern;bollern

rommelen (v. honger) knoeren

 

rommelpot foekepot

rond (vz) arom; herom; inom; om

rond, in het - in t rond

ronddelen omgeven; ompaarten

ronddraaien (op de hakken) hakje-draaien

ronddwalen rondwoaren

rondje (bij kaartspel) boomke; boompie

rondneuzen neusken

rondom rondom

rondreis omtocht

rondsjouwen paaijakken

rondslenteren omdaauweln

rondsnuffelen schoavern; schobbern

ronduit liekbendeg; staail; vaaierkaant; vlakoet

rondzwerven omswinden

rood zijn bluien

roodachtig oet n roden

Roodeschool Roschoul (op) [Roschoulster]

roofvogel vriekel

rooie fokse

rooien reuden: ruden; uutdöllen

rooien (aardappels) kraben: dollen

rookvlees noagelholt

rooms-katholiek poeps

roos roos; roze

rooster reuster

rot röt

rot (begin van -) smaarte(r)g

roten rotten I

rotten rotten II

Rottum Röppen (in) [Röpmer]

Rottumeroog Oog

Rottumerplaat Ploat

rotzak rötterd

rotzooi mikmak; ombaalgen; rötzood

rouw raauw(e); treur

rouwen raauwen

rouwkoop raauw(el)koop

roven roppen

royaal goud; rejoal; riekelk; rij; roem: stief

rozijn rezien(e)

rug nikkenakke; rog(ge); rug

rug, hoge - kaddepokkel

ruggelings roggels; ruggelings

ruggenmerg roggemaark; rogpit

ruien ruden

ruif reep; reube; reupe; rief

ruig roeg; ruug

ruiken kaainen; roeken; ruken

ruil butenschop

ruilen buten; inpangeln; kuutjebuten;     kuutjebuutjen; kuutjen; omaandern; pangeln; raailen; roilen; ruilen; omaandern

ruim wiederwaaieg; roem

ruim zitten, te - buien

ruimen roemen; rumen

ruimte bot; opens; opente; roemte; ruumte

ruimte vol prullaria keugeltente

ruimte, smalle - ril(le) II

ruin roen(e)

Ruischerbrug Roeskerbrug (in) [Roeskerbrugster]

ruit roet; glas; glaas

ruitentikken glasketikjen; glasketikken; roetjetikken

ruiter kerel-op-peerd; ruter; ruter-op-peerd

rukwind steutwind; stötwind

rumoerig remouerg; roezeg

rundvet ongel

rups roep(e); roebe

rus (plant.) rusk(e)

rust vree

rust noch duur gain vree of verbaarg

rustig bekweem(kes); gemoudegd; trankiel; tuimeg; tumeg; rusteg

 ruw raauw

ruw (v. lippen e.d.) vroat

ruwweg ten roegsten: roegweg

ruzie aibels: drokte: geberebiet; gehawel; heibels; here-kom-oet;

herie-koom-oet: hikhakkerij: hikhak-kerderij; hirrewirderij; kifkederij; krib-berij; kwestie; kwezzie; kwezziederij: ommoi; ommui: rebulie: roezie: ruzie: verschil

ruziën hikhakken: hommeln: kifken: kikkakken: voestjen

ruziezoeker kibbelsnoet; kikkak

 

 S

 

Saaksum Soaksum (in) [Soaksumer]

Saaxumhuizen Soaksumhoezen (in) [Soaksumhoester]

sabbelen sjaben; sjobbeln; sjobben; sobben; zabbeln; zaben

salamander evertaaske

salomonszegel (plant) motte-mit-biggen

samen soam; bie n(k)ander

samengaan schoaren

samenwerken manen

santenkliek de haile fiekelfakkel

santenkraam santeflik; santefrik; santekroam; santepetiek; sitsewinkel

santenkraam, de hele - de haile frik

Sappemeer Sapmeer (in) [Sapmees-ter]

Sara Soar; Soaroa

saus stip

saus (op meelkost) lotjestip

saus, dunne - eendevet

sauskom stipdiggel

Sauwerd Saauwerd (in) [Saauwerder]

schaaf schoaf

schaaf, lange hand- raaischoaf

schaafwond smartlap

schaal (v. ei of garnaal) dop

schaap schoap(e)

Schaaphok Schoaphok (op) [Schoap-hokster]

schaapskooi kove; schoapkove

schaar scheer; schere

schaars betuun

schaartje scheertje I

schaats scheuvel

schaatsen scheuvellopen; scheuveln

schaatsen (scherts.) (znw) kouribben

schaatsen in gelid opleggen

schaatsen, ploeterend - fokseln

schaatsen, scheef - ainbaintjen

schaatsen, slecht - bokseln; krukkeln

schaatsen, snel - klaauwen

schaatsenrijden (met korte slag) hakseln

schaatsenrijder loper; scheuvelloper

schaatspunt neb(be)

schaatsslag foks(e)

schaatswedstrijd haardloperij; haard-riederij; loperij; spekloperij

schade schoa(de)

schadelijk schoadelk

schaduw schaar; schare

schaduw geven scharen

schaffen schavven I

schaften schavven II

schamel schoamel

schandaal schandoal

schande schaande

schande schimp

schandelijk schoamachteg; schoa-mensweerd

schapenvet schoapsmeer; schoapvet

schapewolkjes schoapkes; schoap-

paanskes; schoappinskes

Scharmer Schaarmer (in) [Schaarmer]

scharnier schenaaier; hing

scharnieren knierpen

scharrelaar sjaggel(der)

scharrelen scharmantjen: scharreln:

schommeln; schraben I

schat (vleinaam) tut: tude: tudechie

schateren groalen; hoddern; schattern; schoddern; schottern

schatje (vleinaam) noedel; tudde; tutje

schattebout tudebekje

schattebout (baby) krale

schatting, 'n - doen n roam doun

schavuit oakster

schede schij(e)

scheef overzied; schaif; schel; schil-leg; schol; wiends; winds

scheefkelk menistenwitje

scheel schilleg

Scheemda Scheemde (in) [Scheemter]

scheenbeen bainbonk

scheenbeen schienbien

scheepshelling, overdwarse - dwaars-helgen

scheepsroeper rouphoorn

scheepvaart schipperderij

scheiden schaaiden

scheiden (v. huwelijk) öftraauwen

scheiding schaaiden

scheiding (in haar) kleuf; schaaiden

schelden hizzebizzen; ragen; raggen

schelen mietern; verschelen

schelen ('t kan me niets -) sjakken (t kin mie niks -),

(ver)schelen

schelen ('t kan niets -) verblodekonten (t kin niks -)

schelen (wat kan het -) verroppen (wat kin t -)

schelmenstreek poepetrek

schelp schelp; schulp

schelpenvisser schillerman

schelpje, soort - nuner; nuun; nuunder

schemeren schiemern; schemern; schimmern

schemerig schiemerg; twijlichteg

schemering graauwlicht; schemern; :wijbrek; twijdonkern; twijduustern

schenken (v. vloeistof) sloagen

schenken, vol - volsloagen

schenking schenken

scheren scheren

scherf diggel; schaarf

scherf (v. pan) pandiggel

scherm schaarm

schermen schaarmen

scherp feng; schaarp; ring

scherpen (v.d. zeis) strieken; hoaren

scherts gekhaid; meroakelderij; scheervogelderij; maaljoagerij

scheuren roppen; scheuren

scheuren (door droogte) oetspaiken

scheut flort; golp; goot; gulp

schichtig bunzelachteg; bunzelg; wif

schichtig (v. paarden) woagenloops

Schiermonnikoog Aailaand

schieten schaiten

schieten (met knikkers e.d.) schotjen

schietlood lood

schiften karreln; kelen; schivven

schijf schief; schieve

schijfjes snijden plakjen

schijn, voor de - veur de leus

schijnen schienen

schijnheilig bekweem(kes); fiemelachteg

schijnheilige staailoor

schijten schieten

schikken loenen

schikken, z. z. geven; z. hebben

schil, met groene - gruinschild

schil, met harde - haardschild

schil, met zachte - waikschild

schilder schilder

schilder, huis- vaarver

Schildwolde Schewöl (in) [Schewolder]

Schildmeer t Schild

schilfer schilver

schilmesje schildersmeske; ko(a)p-meske

schilmesje voor aardappelen eerappelschilder

schim gaist

schip met aardewerk potschip

schippers schipperderij

schippersbakje butje

schippersvrouw schipperske

schoen schoeg; schou(g)

schoenen lappen sjoestern

schoen lepel hakhoorn; hakketrek-ker; hakkelepel; schoulepel; schou­trekker

schoenmaker schoumoaker; schoun-moaker; sj oester; schoulapper I

schoensmeer glimsmeer; gladsmeer; schousmeer; schouwikse; wikse

schoffel schovvel

schoffel (met schuine steel) lammert

schoffel, soort - lep

schoffelen schovveln

schok stoek(e)

schokken, voorzichtig - nokken; nukken

scholekster akkelaai; bonde laiw; lieuw

schommel raaike; schommel; soei(e); soeieboeie; suza; taaiter; toutaalter; touter; zaai; ziezooi; zoei; zoeieboeie; zoiboi; zooi; zooibooie; zui; zuibui; zuiebui; zuzoi; zuzooi; zuzui

schommelen raaiken; schommeln; soeiern; ziegeln; ziegezoagen; ziege-zoaien; ziegezuien; ziezooien; zoeien; zoeiken; zoien; zuien; zuzen; zuzooien

schooier schont(erd); slont(erd)

school schoei II; school; schoul(e); skoel

school, lagere - schoul(e)

schoolbegin inslag

schoolziek schoulkoors

schoon schier

schoon (net) hemmel

schoon, geheel - schapschoon

schoon, grofweg - schrapschoon

schoon, ruw - bezzemschoon; rib-schier

schoonmaak, grote - (hoes)schonen

schoonmaakmes laaiter II

schoonmaakster schoonster

schoonmaaktijd hoesschonerstied

schoonmaken aanhemmeln; bezu-vern; hemmeln; ophemmeln; rakken; schonen

schoonmaken, het huis - boestern

schoonmaken, licht - himmeltjen

schoonmaken, slecht - poedeln

schoonzuster snoarske

schoorsteen schosstain; schösstain

schoorsteenmantel bozzem

schop (handeling) peune; pil(le); schup

schop (instr.) schobbe; schop(pe)

schop, soort - hoak; houk; kromjong; kromschop; luierman; batse; stikke

schoppen pillen

schoppen (kaartspel) schoppens; schuppens

schor bremsterg; schraan(de)

schort schoede; schoet; schuut

schort, soort - motschoet

schotel schuddel: schuttel

schouder scholder

schouwen, het - schaauw

Schouwerzijl Schouwerziel (in) [Schouwerzielster]

schraal schamper; schroal

schram schraam

 schrander begripzoam; numeg; schrap

schrap schoor; schrip

schrapen gieren en groapen; groapen; z. schrappen

schrapen (de keel -) schremmen; bremmen

schrappen schraben II

schreeuw gilp

schreeuwen baaiken; belken; beren; bolken; gaalpen; holvern; schraauwen; schraiwen; schruwen

schreeuwer gaalperd; reerderd

schreeuwlelijk bek-open; blebberd; bledder; hoelbek; rouphoorn; blèr-snoet; schraif-okster

schreien schraaien; reren; roazen

schreien, vervelend - naren

schrijfspullen schrieverij

schrijlings striedewieds

schrijnen schrinnen

schrijnend (v.e. wond) smaarteg

schrijven schrieven

schrijven, slecht - maggeln

schrik boes; boesapperd; boeze; kèlleghaid

schrik, koud van - kèl

schrikachtig spril

schrikdraad schrikkeldroad

schrikken veralteraaiern; veraltereren

schrobber bamboes

schroef schroef; schroeve

schroot (plank) schrode; schroot

schroten latdailen

schub schob; schub

schuchter schöchtern

schudden joekseln; ritjefitjen; schud­den

schudden (v. kaarten) deursteken

schudden, nee - schud(de )koppen                                                    

schuivelen schoegeln schoeveln

schuifje (in het haar) pielkevanger

schuilen schoeien

schuilplaats schoel(e); verschoel

schuilplaats in weiland loopstaai

schuim broazem II; broes; broezem;schoem

schuimbeestje koekoekspij(e)

schuimen schoemen

schuin schroag; schroat; schuun;schuuns

schuin maken öfschunen

schuit, soort - berzie

schuiven schoeven; schottjen; schuven

schulden, kleine - klikschulden

schulden, losse - plokschulde; plukkelschuld; plukschuld

schunnig schaauw

schurft schörf(t)

schurken, z. z. schobben; z. schoekeln; schoedeln

schutting planket; schut

schutting, soort - stranketten; strenketten

schuur schure; schuur

schuur en stal achterhoes

schuurdeuren achterdeuren; deelsdeuren

schuw schaauw

schuwen schaauwen

Sebaldeburen Seballeburen (in) [Seballebuurster]

secuur wis

sein saain

Sellingen Zèlng (in) [Zèlnger]

serieus ainmoud; eernsachteg; oet heerns

serviesgoed staingoud

shit!  Schiet!    

Siddeburen Sibboeren (in) [Sibboerster]

sigaar segoar(e)

sijpelen siepern; zievern

sijpelen, naar buiten - oetpoeten

sikkeneurig sinkeneureg

sinaasappel appelsien

sinds simt (dat); simt (des); van dat

Sint Maarten kip-kap-kogel

Sinterklaas Sunnerkloas; Simt Ni-kloas; Simterkloas

sirene hoel(e)

sissen sistern; snittern

sisser sis; sister

sjabloon schabeljoon; schampeljoun

sjacheraar pangelder

sjacheren sjaggeln; pangeln

sjalot silödde; silöt

sjalot, soort - silon

sjerp sjaarp(e)

sjoege sjoegel

sjoemelen sjoegeln

sjokken sjoeken; sjoekseln; sjoeksjakken; sjokseln; stovveln

sjouw tui

sjouwer sjaauwer

sla sloat

slaaf sloaf

slaag flikken; haauw(e); lap-op; pinze; ribs; sloag(e); streeps

slaag, pak - kontjeloage; pak iepe; pak-op-pïns; strups; strips; strieps

slaan bamzen; batsen; entern; fleren; flikken; govveln; haauwen; haauwgen; helpen; hemmeln; laaitern; laarpen; lappen I; mevaaiern; prugeln; sloagen; tiggeln

slaan met een zweep sweepken

slaap, in - onder zaail

slaapbenodigdheden sloaperij

slaapgelegenheid liggerij

slaapje does II

slaapplaatsen sloaperij

slabbetje slaab; slabe

slaboontjes aarfies

slacht, de - slachterij

slachten slachten I

slag abbedoedas; abbeldoedas; fleer; flier(e); flik; haauw(e); habbedoedas; hiep; katje waai; kedonzel; mep; rekon-kel; smeer; tjijs; waai III; wiske; woeps; oplebabbel; oabeldoedas; rekonkel

slag (bij kaartspel) stek

slag (fig.) rovvel

slag, geweldige - laarp; woepsterd

slag, stevige - driezei

slag, striemende - giesper

slagen sloagen

slager slachter

slagerij slachterij

slakkehuis hoorn(tje)

slang slaang(e)

slap slok; sluug

slap (- hangend) rlotseg

slap(achtig) bladseg

slapen (znw) dun-eggen; dun-ekken;

slapen (ww) pomen; sloapen: onder zaail wezen

slapen, gaan - z. opbaargen. z.; onder zaail goan

slaperig dool; soesderg

Slaperstil Sloaperstil (in) [Sloaperstilster]

slecht euvel: fladderg; flatterg; maal; mieterg; min; onliedelk; onnuur: schie-terg: trubel

slechtaard minhoed; mizze II

slechte - schiet-

slechten raaien; slichten

slechterik onoabel

slechts bloots; enkeld

slee, soort - bod(de); borre; laai; looike

slee, wadden- kraaite; sliekkraaite

sleets sliets(k); slietzoam

slei slaai

slenteren daauweln; doameln; gen-gein; gongeln; slentern; slingern

slenteren (langs de straat) vlaigen

slepen slooien; slorren; todden; tooi­en; torren; tuien

slepen, geneigd tot - sleeps(k)

slepen, mee - tongeln

slet dèl(le) II; flaar; Hare; slet; >lont(erd)

sleutel sleudel

sleutelbeen kroagbonk; scholderbonk

sleutelbloem plevaaier; pluumvaaier

slib biets

sliert slier(e); tilt

sliert, in een lange - kat-achter-kat

slijk bragel; jiddel; joepe; modder; modderproeksel; mork; sliek

slijmerig slijerg

slijpen sliepen

slijtage sleet; sliet; slietoazie

slijten slieten

slikken sloeken; slokken

slim begèst; begozzeld; betoefd; loek; loos; tuuk; jouker; gozzel

slim, te - af te kloug; te klouk

slimheid lozeghaid

slimmerik slieperd

slingeren slentern

slingeren (laten -) verslieren

slippertje slupertje

slobberen sloebern

Slochteren Slochter [Slochterder] (inw) [Slochter] (bnw)

sloddervos slodderboksem; slodder-kedoes; slodderlap

slof slop

sloffen schontjen; sloeren; slovven; strovveln

slok klok II

slokje klokje

slokop dikvreter; schimmelmuiter;sloekerd; sloekhaals

slonzig sjoekerg

sloof ol sottje

sloot, brede - graft

sloot, droge - wepengroupke

slootgraven sloden; slootjen

slootje dwaarsgeut; geude; geute; grup(pel)

slootje, afscheidings- geut

slopen sleupen; slopen; omgooien

slordig lapperg; onsjoch; onsjuch; slodderachteg; slodderg; roeg

slot (sluitmiddel) slot sloven slooien

sluik slok

sluimeren doddern; doeske(r)n;doezeln; döttern

sluipen sloepen; slupen

sluiper sloeperd; sluperd

sluis sluus; ziel(e)

sluisje, soort - klief; klieve

sluismeester omschutter; ziel-woarder

sluiswachtershuis zielhoes

sluitbalk middelpost

sluiten sloeten; sluten

sluithaak krap

sluiting sloeten: sluten

slungel leries:  slongel; slörm

sluw slaauw

smaak smoak

smaak, geheel zonder – gain lak of smak

smaak, sterk van - glïn(de)

smaak (zin) meug(e)

smak kwabs(e)

smakelijk smoakelk

smakeloos lebbeg

smaken smoaken

smaken, goed - mondjen

smal smaal

smart smaart

smartlap jaauwsterlaid

smeer smeer II

smeer (streek) fleer

smeerlap smiesterd

Smeerling Smilke (in t) [Smilker]

smeerpoets groetjetoet; voel-om-de-kop; voelepetoane

smerig graauw en groeterg; onhebbeg; smereg; smirreg

smid, vrouw van de - smidske

smiecht smaigel

smijten batsen; smieten; woepsen

smikkelen smikseln; sminkeln

smoesjes lapzakkerij

smoezelig smodderg

smokkelaar smokkelder

smullen bikseln; kam(me)lötten; smantjen

smulpaap lekkertje

snaak pioter

snakken snakken (verlangen)

snauwen graauwen; snaauwen: snoetern

snavel neb(be)

snee (snijwond) flaans; glots; glup(pe); joap; snip; gulbe; gulp

snee plak(ke) II

snee roggebrood (hele -) omsnee; omstok; rondom

snee, eerste - topgras

snee, grote - lub(be)

sneeuw snij

sneeuw, opgewaaide - jachtsnij

sneeuwbal snijbaal

sneeuwbrok klonter

sneeuwbrok (onder schoeisel) klos; koanzel

sneeuwen snijen

sneeuwen, zacht - grommen

sneeuwklokje menistenwitje

sneeuwklokjes noakende wiefkes

sneeuwpop snij kerel

snel sprekend bekjegaauw

snijbonen, soort - padliggers

snijden lubben; hippen; snieden;snienen; fieken

snijmoes snietjemous

snikken snokken

snipperen snibbeln; snippeln

snippertje snibbeltje

snoeien besnibbeln; snoien; snuien I

snoek snouk

snoep slik; slik-op-doem

snoep, soort - stroopkekaigies

snofep&n slikken; snoepen; snmen 1;snuipen

snoeper slik-op-doem(e)

snoepje, soort - baaltje; bekeetjes; ka-kallechie; kekaichie; kekaizie

snoer snouer

snoeshaan hibbel: snokkel

snoet snuut. snoet

snoeven broasken: brösken

snor snor(re)

snot snödde; snot I

snuffelaar sehoemer(d)

snuffelen snuvveln; snuvvelsnovveln

snuffelen (fig.) snuustern

snugger pool

snuisterij snorrepieperij

snuisterijen snipsnapsnoaren

snuit snoede; snoet; snuut

snuiten oetsnoeven; oetsnuden; snoeven; snuden; snuten

snuiven snoeven; snuven; snovveln

snurken snorken

soepgroente gruinte

soezen doddern

sok zok

soldij, - krijgen kien holden

somber triesterg; troesterg

sommige paardje; paardij

sommige(n) sommege; summege

soms aaltemet(s); aaltemit; admis; altmangs; altmets; asmangs; asmis; assmis; enkel(d); opmis; smangs; smis; smoads; soms; sumtieds; sums; tès; tiedels

soort oard

soppen tjoepen

souffleur veurzegger; instoeper

spaak spaik; spoak

spaander spaalter; spoan

spaargeld nustaai

spade, lange - stek

spade, soort - boor I; schowel; lep II

spalken spaalken

spannen, er om - der om baandjen; der om baandjern; der om goan; der om spantjen

sparen keuvern: spoaren

sparen (geld -) aankeuvern

spartelen spaddeln: spanhakken: spinhakken: spoddeln: sporreln: vrokseln

spat spitter: sputter

spatbord spadderbred: spidderbred;sputterbred

spatje smikje

speeksel spïj(e)

speelkaarten koart

speelkaarten (met afb.) popkoart;schilderkoart

speels wips

speels (v. paarden) eelsk; daarten

spek, doorregen - deurgruid-, deurregen -, deurwozzen spek

spel spul II

spel, bep. - tiepeln

spel, met noten of knikkers pikken II

spel, soort - verlösken spe), werp- metstenen bakjegooien; kaaibakjen; kaaikebakjen; kaai(ke)-bakken; kaaikeboeren; kaaikegooien

spel- elle-

speld spél(le)

spelen speulen

spelen, op de glijbaan - glieboantjen

spelen, vals - kraiveln; kraiweln; kriwweln

spelen, vals - (bij knikkeren) kutjen

sperwer blaauwvaalk; gaansoarend; vriekel

spichtig spielterg

spie luns; lunze

spiegel spaigel

spijbelen platjelopen; platlopen

Spijk Spiek (in) [Spiekster]

spijker spieker

spijkertje duker II; tingeltje

spijkertje, tapijt- kopdukertje

spiji spiel(e)

spijten begroten; moeien; muien; muiten

spijten, z. z. muiten

spijtig begrodelk; muidelk; muieg;muieik

spin spin(ne)

spinazie spinoazie; spinoazje

spinrag raag; spinraag; spinroai; spinrooi 

spitsmuis spiekermoes

spitssnavelig spitsbekt

spitten hoaken; omgroaven

spitten, de tuin - toenhoaken; toen-groaven

spleet glup(pe); lok I

splijten spaalten; splieten; spolten

splijten (door droogte) spoaken

splinter spaalter

splitsen splitsen; splizzen

splitsen (v. wegen) öftakken

splitsing (v. wegen) öftak

spoedig kort dag; gaauw

spoedig, vrij - gaauwachteg

spoelen spoulen; spuilen

spoken (: 't weer) spuzen

spook spoek; spouk; spuik

spookachteg spoukeg

spookfiguur borries

spoor (merk) prent

spotgoedkoop geefkoop; ge venkoop

spreekwoord spreekwoord, sprekwoord

spreeuw prutter; sprij; sproa; sprutter

sprei spraid; sprei

spreiden spraaiden

spreken spreken

spreken, lastig - brijen

spreken, snel en veel - rabbeln

sprekend, gebrekkig - haalfbeks; haalfbekt

springen, met gesloten voeten - drubbeltjen; drumpeltjen

springen, op beide benen - klinstern

springtouw taauwchieboge

sprinkhaan sprinkhoan; grashipper, grashupper; graswupper

sproeien spruien; spruilen; struilen

sprong sprang

spruit spruut

spruiten spruten

spugen kwakjen

spugen door de tanden - kwittjen

spugen, beetjes - spottjen

spuigaten spijgoaten; spuitgoaten

spuit spaaide; spaaite; spoit; spuit

spullen romtommelderij

spurrie (wilde -) wottergaauw

spuug kwakje spuug, straaltje - kwittje

spuwen kwakjern; rageln; spaaien; spijen

St Maarten sunnermeerten

St Maartenslichtjes suntermeertentuutjes

staaf stoaf

staal (metaal) stoal II

staal (monster) stoal I

staan stoan

staan, netjes - juvvern

staart staart; staarde; steerde; steert

staart, stompe - bolstaart

stad stad

Stadjer molleboon; mollebone; Stadjeder

Stadskanaal Knoal (op t) [Knoalster]

staken stoaken

staking stoaken

stal staal; stale

stalgoot groube; group; kougroup

stalmest groupmis

stamppot pot-eten; proeksel

stamppot bonen boneklont; hengste-praan; stopvaarf; stopvaarve; stokvaarf; stokvaarve

stamppot bonen (scherts.) noga

stampvol barstendevol

standje bukken; òfjacht; sjars

stang staang(e)

stank stinkerij

stap stap

stap, grote - voam

stapel stoapel, bult

stapel, wankele - taaiber(d); taaiterd

stapelvak (in boerenschuur) goal; golf; golve; goul

stappen (met grote passen) paauwen; poazen

Startenhuizen Staartenhoezen (in) Staartenhoester]

station stoatsion

stedeling (scheld.) vlinthipper

Stedum Steem (in) [Stemer]

steeg gat; gloep

steek onder water drokker; spieker

steekmug neefke; nefie

steel foam III; stoal(e)

steeltjes, ogen op - ogen op stoaltjes

steen knis; stain

steenbakken tiggeln

Steendam Staindam (op) [Staindamster]

steenpuist bloudvin; negenoog; stainswèl(le); stienpuust

steiger staaiger

steigeren blentern; staaigern

steil staail

stekeblind stokblind

stekel stiekel

stekelbaars stiekelpor; stiekelspoor; stielsporen; stiekelstaartje

stekelvarken egelkouerte; stiekelien; swieniegel

steken steken

stekje òfsteker; òfzetsel; òfzetter; stik

stekken stikken

stelen gappen; nasjen; nasken; nastern: neppen; stelen

stellig gerust; vervast; wizze

stelling stellen

stelt stelde; stelt

stengel stoal(e)

ster steern II

ster (in het ijs of glas) poepsteern

sterfelijk staarvelk

sterk maans; mannelk; mans; staark

sterker meder; meerder; staarker

sterrekundige steernkieker

sterven staarven, starven

steun schoor

Steven Stevven

stevig droes

stiefmoeder staifmouder; staifmoeke

stiekem stutjes; gloepstreeks

stier bol(le)

stijf stief

stijfkoppig stieflcopt

stijfsel stiefsel; stiezel

stijven, met stijfsel bewerken stieven

stikken stikken

stil smoegerg; stil(le); tuk

stil (in de natuur) lusterachteg; fluusterg; heur

stilte stilleghaid

stimuleren aanpeerdjen; oppeerdjen

stinkei gob-aai

stinken kaainen

stipt prooi; stip

Stitswerd Stivverd (in)[ Stivverder]

stoeien