Nederlands - Gronings
Dit is ingescand met "OCR " dus daar kunnen wat kleine foutjen in zitten!
E-mail mij even als er fouten in zitten.
|
Aagje, nieuwsgierig - Oagje nijneers aaien fleren; aaien aak oak(e) aalvork (oal)toek(e) II aambeeld ambolt aan aan aanbevelen (aan)rekomdaaiern aanbrengen; aanbrengen aandrift schroal, schrol aaneen, snel - achterrad aaneensluiten, planken - drieven aangaan (school) ingoan aangebrand broaderg; zangerg aangebrand, sterk - sangerg; sengerg aangenaam noflek aanhalen florren aanhoudend (: regen) slicht aanklampen aanrandjen aankleden aanboeien; aanbòien; aanklaiden; aanredden; aantrekken aankleden, netjes - opbòien; optugen a anleiding aanlaaiden aanloop, plotselinge - roam aanmanen moanen aanmaning aanmoanen; moansedel aannemelijk aannemelk aanpakken, fors - tamtaaiern aanprijzen, opdringerig - aanprietjen aanprijzen aanzuiten; aanpriezen aanraken aankomen aanrecht schuddelbaank aanreiken langen; aanlangen, toulangen aanschaffen aanschavven; aanstellen; toustellen aansporen aankittjen; aanpeerdjen; peerdjen; peerdken aansporen (schrift.) aanschrieven aanspreken aantoalen aanspreker laidaanzegger; lijaanzegger aanstaande ankom aanstalten kloareghaid aanstalten maken reeuwen aansteken, vuur - (aan)buiten aansteken aansteken; aanstellen aansteller maalderd aanstellerig eelsk; hebbelachteg; hui aanstellerij maalstoatsies; mettereg-haid; metterij; meneuvels aanstelster maalfots(e); eelske Wiebel; eelske medde; eelske met; eelske mette; hibbel; oelepetoet aantal koppel; loag(e) aantikken (fig.) aanlopen aantikken, erbij - aankrummeln aanvaarden aanveerden; aanvoarden aanwijzing aanwies aap oabe; oap(e) aar eure; oar I aard oard aardappel eerabbel; eerappel; tovvel aardappelrooier kraber; ruder aardappel rooster modderreuster; modderzeef aardappels kedonzels; kedovvels aardappelschilmesje koapmeske; koapke aardappelzeef raasp(e); reuster; hor aardbei eerbaai; eerbij; eerdjebij; ittje-bij aarde (planeet) eerde aarde (stofn.) eer; grond aarde (zwarte -) modder aarde brengen over aaneerden aarde over 't land brengen eerbultjen; eerminnen aarden (bnw) eerden aarden noaturen; oarden aardewerk diggel; diggelgoud; staingoud aardgeest graauwke aardig oard aardig nuver; oardeg; orreg aars neers, neerze aarts- eerste aartslui stailui aarzelaar mietje aarzelen druddeln; druljen; druilen; drutjen; drutten; oarzeln; druntjen aas (in kaartspel) hoas; oas aas (prooi) oas abeel, witte witblad Abel Oabel Abraham Oabram absoluut zekerwoar accent bakkenbrüg
|
accepteren apsepteren ach hai acht (telw) aacht(e); acht achter zijn noagoan achter(aan) achterwegens achteraan achteraan achteraan, er - der achterheer; der achtertou achteraf (: van de weg af) achteroet achterdeur (van boerderij) baander (deur); baansder(deur) achterhalen, de waarheid -1 rechte gewoar worden achterlijk achteraan; achteroet; achter-uut; achterhek; slicht achtermuur (v. boerderij) hogemuur achternaam foam II; stam; tuddel; tuttel achterop in t achtern achterste achterborst; achterkestail; blode batterij; flottjebaarg; fotse; konde; kont; moars ; moarze; poepgat achteruit achteroet achteruitgaan achteroetboerken achteruitgaan (ondanks insp.) achteroetkraben achteruitslaand, plotseling - weeps; wepeg achterwege achterweeg(s); achterwegens achterwiel achterrad adel oadel adelaar oarend I adem oam; oazem; poest I adem, buiten - achter oam; overoameg; achter poest ademen oamen ademen, diep - sieken ademstoot poest I ader oader; oar II Adorp Oadòrp (in) [Oadòrper] Aduard Au werd (in) [Auwerder] Aduarderzijl Auwerderziel (op) [Auwerderzielster] advocaat (beroep) avvekoat advocaat (drank) tuutjebrij af (bnw) bestòt; doan af (vz) of af- òf- afbeulen, z. z. moorden; z. verbeulen; z. vermoorden; z. wurgen afdingen pottjen; prietjen afdoen, vlug - besteuten afgekalfd melk afgelopen doan; oet; òflopen afgericht worden beleren afgeroomd vloot afgescheiden òfgeschaaiden afgeschut vredeg afgeven òfgeven afgrenzen rastern; schutten afgrijzen òfgries afgunst pikanteghaid; òfgunst afgunstig nieds(k) afhalen, bonen - boontjedroaden; droaden; bonen punten; bonen streupen; bonen stroepen; bonen strupen afhangen (puntig -) tippen afkeer groul; mier; òfkeer afkeer voelen z. griezeln; z. schudden afkerig mies afkerig worden van verstingen op afkoelen bekleumen aflopen ofkaalven; òflopen afmeten (met voeten) pootjen; voutjen afmeten (v. land) treden afmeting moat I afnemen in kracht soaien afnemen, geld - roebeln afnokken opkròzzen afpakken òftjoenen; òftjoeren afraffelen berabbeln; òfravveln; òfrovveln afranselen deurnaaien; òftiggeln; òftroeveln; omnaiten; omtiggeln; omzeumen; troeveln; truveln africhten beleren afrikaantje (plant) oafrikoanen; tudeltoanen afrossen verpoltern afschepen òfzolten; òfzoltjen afschutten vredegen afschutting vredeging; vreding afschuwelijk aldervrezelkst; aleriezelkst; ofgruwelk afsnauwen òfrovveln afspreken òfproaten; verhakseln; verhakstukken; verhapstokken afspringen, onhandig - rugeln afstand òfstand; verschait afstap stoup(e) afsteken (v.e. wal) òfwalen
|
afstoffen oetstubben; òfstubben; stobben afstropen strupen aftrekken òftrekken aftroggelen òftoeken; òftokken; òftroggeln afval dus(t); duust; haid(e); korries; òfgeval; òfval; zammelgoud afvallen òfvalen afvoerbak klinsbak; klinzebak afwachten aankieken afwatering raaien afwijzen kitsen afwinden (v.e. kluwen) òfklounen afzetter òfzetter; vilder afzonderlijk absörd; apaart akelig oakelk aker (emmer) oaker akkoord, een - sluiten akkedaaiern; akkoordjen aks ekse; eksebiele aktief iemeg al al al(les) aal al, het - aal Albert Aalbert algemeen aalgemain alhoewel aalhouwel; allewel allang allaank; allaank al; laank al allebei aalbaaiden(t); baaiden(t) alleen allain; allaint; allènt; allinneg; bloots allemaal aalman; aalmoal; aalpmoal; aaltemoal; altmoal; apmoal allemaal (grof) aaltenbliksem; aal ten-donder; aaltenduvel allemachtig allemachies; blinder aller- aalder-; alder-; aller- allerheiligen adrillen allerlei hakkemak en nikkenak; hakkemak en vegezak alles alens als aans; as Alteveer Alteveer (op t) [Alteveerster] altijd aaid; aaltied; aaltieden; aaltieten; hailtied(en); haitied amandel mandel; mangel; mantel amen oamen ammoniak vlaig-op; vluig-op amuseren, z. z. verdievendaaiern; z. verdieverdaaiern; z. vernuvern Andel, Den - Naandel (in) [Naanster] ander, een - (persoon) aanderman, n – ander aander anders aans; anders; aanders andijvie andievie angel ang; angel anjelier filedde; filet Annen, Sint - Sunt Annen (op) [Simt Anner] antwoord antwoord; beschaaid apart ampaart; apaart apekool appelkoolkwint; kouk mit krenten Apel, Ter - Troapel (op) [Troapelder] Apelkanaal, Ter - Troapelknoal (op) [Troapelknoalster] apotheek aptaik; janlap apparaat apperoat; fermik appel abbel; appel appelmoes appelbrij; (appel)smots appelsoort jeupen; kalvien; keviel; kleviender; laange zuiten; laange zuren; noageltjes; arrediezen; pladde jaantjes Appingedam n Daam (in) [Damster] april april; pril arbeid aarbaid; waark arbeid, harde - schrip argeloos ongeaargd arm (znw) aarm arm (bnw) aarm; koal; noakend armoe kraab-op-de-noad; aarmou; aarmoud(e) arreslee belslee; looike as aask(e) as (draai-) as; azze asbak aaskebak asjeblieft dè; dèr Atlantische Oceaan Grote Gapperd augustus, 28 - n achtentwintegsten autobus bus; onnibus averechts onrecht avond oavend avond, lange - n oetgespierde oavend Avondmaal Nachtmoal avonds, 's - oavends; soavends avonturier oaventuraaier avontuur oaventuur |
|
baal boal(e) baan boan(e) baar, draag- boar(e) baard board baas boas baas, de - mesterabt; abt en voogd baas, de - spelen kawalter speulen; kebalter speulen babbelaar teut babbelaarster lèl(le); rabbeldeus; rabbelkoar(e); revelkoar babbelen jaauweln; kekeln; kolsken; kwedeln; teutjen; tjaauweln babbelkous fladdergat baby popke; poppie; potje; lutjeke babysitten potjepazen babyvoeding (melk, brood, suiker) potjepap bad (goedkoop -) loezebadje baden boaien Baflo Bavvelt (in) [Bavvelder] bagage begoazie; begoazje; pakjede-rij; pakkeloazie; pakkerij; pakkoazie bagagedrager pakjedroager bagger bagel; baggel baggeren bageln; houken baggerstok laaikbeugel bah harrebakkel; harrekakkel; harregat; hoeregat; jakkei; ulk baken boak(en) bakken bakken bakkersvrouw bakkerske bakschol broadschol bal baal; bale baldadigheid keroazie balie boalie balk baalk(e) ballast ballast; ombaalgen balsemien springzoad band baand bang baang(e); bange; buizeg; bunzel- achteg; bunzelg; verveerd bang worden z. ververen bangerik baangschieter(d); bangeschieterd; duurbloud; schieter(d) bangheid baangeghaid banjeren birzen; fokseln bank baank(e) barbecuen dik-doun-in-toen Bareveld Boareveld (op) [Boarevelder] bark baark II Barlage Ballege (op) [Balleger] barsten barsten basisschool grondschoul(e) basterdsuiker middelsukker baten nutten bats woeps(edie) bazuin bezuun bebroed (eieren) voel bed bèr(re); kaziematten; loender; mitte bed, naar - aan zied bedaard bestendeg; loek; stoadeg; stoareg bedacht op vervat op; verdocht op beddenplanken (voor matras) tielens bedeesd bedèsd; schoamachteg bedekt met dakpannen paandekt bedelaar schooierlapzak; nachtbidder bédelen schontjen bedenken oetbedenken; oetfigelaai-ern; opbedenken bederven bedaarven bederven (v. melk) karreln bedisselen beduzzeln; kloetjebakken bedlegerig legerachteg bedoelen bedoulen; mainen; mienen bedoeling bedoulen bedorven gaalsterg; galleg; versloagen bedorven, licht - aanstoken bedreigen bedraaigen bedremmeld luddek; luk; sloeps bedriegen bedraigen; bedriegen; be-lotjen; bemietern; knooien; neppen; smiegeln; verneuken bedrieger kraivelder; laplander; lapperd; schobberd bedrijf boudel; bedrief bedrijfsleider (beperkt bevoegd) kon-terboer bedrijvig kiepeg, kieperg bedroefd bedruifd; heun; muieik bedroefd, meer dan - allerbedruifdst bedrog bekukelderij; lapperij; verneukerij bedtijd bèrgoanstied; bèrregangerstied Bed urn Beem (in) [Bemer] beëindigen deurzetten been bain; bien been,grof - schonk been, op de - baineg beentjelichten baintjewippen; knikkebaintjen; pootjeflippen; pootjen; striekjebainen beer beer beer, gesneden - orkebeer; ortbeer;ortjebeer Beerta Beerte (in) [Beester] Beerta, Nieuw - Hörn (in) [Hörnster] beest baist; mager - bonk(erd) beet beet beet (vissen) biet beetje bedie; biet(je); snittje; snobbeltje beetje voor beetje eten, bestellen e.d krummeln beetje, een - flortje; flottje begerig grabeg; groapeg; begereg begerig naar, zeer - vergrèld begerig, zeer - verbraand begin begun begin, het eerste - aanbegun beginnen begunnen; hingoan; (der) in vegen; aangoan; aankomen begrafenis begraffenis; begraftenis; begroafenis; udegst(e); utegst(e); uterst begrijpen vuilen; begriepen behalve as; behaal ven behandelen, slecht - offrontaaiern behappen behandjen beheer keduks(ie) behept berèd behoefte behuifte; verlet behoorlijk (bnw) adinlek behoorlijk (bw) mooi behoren heuren behulpzaam (be)hulpzoam beide baaide beide(n) baaid; baaidegoar; baaiden(t) beitel baaidel; baaitel bekend bekind; kundeg bekeren veraandern bekeren, z. z. omgeven bekeuring persès bekladden beklaaien; beklaren beknibbelen op bekrinzeln bekomen valen bekomen, slecht – miskomen bekonkelen bekonkelfoezen; bekonkeln bekrompen keudelg bekvechterij kifkederij bel bèl(le) bel (op slee) kluunder; kluun bel, water- bobbel belanden (aan)belanden belang pertansie belang, van - dat wat is belangstellende laifhebber belasting belasten; sinzen belhamel belhoamel; belhoamer believen blaiven; blieven bellen blazen bobbeltjebloazen; brobbeln Bellingwolde Bennewolle (in)Bennewolster] belopen belopen beloven touzeggen; verzeggen bemesten misken; mizzen boemoeial aalbestel bemoeien, z. z. bemuien bemorsen beslaintjen benauwd benaauwd beneden, naar - omdeel; omdele; ombeneden benen, lange - laange lempers benepen beknepen bengelen pongein benieuwd benijd; nij benieuwen benijen; nijen; verwondern benijden benieden benul vernul bepaald (bw) hailewel; kant; zuver bepalen, z. z. bepoalen beramen beroamen berde, te - op batterij beredderen beslofken; beslovven bereik berek bereiken (Itk) berekken (fig), bereiken, berieken bereiken, hoogste punt - (huizenbouw) richten berg baarg(e) bergen baargen, bargen bergplaats hilt(e) II; hude(r) bergruimte schap bergruimte (in schuur) vak bericht tieden berisping inzeggen; rovvel berk baark I; baarkenboom berm baarm; barm; daipswaal; daipswale Bernard(us) Benaars; Naarsie beroemd vernuimd beroep affeer; affere; vak beroep (op dominee) beroup beroerd mieters; bemieterd beroeren beruiern beroerling lamlul; lamswans; lapswaans berouw beraauw berouwen raauwen; muiten berusten z. deelgeven bes baai; kraal; krale bes, rode - aalbeer; aalbeern beschadigen beschoadegen; knooien; schandaaiern; schanzeren beschaduwd schareg bescheiden bekweem(kes); beschaaiden; miedsk beschermen beschaarmen beschuit bak; beschuut; twaibak; twijbak besjesgort krïntjebrij besjoemelen besjaggeln beslaan besloagen besluiten besloeten; besluten; rezelvaaiern besmettelijk besmeddelk besmetten aanpoten; aansteken; aanpoken besmeuren fleren; (be)gleren bespieden belakschaauwen; lak-schaauwen bespringen beroamen best, z'n - doen (der) in vegen bestek, zuinig - krapmoatjeswaark |
bestelen reupen bestellen komdaaiern bestorven besturven betalen betoalen; liek moaken; uutbulen betalen, teveel laten - scheren betekenen beduden; betaiken beter beder; beter; kloar beteren aanwinnen; optakken; betern beteren, langzaam - aanbetern beteuterd befoesd; befoezeld betoveren bekeukeln betraand troanderg betrappen trappaaiern; trepaaiern betrappen, op heterdaad - overlopen betreffen aanbelangen betreft, wat dat - doarvan; van dat betrekking ploats(e) betrekking stee betweter oversnoever beuk buikenboom beuren inbeuren beurs boekzaik beurt beurt; toer beuzelen fietern; fietjen bevallen, goed - mondjen bevelen bevelen bevinden, z. touholden bevreesd schoamachteg bevriend, goed - groot bevriezen vraizen bevroren verroren; vervroren; vroren bevuilen, z. beslintern, z. bewaarplaats (geheime) ude(r); uter bewaarplaats (v. spek, worsten, hammen enz.) wiem(e) bewaarplaats voor vis bun(ne) bewaarplaatsje uudje bewaren opbewoaren bewegelijk wif; wips bewegen wemeln; wippern bewegen (, z.) reugen (, z.) bewegen (v. vloeistof) golpen; gob-beln; gobben; govveln bewegen, druk - wimmeln; windjen; wummeln; aargewaaiern; aggewaaiern bewegen, heen en weer - bakkeln bewegen, steeds - weven; wielewoa-len; weefken bewegen, z. vlug - snieden; snittern beweging (in vastgezet iets) verwiek beweging, vlugge - snidder; snitter bewegingen maken schamzaaiern; schanzaaiern bewegingen maken, snelle - vlaigen bewegingen maken, veel - schaarmen beweren van noazeggen bewerkelijk bewaarkelk; waarkelk; waarkzoam bewimpelen (fig.) lapzaalven bewolkt (dreigend -) bulterg bewusteloos sevveloos bezem bezzem bezemsteel bezzemstoal; bezzemstok bezigheden dingzegheden bezigheid oaventuur bezinksel grom; prut; prudde bezit bullen bezit, gemeensch. - maan; maande; mandegoud; mane; manne(goud) bezoek bezuik bezoeken bezuiken; gastjen; óverkomen; verziedjen; verzieten; veziten bezoeker proater bezorgdheid liefzeerte bezorgen öflangen; bezorgen bezwaar bezwoar; swoareghaid bezwijken bezwieken bezwijmend, bijna - beswiemachteg bidden beden; bidden; handen vollen bidden (van vogels) wiekeln bidder beder biechten bichten bieden baiden, bieden Bierum Baaierm (in) [Baaiermer] biest baistemelk; hot biet bait big big(ge) bij \vz) bai; bie; bij bij | znw) iem(e) bij dag overdag bijbel biebel bijdehand astrant; biederhaand; gozzel; kibbeg; kiebeg; kiepeg; kieperg; klouk; toek bijgebouwtje (bij boerderij) beuterij; stookhut; stoookhok bijl biel(e) bijl. grote - akse(biele) bijl. soort - heksebiel(e) bijlichten lichten II; luchten bijna benoasten (bie) bijna glad; hoast; host; kaar; kant; krap-aan; oast; schier; schroa aan; schroa bie: schroal; sikkoms; aan; benoasten (bie); sikkom bijna zover aan tou bijsmaak met - aikeg; aikerg bijster biester bijt bit: eendebit bijten bieten bijten (naar de hakken) hakkebieten bijten, beginnen te - aanbieten bijten, onverwacht - gnaauwen bijten, proberen te - graauwen bijtlustig biets(k); nippel I; nibbel I bijverdienen touverdainen bijvoer (extra -) toevoer; touvouer bijvoeren touvouern bijziend stikzaind bijzonder biezunder; briek bikken bikken binden (, koren -) bienden; binden bindstro baand binnen binnen binnendijk koadiek binnenhalen inhoalen binnenkort eerdoags; eerstkans; kortens; körtens; korts; korts; nijsdoags; verdan; veurdan binnenplaats blink biscuit meelkoekje bits pikant blaar bloar(e) blaarkop bloar(e); witkop blaas bloas; bloaze blaasbalg bloasbaalk(e) blad, lokaal - bokkeblad; bokkekraant bladeren bladjen; bloadern; bloadjen bladstil blak(stil) . bladzij bladziede blaffen blavven blank blaank blaten blèrren blauw blaauw blauwmaanzaad moanzoad blazen bloazen; poesten bleek blaik; bliek; blier; heun; witbekt bleekveld blaik(e); bliekveld bleken blaiken; blieken bles snof; snuf bles, een - dragen blezzen blij blied(e); bliedeg blijdschap bliedschop Blijham Blijham (in) [Blijhamster] blijkbaar schienboarliek blijken blieken; oetblieken; z. oetwiezen blijven blieven blikkerend blik bliksem weerlicht; weerlocht bliksemafleider dunderket bliksems bliksie(koater) blind (vensterluik) blin(ne) blindemannetje spelen blinddoukjen bloed bloud bloeden blouden; bluiden; bloeden bloedworst bloudworst bloei blui bloei, volle - vloag bloeien blaaien I; bluien bloem blom; bloum(e) bloem (div.) kaddestaart; kaddesteert bloem worden bloumen bloemen kweken bloumken bloemen, het geheel van - bloumkederij bloemenkwekerij bloumkederij bloementuin kruudhof bloemist blomkeder; bloumkeder bloemknop bluiknop bloesem blözzem; blui; bluizem blok blok Blokum Blokum (op) [Blokumer] blos blos bluf machtspreuken; windmoakerij; snakkerij bluffen baldern; bluvven bluffer blaskont(erd) blussen bluzzen blut buuls; dop; kaps; koal; koalop; kaps; kups; lutters; rut; verlud bochel boggel bocht bocht(e); boggel; draai; krui bocht (in kanaal e.d.) omdraai; öfdraai bod bod bodem bome II; boom II bodemslijk blaauwbragel boeg boug boek bouk boeken, verzameling - boukerij boekweit boukwaaide; boukwaait boekweit- boukwaaiten- boekweitegort boukwaaiten jaantje boel (hoop) barrel; kluit boel, dwaze - gekkenspul boel, smerige - sjompboudel boeman appeboesjeude; beuzebelder; boesapperd; boesjeude; boesebelder boeman, soort - boare boender bounder boenen bonen; bounen boer, een - laten bolken; korken; körken; kurken boer, slordige - kröddeboer; kweek-boer Boerakker (op de) Boerakker [Boerakkerder] (inw) [Boerakker] (bnw) boerderij boerenploats(e); boerenspul; ploats(e); spul I; stee boerderij (met uitsl. weigrond) gruinlaandsploats; gruinploats boerderij op dalgrond daalploatse boerderij voor landbouw baauw-ploats boerderij, deel v.d. - kaarnhoes; middelhoes boerderij, type - staarthoes; stölp-ploats; Oldambtster ploats; dwaarshoes boeren boeren; boerken boerenknecht middelste; middelvent |
boerenknecht (eerste -) veurganger boerenknecht, jongste - lutje knecht; lutje vent boerenkool laankmous; moes; mous boerenkool (scherts.) mozes boerenkool, soort - bladjemous boeren laan ree; reed boerenvoorhuis, soort - laankhoes boerin vraauw boers boers boete boete; boute; buite; breuk boffen bovven bok bokkeraam; bokram bokking bokken; bukken bol (broodsoort) böl(le) bol staan oetboeken; oetbulen bolletje, soort - mik; swoan-ien-t-nust bom bom bom ijs bomelies; bonkies bonedraad rang bonen, gezouten - sullebonen; zuilebonen; zultjebonen bonen, soort - krombekken bonen, stamppot - cement; boneklont, stokvaarf, stopvaarf bonensoep boontjenat bonzen bomzen boodschap bodschop; bosschop boodschap, zgn - pisbosschopke boog boge; boog boog (schietwapen) flitseboge; flitse-boog; pieleboog; spanneboog boom bome; boom I boomstomp stob(be) boomstronk strompel boomvruchten, resterende - zammel-goud boon bone; boon boor boor I; bore I boord boor II; bore II boordevol boornstevol; smoorvol boos bremsterg; bromsterg; does; duuster; grèl; lèlk; maal; mies; vaals; vrang; glin(de); spans; voel boos, wat - kriegel boos, zeer - verbraand; vergrèld bord, houten - bred boren boren borg börg(e) borg staan bokje stoan Borgercompagnie Börkomnij (in) [Börkomnijster] borgheer meneer Borgsweer Börgsweer (in) [Börgs-weerster] borrel drupke; houstje; klokje; oustje; zeupke; heldertje borrelen brobbeln; goddein; gorreln borstel bozzel borstel, soort - roevoester borstelen bozzeln borsteltje laampepoester(d) bos bos(k) bos (stro) groede; grude bos, dichte - doest bos, verwarde - toest bosje foske; fosse bosschage boskerij bot bodde; bonk; knoak boter bodder; botter; budder; butter boter, kaas en eieren hok-stok-blok; tik-tak-tun boterbloem botterbloum(e); butterbloem; euliebloemke boterham brog(ge) II; brug; stoet(e) brug; studebrug; stutebrug botje bij botje hutje mit mutje Bourtange Boertang (in) [Boertanger bout (ijzer-) bolde; bolt bouw (van huis en land) baauw bouwen baauwen bouwland vaalg bouwterrein haimstee bouwvallig brekvalleg bovendien bie tou; boetendat; boeten-des; butendien bovenstuk kap(pe) box loophek braak broak; vaalg braakland zummervaalg braam (op schaatsen) droad braambes brommel; brummel braamstruik brommelbos braden broaden braken breken; spijen brand braand brand, in - steken oplontjen branden (v. stro e.d.) luchten branden, doen of gaan - oplichten; oplochten; opluchten branderig branderg brandewijn branwien brandewijn, soort - rladderak; schillechie brandnetel branneddel; brannekkel brandstof braand brasem broazem I breed braid; bried Breede Brij (op) [Brijster] breedte bredte breedvoerig braidvoudeg breien braaien; prikken breinaald praim(e) breipen priem breiwerk braaien breken breken; mestern breken (scherts.) lappen II brengen brengen; bringen bretel hulpzeel, hupzeel; lits(e) brief braif briefje sedel; setel brievenbus klipgat brij van melk melkenbrij bril bril(le); fok(ke) bril dragen, een - brillen brildrager brillesteern Briltil Bril (op) [Brilster] broche bros broddelen bröddeln; bruddeln broddellap broddellap broddelwerk lapperij broeden brouden; bruiden; broeden broeds bröds(k); bruds(k); kloks broedsel bröd; brudsel broeien braauwen; bruien broeierig baag; bage; brudseg;bruieg; bruierg; bruisk; maag; maarg;smoesderg; smoezeg; zwoul broek boksem; broek broek, ouderwetse - toerzak broek, wijde - wiedewaal broek, zondagse - oetlopersboksem broekzak boksembuus broer bruier; bruur brok kloet; laarp bromfiets plof(fiets(e)) brommen neudeln; neulen; neuren; neuteln brommerig nareg; norrel brommig norreg brompot nirt; vranter(d); vrant(er)pot bromvlieg brommer; droager; droaver bron wèl(le) bronstig willeg brood stuut; stoet brood(je), soort - achterling brooddronken brokkel; maaldaarten: vretendaarten brooddronkenheid broodkrummels; midwilleghaid broodje (div. soort) pof; duvekoater; schoot II broodmager spiekervet broodmes dikmès bros brokkel; bros brouwen braauwen brouwen (de r -) brijen brug brog(ge) I; brug brug(getje), bep. - badde; bat(ten) brug, draagbare - tilbat brug, houten - til(le) brug, soort - boge; boog bruggetje zonder leuning juk bruggetje, smal en hoog baalkje; hooghöltje; hoogvonder bruidegom brudegom; brudeman bruiloft brulof(t) bruin broen; bruun bruinig toanderg bruisen broezen brullen brollen; brullen brutaal astrant; strebant; stroabant bui bui(e) zul (tig.) schroal; schrol buigen boegen; bugen buigen, z. nederig - kaddepokkeln buiïg roezeboezeg buik buuk; lief buik (v. potten e.d.) boek buigezwel vlaaisboom buikpijn liefzeerte buil boel(e) buitelen boideln: böltern buitelen, doen - koatsken buiten boeten; ien boeten buten boetdeur(e) buitenaf. iem. van – boetenòfster buitenbeentje boetenbainder; oetoarder buitendijks land uterdiek buitengewoon alderduvelst; allernoast; deur-in; oet de kiek; meroa-kel; oeterniedsken; öfgerakkerd; on-neuzel; swiet buitenkansje binnenbeurtje; n mooi oepke buitenlui boetenlougsters buitenspel gaan staan schoefie-, schoffie loeren buitenzijde, aan de - boetenom bukken boeken; bokken; doeknekken bulderbast bolderbak; bolderboksem bulderen baldern bult boel(e) bult (hoop) buide bundel bendel; bundel; top bundeltje knoedel; koedeltje bungelen bongein bunkeren buvveln buntgras piont bunzing bunzei; meert I; mud; ulk; urk burcht borg buren zijn noabern burgemeester burgmeester burger borger bus bus bus (trommeltje) buzze button blikspeldje buurboeren laandnoabers buurman noaber buurt noaberschop buurvrouw noaberske
|
|
castreren lubben; luppen catechisatie kezoatsie; leren; vroagleren catechisatiekamer leerkoamer CD (schijfje) spaigelploatje cement cement cent sint chaos haalterkwaalter; toesnust; toesternust; toezeboudel; wareboudel chocola sokkeloa; sukkeloa chocolade- sukkeloaden
|
chocoladekoekje, soort - niknakkoekje cichorei sokkeraai cijfer siever citroen sitroun cognac kejak collecteren oplopen combine kombain(er) commanderen komdaaiern; kommersietsen commissie kemizzie |
compliment kompelment; kompelmint complot komplot concubine klongel condoom, kledderpuut; sleupie; Klodderpuutje contact verslag corduroy kestuutsiekoor; konnerstuutsiekoor; konstuutsiekoor; konterstuutsiekoor; streepkoor; striepkoor; striepkoren; stuutsiekoor; triepkoor Cornelia Kee; Kneel Cornelis (Cornelius) Kneels; Kneles crackers, soort - knappertjes Crangeweer Cramweer (in) [Cramweerster] |
|
daag dö; doehoe daags doags daar doar; dör daar(zo) doarzo(ot) daar dan dè daardoor zodounde daarom doarom daaromtrent doaromtou daarvan doarvan dag daag; dag dag worden doagen dag, de volgende - aanderdoags dag, elke - doags dagelijks doagelks; aal doage(n);doaglieks dag koekoeksbloem meulentje dagvlinder, bonte - schoulapper; schou(n)moaker dagwerk dagwaark dakkapel aarkenail; akkenail dakpan paan dalgrond daal(grond) nw dam daam; dam dame, stadse - stadsmamsel dameslaarzen leerskes damp, vol - smoreg dan (voegw) as dan (bw) den; din dank (u) daanje dankbaar dankboar dansen daanzen; dansen dar dörm darm daarm darmkronkel daarmslinger; kinkel in daarm dartel daartel; daarten; midwilleg; vervreten; vlaigachteg; vlaigerg; wepel das daas; das; daze; dazze; strik dashboard meterbred dat as dat voegw dat (zelfst.) dadde datum doatum datum (vragend) mennegsten dauw daauw dauwen daauwen daveren daldern; doavern David Doaved; Doavied de d'; de; e december december; dezember(moand) deeg daig(e) deel dail; paart; petuur deel v.h. huis, achterste - achterhoes dekken (v.e. paard) bespringen dekken (v.e. stier) speulen deksel lid II delen haalfstoan delen, gelijkelijk - paarten Delfzijl Delfziel (in) [Delfzielster] denken denken; dinken; miemern denkbeeld denk derde daard; daarde(rt); daarders dergelijke(n) zukken(t); dijen(t) dertien dattien dertig daarteg; dareg; datteg desalniettemin doarom desnoods noodziend(e); noodzijnd(e) destijds destieds; doudestieds deugd, lieve - laive tied, - toetpot deugniet deugennait; japperd deuk boet; deuk(s); duup deur deur(e) deur, zelfsluitende - snapdeur deurstijl stiel(der) deze dis-; dizze deze(n) dizzen(t) dezelfde ainder; aigenste diaken dioak; joak dialect plat diarree deurgang; loop; schieterij; spaalkerij diarree, in - löslieveg dicht dicht(e); tou dichtbij deun bie; dicht bie; drong aan; kort bie dichtbinden toubinden dichtgroeien touwazen dichtknijpen, ogen half - kuren dichtmaken slempen dichtopeen dichte as hoar-op-hond die dai; dij; dijen(t); dije; de dieet taks dief daif dienen dainen dienst dainst dienst, militaire - dainst dienstbetrekking dainst dienstmeid maaid diep daip diepte bedèlte; dèlte dier(en) daaier dier, groeizaam - dijer dier, losbrekend - baloor dier, oud - strint; strinde dier, vr. - mouer I dij bil(le) dijk diek dijk, buitenste - uterdiek dijkjes riemkes dik (v. gezicht) dieneg; plotseg; ploz-zeg dik (v. vloeistof) gobbe; lobbeg dik worden opdienen dikkedakken smiksmakken; smikseln dikkerd, stugge - daiterd dikkop (scheldn.) bobbekop; bobbelkop ding (waardeloos -) fermikke ding, duur - duurgelder ding, een of ander - fermik; karrie-farrie; dingerais ding, groot - grode; plunt; woepsterd ding, lang - hiemham ding, log en dik - dodde ding, misschien nuttig - tepas kommerke ding, oud (en verbruikt -) old baistje ding, oud - knaar; knaster; schebrak; öl strieder |
ding, slecht - minne ding, vreemd - fertuut; vermik; vertuter Dinges Homko; Homkool; Homkoos; Homko van der Hommes; Van der Hommes; Hommesko; Homskool; Jan Paiter Oepkes; Omkool; Ongkool; oom Kool dinsdag deengsdag; deensdag; dingsdag; dinsdag direct doadelk; doalek; doalkies; doals; doaltjes; geliek(s); op haand; op slag; op stond(s); vot; votdoadelk;zogelieks;dissel(boom) duzzel(boom) distel schaarbe diezei; doornstiekel; stiekeldoorn dit (zelfst.) didde dobbelen bomzaaiern; dobbeln dobber dobbel; dobber; hangeltopke;top(pe) dobberen dobbeln; dobbern I dode punt, over het - over domp doek douk doel doul; oogmaark doen doun; doen; ommaans hebben;oet t stro zetten doen (terloops -) woarnemen doen, het onmogelijke - heksen doen, niets - geniks doen, snel - beroamen doffer dovver(d); oarend II dokter (scherts.) kwak dokteren mestern dol dol dolgraag stommegeern dom ozzeg; slicht dom ogend dodderg domheid slichthaid dominee domie; domnee; domnij; doomdie; doomnee dominee (scherts.) preekheer; preekvent domineesvrouw domneeske; pestoorske dommelen doeskern; doddern domoor kou; okse; onverstand; otte; stovvel; kounavvel; odde; lót donder dunder; grommel donder, op z'n - op t jak donderdag dunderdag donderen dundern; grommeln donderslag, knetterende - knitterslag donderwolkje swaalke donker graauw dood pijger dood (scherts.) mottje doodgemoedereerd gemoedeik; ge-moudelk; trankiel doodgoed deurbest doodsbang schietensbenaauwd; vuurbaang doodstil (i.d. natuur) nosk doodziek deurzaik; doodzaik; stoefzaik dooi deu; dij; dooi; dui dooien deuen; duien dooier deutel; dole; door; geeldoor doop deup door deur door de week overdag door en door deurhin; oet en deur; stok en stain door heen deurhin doordat deurdat; mit dat doorelkaar deurnkander; deurnander; deurmekoar; enter-de-twenter; enteren- twenter; enter-over-twenter doorgaan aangoan; deurgoan doorgaans deurentied doorgang deurgang doorleren touleren doornat deurnat doorsteken deursteken doorwerken (tot 't einde toe) aanaar-baiden doorzetten deurtoaveln; deurzetten doorzetter vaastholder doorzicht deurzicht doorzoeken noasnuustern doos deus; deuze; duize dopen deupen dopen (in-) stippen dor soor Dorkwerd Dörkwerd (op) [Dörkwerder] dorp dorp dorp, (kom v.h. -) loug dorp, deel v.h. - gilde dorpeling lougster dorpsgenoten lougslu dorpsplein blink dorpsvaart schipsloot dorsblok dörsblok; rolblok dorsen daarsken; darsken; dörschen;dorsen; dörsken dorskleed dagklaid; dörsklaid;zoadklaid dorsplaats (v. koolzaad) leger dorst dorst douche does I dovenetel daauwneddel; dieneddel; doofekkel; dovenekkel; dovenettel; melkzoeger dovenetel, soort - oadam-en-evoa dovenetel, witte - dove brannekkel; makke brannekkel; oadam-en-evoa draad droad draad, metaal - wierdroad draaibrug draai draaien dwirreln; siddeln; sirreln; triezel n draaien (bij geluidmaken) dra ie In draaien (i.e. kanaal) swoaien draaien, rond - giezeln III draaien, shagje - drèllen draaien, snel - swiddeln; swirreln draaiend drèls(k) draaihek vring draaimolen maalmeulen; malemeulen draaiorgel lier(e) draaiplek (i.e. water) swaaihörn drachtig (v.e. koe) drachteg; kaalf(d);tieg; vool(d) drachtig, niet - gel draden struupsel; streupsel draf draf(t) dragelijk droagelk dragen droagen drager droager dralen teuven drammen drenzeln; taandjen drammerig drans; dranzerg drank draank drank, slechte - tjoegel draven droaven draver droaver |
dreef, niet op - in de pikpaan dreef, op - op scheut dreigen draaigen; drizzen; drouden: loeren dreigen v.d. lucht schoeren drempel drömpel; drabbel; drumpel: druppel drempeltje drubbeltje Drent Drent; Drïnt drentelen flittern; gangeln; gingeln; keudeinDrenthe Drint Drents Drents; Drïnts drenzen draanzen; jaainen dreumes deup(ke); doem-oet-haanske:grompie; keudel; keudeldoemke; korrel; kroep-ien-buus; kroep-ien-döb: kroep-ien-heeg; kroep-in-de-kroane; kroep-oet-dop; kroep-oetje; pork; prengel; preuksel; prewwel; prop; prugel; spork; stop-ien-heeg; tjoop dreunen donzen dreunen, dof - dobbern II dribbelen driggeln drie drai; drij(e); drèje drie(ën) (zelfst.) drijen(t) Drieborg Drijbörg (op) [Drijbörgster] driekleurig drijkleurd driest driest drift drift driftig broaderg; hait; kwoad; maal; maalkopt; nieds(k); obsternoat; obstinoat; roeg; verniend; driftkop kortkop; kwoadkop; maalkop; tiddelkop; stiekelpotse drijven drieven drijvend vlot drinkebroer draanksteern; kijlebruier; - _ pimpelder; Popke nathaals; sjaskebruier; sjikkerlap; zoepsteern drinken, leeg - oetsteken drinken, met teugjes - klokjen drinken, slecht - (: koffie) joegel; joggelebom; juggel; joegeltjebom drinken, veel - sjaskern; zoepen drogen bedreugen; dreugen drogen (v. hooi) swelen I; keren dromer dreumerd dommels deksels; dekselze dronkaard scheuvelloper dronken dik; doen; dronken(d); miskwoam; saigel; sikker; sikkom; sjik-ker: zoaleg dronken maken aandoenen; doenen dronken, een beetje - doeneg droog dreug(e); lins droog (v. dieren) gust droogrek waskerik droom dreum dropjes, ruitvormige - sammelakjes; zoldropkes druif droef; droeve; druuf druk (bnw) bandeg; drök druk (znw) drók druk, zeer - voelbandeg drukken drokken; drukken drukkend smoeze(l)g; smoreg; zat drukte bemeuren(s); biebeer; drokte; haikernoazie; hui I; joechaai; joechij; kedelbuiterij; spats; weure drukte (leven) pehui; poehaai drukte (op straat) katjejacht drukte maken baljoaren; bijs moaken; aargewaaiern drukte, koude - kaskenoade druktemaker baloor; pehuimoaker drupje drupke druppels, grote - botterdruppen druppeltje drubbeltje dubbel dubbel(d) duf sof; suf duffel buvvel duidelijk dudelk; dulek; duudlek duif doef; doeve; mok duiken doeken; duken duiker duker I duim doem(e); duum duimbekleedsel sleuf(ke); sleup(ke);sleuve; sloef duin duun duister duuster duisternis donker(n) duit daait; doit Duits Poeps; Duuts Duitser Poep; Duutser duivel duvel; de kwoade; stommel hinderk; ol Pait; ol Vint; duivels duvels; heileg duivels, des - glïn in hakken duizelen doezeln duizelig doezeg; doezelg; dool; du-zelg; swiemerg; swiemsloagerg; zoe-ze(r)g duizeling swiemslag duizend doezend telw duizendpoot doezendbainder; doezendpoter dulden lieden dun flitterg dun (v. vloeistof) hui dun en lang spilleg; spilterg; sprieterg durf driesteghaid durfal vrij vechter durven deuren; duren; duurven duur jouker duur, lange - n haile rekte duw knovvel duwtje nokje dwaalspoor biesterboan(e) dwaalweg biesterboan; biesterweg dwaas (bnw) dwoas; maal vreten dwaas (znw) haalfmaal; haalfwieze; haalsmaal; maalgeboren; onwieze dwalen dwelen; dwoalen dwarrelen dwaddeln; dwarreln; dwir-reln dwarrelwind wirrel dwars dwaars dwarsdrijver bongel; bungel; dwaarsbongel; dwaarsbungel; dwaarsholt; dwaarskop; waalvlaiger dwarsdrijverij bongelderij dwarskijker negenoog dweil faaiel; faail(e); fale; vaail; vaal;vale dweilen faailen; vaailen I dwerg estermantje dwingerig draans |
|
eau de cologne klonje; lekkerroek; lodderaain; lödderaain; lödderin; roek; roekefoe(k) eau de cologne (scherts.) lok-mie-de-vent; roek eb eb(be) echt eerliek; jechteg echter aanders echtgenote (scheldw.) gladsmeerdeus echtgenote (v. spreker) vraauw eed aid; eed eelt heelt; iel(t); swil één (telw) ain(e) een (lidw) n een en al hoop-en-troost een, de - ain eend aind eend, geschoten - aindvogel eend, kleine wilde - smaint; smient eenhandig ding (: met één hand vast te houden) ainhandse Eenrum Ainrom (in) [Ainrommer] eens èns; ers; es; ies; ins; inzen; rais eens ('es) ais eens (gezind) aineg; ains eenstemmig ainpoareg eentje, in z'n - op zien allaintjes Eenun Aimen (in) [Ainmer] eenvoud ainvoud eenvoudig slicht eenzaamheid aineghaid eenzelvig aindoadeg eerder eder; eer eergevoelig eergiereg eergisteren eerguster eerlijk eerlek; eerliek eerste eersterd eerste, de - v.d. maand n eersten eersteklas doalders eetaardappel eter eetbaar, licht - grouzeg eeuw aive; aiw; eeuw eeuwig aiveg; aiweg; eeuweg; ieuweg;ieveg eeuwigheid aiveghaid Eexta Eekste (in) [Eekster] effen aingoal; evven; geliek; slicht egel iegel; iegelkouerte; egelswien;stiekelswien; swieniegel; zwieniegel egge aaid(e) egge ij de eggen aaiden eggen ijden egocentrisch aigenikkeg ei aai; ei eierdooier aaidoor; eierdeudel eierkoek pleverkouk(e) eierspel (met pasen) lommerken eigen aigen vnw eigenaar aigender eigenaardigheden aigenheden eigengereid aigenhereg |
eigenlijk aigenliek; aigenst; aigentliek; aiglieks; aingst; ainliek(s); aink eigenschap aigenschop eigenschappen meuren eigenwijs aigenikkeg; aigenwies; loos; wies eigenwijsheid lozeghaid; wiezeghaid eigenzinnig aigenzinneg; stiefzinneg; zinneg eik aikenboom; ekkelboom; iek eikel ekkel eiken aiken; ieken eiland; aailaand eind(e) èn; ènd; ènde; ind(e) eindelijk endeik; indelk; indeln; laank overlet eindeloos van olden tot kolden eindigen besloagen; opholden eis aais(k) eisen aaisen; aaisken; öfvaargen Ekamp Aikamp (in) [Aikamper] ekster eekster; oakster; okster ekstergeluid geschatter el èl; èlle elastiek elestiek; rek elastiekje rekker(tje) elektriciteit elektries elf elf; elven elfde elfde; elfte Elias Lais; Lijas elkaar nander; nkander vnw elleboog elboog; elleboge ellende ellén; ielïnne; kripsie; krupsie ellendeling lamstroal; lamzak; lapzak ellendig labberlötteg Ellerhuizen Ellerhoezen (in) [Ellerhoester] els eldernboom; elzenboom els (instr.) els; elze; oal I; prikkedil elzen- eldern emelt hoamel; oamel emmer, grote - bakemmer emmer, wijde - schoot III endeldarm pakdaarm; pakkedaarm enig ainegst enkele(n) goenen(t); gonnen(t); gounen(t) vnw enorm onnuur; reuzen; van wonder en geweld Enumatil IJmentil (op) [IJmentilster] envelop kevòrt; kevò; koevòrt; kom-föttje enzovoort enzowathin Eppenhuizen Eppenhoezen (in) [Eppenhoester] er der; ter ereprijs (plant) (blaauw)mier(e) erf aarf; haim; hiem erfdeel aarf(dail) erfscheiding swet erg (znw) aarg
|
erg (bw) aalmeugend; aarg; astemoat; bedruifd; benaauwd; bitterliek(e); bot; deeg; dik; dories; filaain; glin(ne); maal; as de ment; onvoeg; onvoug; slim; stinkend; swoar; toek; verdukerd; verduufkerd; verflikt(e); verniend(e); voelbandeg; gloepend erg, meer dan - grof en groot ergens aargens; aargens(woar); aarms(woar); aarns(woar); aarnt; ainderwegens; hier of woar; woar (aarns); woaraargens; woaraarms vnw ergeren (, z.) aargern (, z.) ergernis aargernis; saggerien ergste, het - dikste; slimste ernst eerns ernst (innige -) ainmoud ervandoor mottje; op nobbel ervaren ervoaren ervaring ervoaren ervaring, zonder - nöchtern erven aarven erwt aarde; aarfte; aart(e) erwt, grauwe - graauwaart erwten met spek spekkenaarten erwten, soort - schokkers es (boom) eskenboom esdoornvruchten eskentuutjes essenblad eskenblad estrik esterstain etcetera ekseteroa; aings; ainks eten eten eten (grof) vreterij eten (gulzig -) aggeln; haggeln;buvveln; schranzeln eten en drinken etendrinken eten met lange tanden piezeln eten met tegenzin mommeln eten, brood - snibbeln eten, dun - jacht-deur-daarms eten, geprakt - praksel eten, het - etens; gevret; gevrötje eten, opgewarmd - praan; prane eten, overvloedig - dikdakken; diketen; dikkedakken eten, slecht - piemeln; pieuwen etensrest òrt; òttje etensrestje, lekker - smoddertje etgras etgras; etgruin etgroen echtgruin; noagras etter meterie etteren attern Eva Evoa even geliek(e); immer; lieke even veel alliekeveul even, om het - iegoal; krekgeliek; netgeliek evengoed alliekewel evenredig evenredeg eventjes aits; eefkes; efkes; evenkes; evenpies evenwel lieke wel; oaber expres espres; expres extra extroa extra('s) overbaauw Ezinge Aizing (in) [Aizinger] |
|
faam foam I; roup Faan Foan, t - (op) [Foanster] fabel foabel fabriek febriek failliet aan appellat; feliet familie (buiten gezin) femilie familieberichten olwiefkenijs; olwievenais Farmsum Faarmsom (in) [Faarmsom-mer] fatsoen fersoun fatsoen, met goed - mit schik fatsoenlijk fersounlek; fersounliek; fesoenlek; schaauwboar fatsoenshalve fersounshaalven; schandshaalven; schikshaalven fazant fezant februari feberwoarie; feberwoarie-moand feeks fekke; fikke Feerwerd Fiwwerd (in) [Fiwwerder] feestelijk feestelk feesten feestjen feitelijk faitlieks feliciteren filesetaaiern femelarij fiemelderij ferm kregel; kriegel; niedeg fiducie feduutsie; ferduutsie fiets fiets(e) fijn fien fijngevoelig noanemend fijnheid fieneghaid fijnmaken knailen fijt fiet fikken klariddefikken fiks beus |
filistijnen, naar de - noar de filo filtreren klinzen financiën finansies Finsterwolde Finnerwold (in) [Finner-wolmer] fistel apstendie; fizzel fladderen floddern; flottern flakkeren fakkeln; fokkeln flansen faggeln; klebükseln flansen, in elkaar - foestern; goegel-fluiten flapuit bekjegaauw flard tiaar; flare; flinter; flodder flater floater; gob-aai flauw flaauw; lar(r)eg flauwekul kulkouk; kulloazie; lulderij flauwerik lougijver flauwte gammelte; gijhonger fles vlès, vlèzze flesopener doppenropper; kontjeprop flets eerdeg flierefluiten diedeldaantjen; diedel-domdaantjen; diedelomdattjen; dom-daantjen; dommedaantjen; omdiedel-daantjen; tuutjefloiten; tuutjen; vlinderknippen flikflooien flöien; flooien; fliemen flink eerlieks; fleeg; helder; kerel-achteg; kerdoat; nuver; snaideg; snie-deg; terdeeg; terdege flinkhouden, z. z. hammeln flinter vlinder II flodderend flodderg fluim kwaalster fluisteren flaaistern; tlustern; fluus-tern; lu(u)stern II fluit flaaide; flòide; flòit; fluit; piebe; piep(e) fluiten flaaiten; flòiten |
fluitenkruid keesblommen; kezebloumen fluweel ferwail foei fai; fij; foi fooi handsmeren; handwisk foppen kullen fopperij wiesmoakerij fopspeen lót forceren faksaaiern fortuin fertuun fortuinlijk schietgelukkeg fortuintje smantje fouten, allerlei - lek en brek Foxhol Foxhol (in) [Foxholster] framboos flamboos Frankrijk Frankriek Frans Fraans; Frans Fransum Fraansum (op) [Fraansumer] fratsen aibels; babbelguchies; fiebeldekwinten; fiebelkwinten; fiemelekwinken; fiemelkwinten; fievelekwinten; flinken; griebels; meroakels Frederik Frederk; Freerk Frederika Freerkje; Freerktje Fries Vrais Fries (taalnaam) Vrais fris vris frommelen knoedeln fronsen schoeren Froombosch Froombos (in) [Froom-bosker] frutselen hutseln fuik foek(e) fuik, deel v.e. - kub(be) fuik, soort - schutnet fysiotherapeut strieker |
|
gaaf goaf; geef; geve gaaf, geheel - fiengeef gaai, vlaamse - schraiwekster gaan goan; gonnen; krösken; opkrözzen gaan, er hard vandoor - der oetfietern; der oetkielen; der oetklaaien; der oet-klaauwen; der oetnaaien; der oetrieten; der oetsnieden gaan, er van langs - der om weg goan gaan, ertussenuit - der oetbulen gaan, luidruchtig - boldern gaan, naar huis - siebo goan gaan, snel - fietern gaan, voetje voor voetje - voutjen gaar goar gaar, half - goddel; gorrel Gaarkeuken De Goarkeuken (op) [Goarkeukener] gaarne geern, geernt, groag gaas goas gal gaal; gale galerij (kerk) klunderbeun galg gaalg(e) galmen gaalmen galmgat klepgat; klokgat; gaalmgat galziekte gaalderij gang gaang gans gaans; gaanze; gans ganzebloem, gele - mörgenglorie ganzenbord ganzebord; ganzebred ganzenbord spelen gaanzebredjen Ganzedijk Ganzediek (op) [Ganzediekster] gaper gapperd gare, halve - butje garen goaren garen en band linterij Garmerwolde Gaarmwol (in) [Gaarmwolder] garnaal genoat garnalen vissen genoatjen Garnwerd Garwerd (in) [Garwerder] Garrelsweer Garrelsweer (in) [Garrelsweerster] Garsthuizen Garsthoezen (in) [Garst-hoester] gast uutvanhuzer gat gat; glop; loek; lok I gat (boven schuurdeur) klepgat gat (in kous, sok) knöl(le) gauw gaauw; rad gauwdief filo gave goaf gebabbel teut gebak (al of niet mislukt -) brabbel-kouk gebak, soort - schoapstaart gebaren meneuvels gebekt mondgaauw; mondjegaauw;radbekt gebeuren heergoan gebit (v. paardetoom) bit geblancheerd begozzeld gebloemd bloumd; bloumked gebogen doeknekjed; doeknekt gebogen, met - hoofd iendoekt gebonden bandeg gebouw gebaauw gebouwd, grof - schonkeg gebouwtje baauw gebrabbel (v. kinderen) hounderkefraans gebrek behuifte; scheel; schelen; scheling gebruik gebroek; gebruuk gebruikelijk gebrukelk gebruiken broeken; bruken; gebroe-ken; gebruken gedaante gedoante gedachte (gek idee) denk (wat n denk) gedeelte gedailte; dail gedeisd kuin gedekt worden tielen gedekt worden (schapen) aanlopen gedoe gedou; gedounte gedonder duvelderij gedraaf gebirs; gebirzel gedraaid wiends; winds gedragen, z. nemen, z. gedrongen draig; dreeg geducht om roak; ommeroak; omroaks geduldig liedzoam geduldwerk getiepel gedurende onder ... weg geen gain; gainen(t); gien geep (vis) gebe; geep; gepe geest gaist; geest geeuwen gappen geeuwer gapstok geeuwhonger geehonger; gijhonger gegroeid wozzen gehaaid finail gehakt gehak geheel finoal; gehail; hail; haildaal; hailendaal; vlak geheim gehaaim; gehiem gehemelte beun van mond; verwulf geheugen onthold gehoorzaam geheurzoam gehoorzamen om (t) liek willen gehoorzamen, leren te - omstalen leren; omstoan leren gehorig geheur(eg); heur gehumeurd getakt geil gaail; gaal geïsoleerd levend aindoadeg geit bok; seeg; sege; sik geitenbok bok geitenmelk bokkemelk geitenstal bokhok; bokhut geitje boklam gejaagd höfteg; jachteg gek gek; haalfwies; maal gek (beetje -) dörms gek, voor de - veur kezoan gek, voor de - houden begugeln; pieren gekalfd, pas - nijmèlk(t) gekheid gekkens; gugel; maaljoagerij; maleghaid; tralarechies gekheid (uitroep) flaaitpiepen gekheid maken maaljoagen gekheid uithalen maaltweren gekkenwerk gekmanswaark geklaag gejeuzel geklauter geklaauwster gekleed, schamel - voazel gekleed, slordig - sleeps(k) geklets lulderij; lulkouk geknisper geknapper geknutsel getudel gekonkel konkelderij; konkelfoezelde-rij gekookt, goed - (eieren) zaipe(r)g gekscheren gugeln; oaliazzen gekte maal gelaat fizelemie; fizenemie; foatsie gelagkamer jachtwaaid(e) geld doemkruud; schoef-veur-doem; segienen; siezen; sinten; sinterij geldzak geldpong; geldpuil; geldpuut geleden heer; heerwoarts; leden geleidelijk langzoam aan gelijk aingoal; geliek; liek; moatje-aingoal gelijk (bij wedstrijden) kamp gelijk, geheel - spiergeliek gelijke jegender gelijkmatig evenredeg; iengoal geloof geleuf; geloof geloven geleuven; geloven; leuven; loven geluid geluud geluid maken, klokkend - klokkern geluid maken, zacht - neulen geluiden laten horen (zacht) nokkern; nukkern geluk gelok; geluk
|
geluk, op goed - op roakeldais gelukstol altemoal; leggerholtje; nulholtje gemaakt, zelf - aigenred gemak gemak gemakkelijk gemakkelk; genog(t); licht; makkelk gemeen filaain; filaaineg; gaalsterg; galleg; gemain; gemien; lapperg; rötterg; vilaain; voel gemeenschappelijk mandaileg gemeente gemainte gemenerik gaalsterd; laaip gemijmer prakkezoatsie gemoed gemoud gemopper geprommel; mopperderij gemors graimboudel; graimerij geneigd tot stoten steuts(k) genezen keraaiern; koeraaiern; betern genezen, uit zich zelf - oetdolen; octrooien genieten groalen; grollen; gruilen genieten (stil -) genottern genoeg genog(t) genoegen genougen; gevaleghaid; nocht; nucht; oard; oardeghaid; wil(le) genot genut I georganiseer geredder en geregel gepeuter tiepelderij; getudel gepraat proaterij gepraat, vervelend - gekwedel gepruts gekudel gepruttel gepruddel geraamte geribte geraden geroaden Gerardus Grades Gerbrand Gaarmt gereed kloar; raid; rij; op sprang; veerdeg; vereg gereed, geheel - (om te vertrekken) gestiekeld en gespoord gereedheid schiereghaid gereedmaken redden gereedschap aark; geraidschop; gereedschap; raidschop; raif; raive; reeuw; riw gereedschap, slecht - dioakenraif;faggelraive; instekersraive; hoagebuiken raif; rakkersraif; rakkerstuug gereformeerd òfgeschaaiden geregeld perooi; tèls; zetrecht gereken rekenderij gerend gereg; hörnschaif; hörnschuuns; kiels geritsel geruzzel geroddel gereudel; getjaauwel geroep geroup geronk gerotter Gerrit Gerriet gerst gaarst geschater geschatter; geschotter gescheld geraag; geschèl geschikt handzoam; jenteg geschreeuw gebèlk; gebölk geschreeuw (huilend -) gereer geschrijf schrieverij geselen giezeln I gesis gesister geslaagd bedegend geslachtsdeel femilie geslepen voal gesmeerd (fig.) as n liere gesp gaasp; geps(e) gespartel gespaddel; gespartel gespikkeld (v. gevogelte) spaar(d) gespitst zijn, er op - der op spinzen gespuis gespuus gestadig stoadeg; stoareg gestand doen stoan gesteld op maal gesteld op mensen (v. dieren) menskeg gesteld op, erg - stoapelmaal gesticuleren speren; spereweren; spin-kenaaiern; spirrewirren; spinhakken (mit aarms) gestoei geriddel; ralemalerij gestreept streept gesuis gezoes getikt belotjed; besoaksemd; betoefd; haalfzeuven; verbiesterd getimmer timmerderij getreuzel fietjederij; gejutje; gepie-mel; nuzzelderij getroffen worden (fig.) aankomen getuige getuge getuigen getugen geul, doodlopende - baalg geur roek gevaarlijk gevoarelk; gevoarlek geval gevaal; geval gevangenis (scherts.) klontjegat geven aanlangen; doun; geven;langen; toulangen geven, melk - geven geverfd, slecht - miskleureg gevlekt (v. vee) grimd gevoel ge vuil gevoelloos doof gewaar worden wies worden gewas, zelf verbouwd - aigenbaauw geweest wést geweldig grofdoadeg; òfgerakkerd gewelf ge welf (te); gewulf; verwulf gewend wénd; wind gewicht wicht II gewonnen (- gegeven) baist gewoon aaldoags; gebeurlek gewoon, zgn. lak en flak gewoonlijk dag en deur; deurentied; oet en deur; deursneeweg gewoonlijk tiedels gewoonlijk, zoals - annoarie weg gewricht gevricht; hoak; smeerschief gewroet gevruzzel gezanik kutkammerij; plazerij gezegde taim(ke) gezellig noflek gezellig (van aard) gezelschopzuit gezelschap gezelschop; gil(le) gezet dubbel(d) gezeur gedrutje; gemietje; gesjank; gezoes; gedwèlm gezicht gezicht(e); oetkiek gezicht, dik en dom - bobbekop gezicht, tweede - goaf gezin volk gezond geef; gezond; veerdeg; vereg; vlog(ge); vlug; vris; zond gezondheid gezondhaid gezwets reudel gezwoeg geschrip; ge wurg gezwollen blaaisterg; blazzeg; bluisterg; glaai; glij giebelen gabbeln glechelaarster giebel; giebeljet; giebel ke trien: giebeltoet gier ier; jier(e); jirre; joepe gierig krieterg; krimphaarteg; noagoand; grienderg gierigaard kniephoezen; kniepstuver; kniezebieter; krieter(d); krimpkat; ne-devreter; pennenzestien; pienappel; pinkevieler gieten gaiten; gieten gijzelen giezeln II gil gier gillen gilpen; jilpen ginds gun(ne); gunder(s); gunderwied; gunt gindse gun(s) vnw gissen gizzen gist gèst(e) gisten gèsten gisteren guster(n) glad glad; glidderg glad, slijmerig - glidderglad
|
gladheid gladdeghaid; gladden(s); gladte glanzend maken (stof) klandern glas glaas; glas glas, soort- bom glibberig gleers(k); glereg; glidderg glijbaan glidskeboane; glieboane; slietskeboan glijden glieden; gliddern; slidsken; slieren; sliersken; sliestern; slietsken; slisken; sliskern; slistern glijden (op sneeuw of ijs) gliesterken; gliestern; glistern glijden, het - glee glijden, z. laten - op schaatsen bodje-voaren glimmend glaai; glij gloed glmneghaid; gloud gloeien gluien gloeiend glin(de); glinne gluipen gloepen; glupen gluiper hounderdaif gluiperd gloeperd gluiperig gloeps(k) gniffelen gniflagen; kniezen; knivveln Godlinze Glïns (in) [Glinster] goed goud goed, juist - ribschier goed, schijnbaar - ribschier goed, slecht - flaregoud; joakenraif goed, tamelijk - enneg goedbloed goudhaals; zok(ke) goederen goud; spul I goederen, gewilde - roofgoud goederen, slechte - rakkersgoud; schiet goedgebouwd ledeg goedheid goudens goedkeuren goudkeuren goedkeuring goudkeuren goedkoop gekoop; goudkoop goedkoper beterkoop goedsmoeds getroost goedzak slokkebotter goeiedag goidag; goeidag; goiendag; goundag; moi(en); puut tussenw goeiemorgen goumörgen tussenw goeienavond genoavend tussenw golf boar golven (ww) waggeln golven (znw) waggels; woagen I golven, hoge - wagen goochelaar gogelder; keukelder goochelarij kukelspul; ogenbekeukel-derij; ogenverkeukelderij goochelen goegeln; gogeln; gugeln; kukeln gooien bikken; jompen; mietern gooien, met sneeuwballen - snijbaal-tijen goot geude; geut(e) gootsteen geutstain(e) gootsteen geutstien gordijn gerdien gorgelen goddein; gorreln gort görde; görde; gort; gort goud gold gouden golden goudrenet goldrenet; goldringenet goudsbloem goldjebloum(e) graag geern; geernt; groag graasrecht (v.e. lam) lamswaaide graat groade; groat grabbel, te - op gribbegrap; op gribbelgrabbel; op griebelgrabbel grabbelen gribbeln; grobbeln gracht graacht(e); graaft(e); graft grap kuur grapjes wiepkes grappen babbel(e)guuchies grappen maken guutjen; scheervogeln grappenmaker kuken; kulibas; kurendriever grappig kureg gras gras; gres gras, onkruid- krep grasland greide; mij; moa; moar II; ven(ne) grasland, laag - brouk; maiden; mieden; mijden; stroute grasland, omgeploegd - nijlaand grassoort raai; rooigras graszode laar; lade; lare gratis omsunt; vergees grauw graauw graven groaven graven (sloten) geutjen grazen waaiden grendel grondel; grondel; grundel; scheudel; schodel; schotel grenen - grainen - grens grens; grins; schaaiden; grup(pe) grenzen schutten; swetten greppel geut; gruppel greppel, grote - maintgeut; maitgeut; middelsloot grieperig hiepkonterg Griet Grait griezelen griezeln grijnzen kniezen grijpen griepen Grijpskerk Gruupskerk (in) [Gruup-skerker] gril (bnw) grèl; spril gril (znw) kuur grimas fertuut grimassen mantjes groei aandij; dij; grui; schot groei, sterke - fieter groei, voorspoedige - weldij groeien aanzetten; dijen; gruien; toudijen groeien (omhoog -) wazen groeien (zonder zaaien of poten) opsloagen groeien, welig - oarden groeikracht schreeuw; schriw; tier; voartsie groeikracht, gebrek aan - pog(ge) groei puistjes gruipoeten groeischeut schoot I groeizaam gruizoam; oardzoam groen greim; gruin groen als van koeiendrek kouschietengruin groenboer mousker groente greunte; gruinte; gruinterij groentje kiek-in-de-wereld groet groutnis groezelig gorreg; soeterg; groeterg grond (voor huis en tuin) haimstee grond, nieuwe buitendijkse -; aanslag grond, stuk - kaambe; kaamp grondbezitster, beklemde - maaierske grondbezitter, beklemde - maaier Groningen Stad (in) [Stadje(de)r] Groningen (stad) Groot Loug Groninger Grönneger; Grunneger Groninger, stad - stadjeder; stadjer Gronings, het - Boers; Grunnegers; Grunnings groot groot; stolt grootbrengen (zonder moedermelk) opsaaiern Grootegast Grodegast (in) [Grode-gaster] grootheid groothaid grootouders grootolden; grootollu grootte grootte; grötte; mannelkte gros gros grote (in z'n soort) doavied gruis groes grut schrödde; schrot grut, klein - mozzelgoud gruzelementen groezelementen; groezels; gruzels guit gimt; guutjepuut guitig gudeg; guteg; kruderg gul gul; rij gulden (scherts.) veurrad gulp snél gunstig melkwaarm gutsen goddern; goezen; gobbeln gymnastiek gemestiek; gimmestiek |
|
Haag, Den - n Hoag haagwinde pispot haak hoak haak, soort - klaauw haal, aan de - op kladder; op kledder; op klender; aan de klitter; op rek haan hoan(e) haantje de voorste (bnw) biebereg aantje de voorste (znw) Paitje veuraan haar (vnw) heur haar (znw) hoar naar, kort staand - stiekelbos naard buiterij; heerd naardos, verwarde - toesterbos naarspeld pielkevanger Haarwervel dwaddel; dwarrel haas hoas; hoaze naasje-over bokje stoan; bokjen haasje-over-springen bokjespringen; meetjen haast gaauweghaid; gaauwens; raauwte; jacht haast (bijna) hoast; oast; sikkom haasten hoasten; jachten haasten, z. bozzeln haastig hoasteg haatdragend hoatsk hachee siepeltjevlaais; siepeltjevlees hagedis evertaaske hagelen hoageln haitied altijd hak hak(ke) haken hoaken haken, blijven - teppen; toeken hakken (snijden) fieken halen hoalen halen, vandaan - heerhoalen half haalf halfrijp wanriep halfvolwassen graauw; haalfwazen; haalfwozzen halfwijs haalfgozzel halm strospier hals haals hals, onnozele - Pait lut; slörm; zole halsoverkop kop-over-haals halster helster, elster halsteren behelstern halswervel haalsknoak halve gare butje; haalfgoare halverwege haalfweg ham schink Ham, Den - Ham (op n) [Hamster] hamer hoamer hameren kleutern hand haand; tjijs hand, een - geven voestjen -handelaar -kerel handelaar, zuinige - tik-op-de-schoal(e) handelen (handel drijven) pangeln handelen (doen) z. nemen handelen, stil - smoegen handen peulings handen, onder - nemen kedip nemen handig smieteg handschoen vingerhands handschoen, - met halve vingers voestje handschoen, soort - knovvel: kof II handtekening handtaiken handvat handsel handvat (v. gereedschap) hilt(e) I handvol gaps(e); gapsel handzaam handzoam hanenpoot hoanepoot hanenpoten kribbelkrabbels hanenstaartveren moudveren hangen hangen hangerig ledderg Hans Hans hanteerbaar, licht - lichtveerdeg haperen stoeken; stuken hapering stoekerd hapje, lekker - vret happig happeg; haps hard haard; haardoet harddraver haarddroaver hardhorend haardheureg hardleers onbegripzoam hardst, om 't - haail om t zaail; huil om t zuil hare, de/het - heuren(t) Haren Hoaren (in) [Hoarener] haring heern hark haark(e) harken haarken; rieven harken, op regels - (van hooi) swelen I Harkstede Haarstee (in) [Haarsteder] Harm Haarm Harpel Haarpel (op t) [Haarpelker] hars katjeliem hart haart harte, van - van haarten hartelijk hartelk harten (speelkaarten) haarten hartig hartelk hartklopping n haartkloppens haten hoaten haveloos palterg; polterg; roepeg; roepseg; schoaberg; schobbe(r)g; roeg en ropperg haven hoaven havenen hoaven haverhoaver haver, wilde - oart haverpluim hoavertaail; taail; tijl havik hoanebieter hazelnoot hoasneut; hoazeneut hazelnoten, grote - lammerkeneuten hazenslaapje knipsloapke hazenstrik hoazestrik; hoazestroep;hoazestruup hè? hèn? hebben hebben; hemmen hectare bunder hectare, halve - daimt; mat heden (och -) herik (och -) heel hail; hiel; huil; hu ui heem haim; hiem heen hin heen en weer hinneweer |
heengaan hingoan heenweg, op de - hin heerlijk aan t lutje toontje tou heerschappij permoters hees hais; haisteg; haisterg; Mes; hees heet hait; hiet heet (bij zoekspel) vet heet, gloeiend - gloependeglin heetgebakerd bambereg heets, iets - kokende karro heffen hevven heft hecht heg neeg; hege heggenschaar heegscheer heide haaide heiden haaiden heil haail heilig haaileg; hilleg Heiligerlee Kloosterholt (in) [Kloosterholtjer heimelijk steelskewies; stiekom heimwee haimzaikte; wènst(eghaid); winst (ieghaid) heimwee hebbend haimzaik heimwee voelend winsteg hek riggel hek soort - sticht hekel graauw; groul; riepel hekelen hekeln helder gril; helder; kloar helder (: nacht) zichtig heleboel haileboel; haileboele helemaal glad; hail(en); haildaal; haiendaal; hielemoal; haldaal; hielendalmoal; hielendaal helemaal niet - nait recht helft haalfschaid; haalve helft (van een -te verwachten-tweetal) ainspaanjer heft de - helfte hellen öfschunen hellveeg horrebedor; orbedor helling dèlloop; helgen Hellum Helm (in) [Helmster] help, lieve - goude gerechteghaid helpen helpen; bok(je)stoan helper haalfstoander hem hom hemd, gebreien - borstrok hemeltje goi hen hin, hen Henderikus Rieks Hendrik Hinderk hengel angel; hangel; (h)angelgare; hangelstok hengelen angeln herberg haarbaarg(e) herder schaiper; scheper; schijper herderstasje lepel(tje)blad; lepeldaif; lepels-en-vörken; toenlepeltjes herfst haarst herfst, in de - saars herkauwen eerkaauwen: ;ei herkauwen (fig.) noabranden Herman(nus) Mans hersenen hazzens hersteld kloar herstellen heerhoalen; opkraber.. herstellen (van ziekte) opklandern herstellen, knoeierig - lapzakker, het t heten haiten heup heup; hup(pe) heupfles platloes heupwiegen draaineerzen hierheen heer hierzo hierzoot hij hai; hij hijgen hiemen; poesten; puustes swougen hijgen (v.e. hond) bleggen hijsen (molent.) laaien; looien: hik snok hinkelen kinkjen; kooihinken: kootjehinken; paarkhinken; paarkjehinken; pothinken hinkelspelen hinkjen; hinkjevakjes hinken hampeln; hinkelepinken hinniken frensken; grinsken: grìnzen; vrenskern; vrinske(r)n hitsig hetseg hitte hette(n); hettens hobbel (ltk en fig) horrel hobbelig hulterg; kloeterg: ribbeld robbeg hobby oaventuur hoe hou hoe ... des te houveul te ... houveel te wat... wat hoe ... ook aal hou hoe zulk(e) houk; huks; houken(t); houksen(t) hoed houd hoed, soort - galliballi; kip(pe) hoed, vrouwen- kiep(e) hoeden voor, z. wachten, z. hoeder (v. dieren) haaider hoefhaar fiedeltoppen; fieterlok hoefijzer peeriezer hoegenaamd hougenoamd hoek hörn; houk hoek (v. kamer) met de klok klokhörn hoek, inspringende - krimp hoeken en gaten kanten en ranten hoepel houp(el) hoer poedie; houer hoest, droge - schoaphoust hoesten housten; knoggeln; koggen; koggeln hoeveel houvel; houveul hoeveelheid bats hoeveelheid ben(de); birzie; boes; boe-ze; bom; boudel; boulen; bourel; dag-waark; doddel; doest; dont; dreudeltje; drift; drobbeltje; droestje; droppeltje; drubbeltje; gaang; glop; gobse; gulp; hommeltje; hörntje; houstje; hude(r); kap(pe); kelonie; ketaaier; klip(pe); klob(be); kloet; klompke; klont; kluit; knoest; knoestje; knor(re); komplöt; kop; kwaab; kwabs(e); kwak; kwittje; lare; moal; nöst; nust; peuter; plok; pongel; praan; prak(ke); praksel; prane; prodde; pudel; pudeltje; put; pudde; rieg(e); rommel; slombe; slomp; snitter; stok; stommel; stommeltje; stootje; stötje; todde; tongel II; troest(je); tuustje; vlocht; vlucht; vouer hoeveelheid (klei, hooi) klamp hoeveelheid (vloeistof) troantje hoeveelheid vocht plompke hoeveelheid, grote - brom; sjees; sjène hoeven hoeven; huiven; huven; huwen hoewel aalhouwel; alewel hokkeling heukel |
hol hole; hooi hol, op - op kledder; op riddel hollen en draven baaistern hologig holoogd Holsteiner Holstainer Holwierde Holwier (in) [Holwierder] hommel brommer; bromster; hummel hommel, soort - mosdoare(n) homp homp(e) hond dog hond, grote - barries hond, speelzieke - levverd hondsdraf loop-bie-de-weg honger bok honger, niet te stillen - wolfhonger hongerig gammel hongerlijder hongerlap; smachtlap honing hunneg; hunnek honingraat waark I honkvast hoesvaast hoofd heufd; kop; steern I hoofd, met ingetrokken - doeknekt hoofddiep (in Vk.) veurdaip hoofdpijn heufdpien; kopzeerde; kopzeerte hoofdstuk kepiddel Hoogezand Hogezaand (op t) [Hogezandster] Hoogkerk Hoogkerk (op) [Hoogkerker] hoogrood bluierg; bluisterg hoogte heugte; högte; hoogte hooi haai; heu; hooi; hui III hooiberg heubult hooidijkje wier; wirs; wirze hooien heuen; hooien hooihark rief; rieve hooihoopje raag; rage hooioogst heumennen hoop (bult) bult hoop, verwarde - dont hoopje bröd; kwakje hoor heur; hör; hur tussenw Hoorn, Den - (Wehe -) Hoorn (in) Hoornster] hoornschelp nuunhoorn horen heuren horloge hallozie; allozie horlogemaker klokschoner Horn, Den - n Hörn (op) [Hörnster] Hornhuizen Hörnhoezen (in) [Hörnnoester] horten en stoten hötken en stötken horzel bremster houden holden houden van magen; maggen houden, de teugels - mennen houden, voor de gek - de gek aanleren houden, z. z. holden; z. tieren houdend van, niet - baang(e) houding holden hout hòlt hout, eind - bongel; punter hout, stuk - bome I; boom I hout, rond stukje - klóbke houten hòlten houterig hòlten houtje, op eigen - op aigen bandevout houtjes maken holtjen houtpakhuis holtstek houtsoort sipsapholt houtsoort (v. fluitjes) sapsiepenholt houvast hòl Houwerzijl Houwerziel (in) [Houwer-zielster] houwwerktuig haauw(er) huichelen hugeln huid hoed; huud; vèl huik haaike; hoek(e) huilebalk blèr(re); blèrder(d); brolbek; liepbek; liepenketrien; liepentrien; lieperd, grienderd huilen brollen; grienen; grinsken; grinzen; gulen; hoelen; holvern; jaainen; liepen; reren; schraiven; schraiwen; schrouwen huilen (div. bet.) goelen huilen (hard -) gaalpen huilen (v.d. wind en hond) goelen huilen, aanhoudend - blèrren huilen, luid - golvern huilen, verlangend - hunskern huilerig grienderg; grienerg; reerderg huis hoes; huus; kleun(e) huis, bouwvallig - baauwvaal; brakje; kwinde; kwint(e); spriknust; vaalom huis, gastvrij - hoeske van hol-aan huis, van - om gat huishoudster hoesholderske; huusholdster huisje hoezie Huisjes, Kleine - Hoeskes, Lutje - (op) [Lutjehoeskeder] huisjesslak hoorntjeslak; kinkhoorn huiskrekel bakkerstiek(e); bakkersiempien; (h)aimeke; (h)aimerke; heerdaimke; heerdiemer; hoesaimke; iemerke; iempien huisraad hoesgeroad; hoesgroad; hoesroad huisvrouw (scheldw.) boaliemoarze huiveren grillen; huvern huiveren voor z. schudden huiverig huverg huivering huver Huizinge Hoezen (in) [Hoezener] hulp, flinke - handeveger hulpbehoevend behulpzoam huls huls; huize hulst huls hulststruik hulzebos humeurig maalkopt; neudelg; neuleg; neulerg; nusterg; torreg; nareg humeurigheid spikanteghaid humusrijk mouerg hun heur hunkeren hoegen; hugen; guntern hunne, de/het - heuren(t) hup wipsedie; wipsie; woepsie; wupsedie; wupsie huppelen hinkelepinken hurken hoek hurken, op de - op boeke; op boeke-bakke; op huken; op t hoekje husselebusselen tjakseln husselen proekseln; tjoekseln hut hudde; hut hutselen huzzeln hutspot stimpstamp huurboer laandgebruker; maaier hypotheek bezwoar; hieptaik |
|
idioot, wat - wat n verstand ie (hij) der; e; er ieder aal; elks ieder (die maar wil) haandje en wiltje ieder(een) elkain ieder, in - geval in aals geval ieder; aal iedereen elkenain; aal iemand ain(e); wèl iemand z'n aines \ iemands ains iep iepenboom iets goen; goun ietsje kroem; krummeltje ijdel iedel; iedeljipsk ijdeltuit iedeltoit; iedeltuut; iedeltoide ijlen boazen; wielewoalen ijs 1 (niet voor consumptie) ies ijs II (voor consumptie) ijs, ijske ijsschots schol I ijver iever ijverig nieds(k); radneersd; verbraand; voel waarkgiereg; waarkzuchteg; iemeg ijzel iezel ijzen iegeln; iezen ijze- doen - griezeln |
ijzer ieder; iesder ijzerplaatje (onder schoen, tegen glijden) krap ik k ik imbeciel butje imiteren noabaauweln immers ja; wis in ien; in in de omgeving van bie ... om; in ...om; inom in enen in de roes in orde maken klevaaiern in orde, niet - ongedoan in plaats van in stee dat in,... - inop inachtnemen, z. z. woaren inbeelding verbeeldens inboedel boudel; boulen; bourel indien as indruk moet ineengedoken in n koedeltje; doek-nekt ineens ien ainen; in ainen; inain; rempel; rempen; tou ainmoal ineenzetten, slordig - foegeln influisteren ienstupen; induzzeln; inlustern; inschunen; instoeken; instupen; influstern ingenomen loos ingevoerd (fig.) letterwies ingewand (v.e. slachtbeest) gewaaid(e) ingewanden (eetbare -) intast |
inhalig aigenikkeg; groapeg; grobbeg; ienkrabeg; onnask inhouden, z. z. bedappern inklinken inlakkaaiern; inlaksaaiern inmaken (conserveren) inzetten inmiddels ondertied inpikken nieveln; òfnieveln; strandjen inprenten inpoeiern inrit ienree; indrift; invoart; inrit inschikkelijkheid goudens insekt, soort – peerbieter inslapen inzaailen inslikken deursloeken insmeren inpaiken inspannen, z. bikseln; bokjen; bokseln; foekseln; fokseln; frokseln; der tegen kraben; schrippen; sporreln; z. striggeln; z. verweren; vrözzeln inspanning gespaddel; gespartel instrument insterment; iensterment intensief, iets - doen peutern intreurig godsbenaauwd intussen in tied; tussentied inventaris eventoarie inwijden inwaaiden inwijdingsritueel, soort - leeuwerken inwinnen, informatie - omheuren inwrijven (zeep of sneeuw) inzaipen inzicht oogmaark |
|
Ja joa; ja jaar joar I jaarlijks joarlieks jacht jacht jagen hoasjoagen; joagen jagertje snikjong jakje kamzool; komzool jakje, soort - overschaiter jammer muieik; schaande; schane; begrodelk; spiedelk Jan Jaan Jan en alleman Jan, Pait en Kloas Jan Rap en z'n maat rap en roet Jan Salie melkentwijbak janboel jeudenschoule Jantje Jaanje januari jannewoarie(moand) japon klaid jarig joareg; jorreg jas jas; jaze; jazze; jes; kamzool; wams jas, oude - sleperd |
jas, toonbare - sjaauwer jasje, kort - vrij schieter jawel jawol je jai; doe; dou jeetje griezel: jai; jaikes jek mol vanger jenever jannever jenever (slechte -) jandoedel jenever, klare - schiere jengelen tjingeln jeugd jonkhaid jeuk jeukte jeuken, doen - kirreln jij doe; dou jijen doeden Jipsingboertange Taange (in) [Jipsenboertanger] Jipsinghuizen Jipsenhoezer (in) [Jipsenhoezer] jodin jeudske jong jonk jong (v.e. dier) jonk jongelui jongen: jonkgoud; jonkvolk; jongeman jongkerel jongen jong |
jongen (vleinaam) boi; bui(e); buit; bukken jongen, dikke dörm jongen, lange lörk jongen, onhandige – gozen jongen, stevige - barries; zetterd jongen, sullige - dort jongensgek flodder - elsie; flotter; flotterkedoes jongetje kreude jongste, de - lutje Jonkersvaart Jonkervoart (op de -) [Jonkersvoarter] jood jeud(e) jou dai; die; dij jouw dien jouwe, de/het - dier juffrouw juffraauw; juvver juffrouw (scherts.) kösterske; meester juffrouw juist just; juust; krek;(t); tjuust. Jukwerd Jukkerd (jn)[Jukkkerder] juli, 20 Pis Grait jullie ie; ielu; je; jim; joe jutten strandjen |
|
kaak kaif; koak kaal koal kaan koan(e) kaars keers; keerze kaart koart kaart, doorgestoken - omstoken waark kaartspel, soort - pakjeleggen; lantern kaas kees; keze kaasrasp keesrief kaasstof (in melk) hot; karrel kaatsbal koatsebaal; kotsebaal kaatsen koatsebaaltjen kabaal keboal; rebulie kabel, -televisie koabel kabinet kamnet kabouter dreudel; eerdmantje; estermantje; kebouter kabouters spenèlmboardjes kachel kaggel kacheltje, klein - duveltje kadetje böl(le); haardbrood; kedetje kaf pluus kafnaald ang; angel kak, kale - schiet kak, kouwe - krintekakkerij kakelen koakeln kakkerlak aimeke: aimerke; bakkers-iempien: bakkerstiek; bakkerstie-ke:haimerke: heerdaimke; heerdiemer; hoesaimke; iemerke: iempien kalf kaalf kalf (koe-) veerskaalf kalk kaalk(e) kalkoen kalkoun kalm kaalm; bedoard kalven kaalven kalvend, een jaar niet - voalmelk kalvend, vroeg - vrougmelk kam kaam; kame; kamme kam, grote - (met handvat) rijkamme kamer koamer kameraad kammeroad; pazzipant kameraden kezoaten; kezorten; kon-zorten kamille, soort - knoopkes kamperfoelie melkzoeger kan kaan; kane; kanne kan, blikken - klip(pe) kanaaltje moar I kandijgruis klontjegroes kandijklontjes vlintjes kaneel kenail kaneelstok piepkenail kanen grewels; griewels; griggen; gruvvels; koorns; koanen kanjer bom; woepster(d) kans kaans; oaventuur kant kaande; kaant(e); zied(e) kant, aan de - op zied kant, aan de andere - aanderkaant kant, scherpe - eg(ge) Kantens Kannes (in) [Kaanster] kantkoek lapkouk; kankouk; kantkouk kantkoek, soort - vrakke lat kap kabbe; kap(pe) kapelaan kappeloan kapitaal kaptoal kapitein kaptaain kapot kepot; stokkend; stukkend kappen, ermee - z. scheren kapper hoarsnieder; boardscheerder; cheerboas kapschuur alaarmschure; kapschuur kapseizen kapsaaizen kapstok kapstok kar kaar; kare karbonade kaarbenoadje: kaarmenoadje; karbenoadje; ribkes karekiet, kleine - raaitvink karnemelk zoepen karnemelksepap zoepenbrij karnen kaarnen karos krös; krözze karper kaarper karwei kerwaai karwei, lastig - toaie tep karweitje putje karwij kerwaai kast kaast(e) kasteel kestail kastelein kastelaain kat kadde; kat(te) katapult kaddepul kater koater katoen ketoen katrol schiefloop kattenkwaad ondeude kauw torenka Kauwen kaauwen: kammeln Kauwen (kleine hapjes -) kaauweln Kauwen, langzaam - kaiweln Kazerne kezèrn Keel haals; sloek(e); strödde Keelgat haals gat Keer bod; raais: raaize: moal Keffen kifken: kivven Keffer kifke Kegel tap(pe) Kei (steen) vlinde: vlint keitjes vlintjes keizer kaaizer kennen kennen; keunen kennen, niet goed - miskennen kennis ien e kun(de) kennissenkring kun(de) kerel, ruige - bamzoeze kereltje (vleinaam) maanje kereltje, dik en klein - koddel-om kereltje, klein - stip-in-t-flessie; keudeldoemke kerf kaarf kerk kerk(e) kerkgangers kerkvolk kerkuil kat-oel kerkzakje buul kermen kaarmen kermis, avond voor - petjemaart kerngezond tiereg kers kaars, kaarze kers, oostindische - biddelkaars: bittelkaars: bitterkaars: piepke: wipstaart] e Kerst Karsttied: Midwinter kerven kaarven ketel kedel ketsen kitsen ketting kedde: ket keuken (in boerderij) kebof keuren, laten - tugen I keus keur keutel dreudel: keudel; keulen keuterboer boerke: boertje keuvelen köstern: proatjen kever ( diverse soorten -) krob(be) kever, loop- kullebieter kever, soort - bloarebieter kibbel aar hikhak: kraivelder kibbelen hirrewirren: kivveln Kibbelgaarn Kibbelgoarn (op) [Kibbelgoarner] kiekendief, bruine - hoanebieter Kiel windeweer Kiel (in) [Kielster] kiem kim II kiem (in aardappel) oge; oog; oust(e) kiemen kiemen; kimmen; oetlopen; spieren kier glief; glieve; gloep; gluup kies koes; koeze kieskauwen keeskaauwen; paaien; plierken; pieuwen kieskeurig keur; tezzel; ties; tiesk kiespijn koeskillen; koespien kietelen kiddeln; kiedeln kietelig kiddelg; kieleg kieuw kaif; kieuw; kijf; kaiwe kievit kieft; kieviet; kiewiet kiezen bepoalen, z.; kaizen kiezer kaizer kijk kiek kijken kieken kijken, grimmig - grensken kijken, kwaad - gloepen kijken, stug - stoenen kijkgat gloepgat kijven kieven; kivven kikker aalbert; kikker(d) kikkerdril kikkerrit; rit kim kim I kind grom; kiend; kind kind (vleinaam) öl kind dat overal aan zit grieptengel; (h)antam kind dat slecht eet piezelemietje kind, bijdehand - biederhandje kind, dik - droet(gat) kind, dwingend - dwingerd kind, huilerig - grienderd; grienerd; krieterke kind, klein - orke; piezel; pruk; pruk-kie kind, koppig - stiekel kind, lief - keudeldoemke; mokkel(tj; kind, ondeugend - iensterment; ondeude; ondeugd(e); rob(be); (h)antar; amtam kind, onecht - bilwipper; wilde kind, ongehoorzaam - enter kind, ongezeglijk - antam; baloor kind, onhandelbaar - stiggel kind, parmantig - wieske kind, peuterend - hantam kind, stevig - klaauwer(d); stiep(erd kind, stoeigraag - repeltas; repelkoar kind, teer - pieperke; pieuwel; pieuw-ke kind, tenger - hieper(d) kind, vertederend - (door oogopslag ogendainder kind, vleiend - flod(de) kind, vragend - bedellapke kind, vroegwijs - oldgeborentje kind, wild - wildschut kinderen guiten; kortbainen; kortvolk; kinder; kiender kinderen, gesteld op - kindermaal; maalkinds kinderen, kleine - graauwstammen kinderfluitje nuner |
kinderlievend maalkinds kinderstoel kakstoul(e); preekje kinkhoest kinkhoust kip hin(ne); piek; rèb(be); tude; tuut I kip, leggende - legger kippen hoonder; hounder kippen- hounder- kippendief hounderdaif kippenei tuutaai kippensoort rooie ieslanders kippenvel houndervel; noppen (op aarms) kippenvoer (kalk e.d.) schuurmoag; schaarp kirren (duiven in paartijd) koeren; moaren kiskassen bottertjen; flittern; gliester-ken; gliestern; kiskern; platjezeilen; sliestern; slistern; zaailen; ziezeln kiskassteentje flikkerstaintje; slister-staintje; zaailstain kist kist(e) klaar kant; aan zied; kloar klaarmaken toumoaken klaarspelen ritsen; kloarspeulen Klaas Kloas klad (vuiligheid) klaar; klare klagen jaiweln; jaizeln; jeuzeln; kloagen; kremenaaiern klagen (zeurend -) sjantern klagen, aanhoudend - aarmhaarten klagen, huilend - jaauwstern klagen, verlangend - guntern klager hiepenkriet klap abbesoezerd; diedel; katjewaai; kemotter; klap; lap; lemperd; oabel-doedas; trekker; bats: lawibes; peuter klap(pen) laaiter III klapperen killen klappertanden tandeklappen klas klas; klazze klauteren klaauwstern klauw klaauw klaver kloaver klaveren (speelkaarten) kloavers kleden boien; klaiden kleden, netjes - opklaiden kleding klaaieroazie: klaaier: kleroazje; krös; krözze: tuug kleding, zeer slechte - laren en bellen; poltenpaalten kledingstuk, toonbaar - oetloper kleed klaid; klied kleefkruid duvelsnaaigoaren; klis(ter); klit; riepeltocht; tongel I kleermaker snieder klef (v. meelgerecht) klaims(k) klei klaai klei brengen over beklaaien klei, ontdoen van - klaaien Klei-Oldambt Lutje Oldambt kleibewoner klaaiker kleibewoner (scheldn.) klaaipoazer klein klaain; luddek; luk; lut; lut(t)ek; lutteg; luutk; neukerg; onneuzel Klein Duimpje Keudeldoemke klein(e) leutje; lutje; piemel; pooks kleine (vleinaam) routerd Kleinemeer Klainmeer (in) [Klain-meerster] kleiner worden beklinken kleingeestig lammenoadeg kleinigheid foas; knibbel(tje); prikkedil; scheet; smiksel; flottje, biegoantje klein kind hummel: kreude kleinkind ootjezegger kleins, iets - lutjeke kleinzerig haitkiddelg; haitkilleg; uin; waikzereg; wiebereg klemring waai II klep klep(pe); lep kleren goud: klaaier: lappen; tjopen kleren , in de - zetten oetbozzeln: oetstubben; oetboudeln kleren, nieuwe - poaskepronk kletsen reudein: reuteln; tjaauweln kletskous proatjeboksem kletsmajoor fleerpuut: kletsmaaier: kwaalmpot: lulbruier; lulmaaier: reudel kletsnat deurhmnat; dompeldeurnat; dwaarsdeurnat; sjompenat kletteren klettern kleumen klurnen kleumer krimpkat kleumerig, - persoon kleumkat; kleumkadde kleumig kleums(k) kleuterschool bewoarschoul; snöddebelschoule kleven aanbakken; bakken; pikken I kleverig bakkeg; bakkerg; baks; bakseg; kleverg; klibberg; pikkerg klier toaie Tais klikken flappen; fleren klikklakken aankittjen; kitsken; kittjen klikspaan flapkoar; flapperd; flap-scheet; flapsnoet; fleerder; klikspoan; klapspoan klimmen, iem. omhoog laten - bokje stoan klimop aailoof; klimmer kling klink klingelen kluundern klink, deur- klink(e) klinken heuren; roazen klisteerspuit schietspaaide klit klaar; klare kloek gerizzelveerd kloek (kip) klok I klok klök(ke) klokken klokken klomp klombe; klomp; klumpe klompen (soort -) holsken; tripklompen klompje klompke klont kloet klonteren kloeten; kloetjen kloof kleuf Kloosterburen Kloosterboeren (in) [Kloosterboerster] klos klos klossen klözzen klotsen klokken kloven kleuven kluif kluuf kluifje kloef kluit kloede; kloet; klont; kluut kluiten, uit de - gewassen gewamsd kluiven kloeven klungelen klongeln kluwen donde; dont; kloon; kloun(e); klouwen kluwen, slordige - knoedel knaap monster; veger(d) knaapje beudel; beuker(ke) knabbelen knaauweln; knibbeln; nibbeln knagen knoagen knappen knappen knarsen knistern; knaarzen knauw knaauw knecht vmt knecht, eerste - boerknecht; grootknecht knecht, jongere - haalfwas; aaierjong; schimmelmuiter; schoapjong; schoap-melker; schoapvent; stoppelknecht; voelveger knechtje, beginnend - dainstjong knersen knarren knetteren knistern; knittern kneuzen kneuzen; knuizen; knuren; knuzen kneuzing knuur knibbelen knibbeln knie knij(e) knieën knibbels knieën naar binnen, met de - knibbeltoond; kniebeltoons; knivveltoond; knibbeltoons; kaalverknijen knieholte hoks(el) kniestuk v.e. varken binkje; hakje knijpen kniepen; knuren knijper knieper; knipper knik blaauwbragel knikkebollen nikkoppen knikken nikken knikker albaster; badje; badjerd; badkerd; basterd knikker, soort - bikkelknikker; bommel; bosterd; koierd: bom knikkeren doddeltjen knikkeren (in een kuiltje) koeltjen; koeltjestoiten knikkeren, oneerlijk - doemken knip knip knoeien flontjen; kloetjebakken: knooien; knottjen: kudeln; slentern knoeier hakkenkruk; knooiboksem; knottjeboas knoest houst(e): knor(re): oust(e); oest knol knöl(le); ruif: ruive knollen, soort - maaiknollen knolraap rinkel(knol); roap; ropknol knoop knobe: knoop: knubbe: knup(pe) Knoop, slechte - olwieveknup knop knobbe: knop knorhaan knorhoan Knorrepot gramniet: gremiet; naarbok-sem; naarpot: nusteipot: vranterd knorrig franterg: nirteg: narreg Knot knot; stödde: stöt II: knödde Knuffelen aandoeken knuist knoest Knuppel (stok) bongel: bungel knutselaar knuterboksem knutselen hutseln; kleutern; knutern; knuustern; knuutjen koe baist; boekou; koe; kou; koubaist koe, drachtige - kaalfkou koe, onvruchtbare - kween; kwene koeien hoornvij koeiendrek kouflare; kouflort; kouflotter: kouschiet koeienhoop flaar; flort koeienstal koustaai; kouhut; kouschut koek kouk(e) koekenpan pankoukspaan koekhakken (spel) koukhaauwen; koukhakken; kouksloagen koekje (voor schaatsers) bagelbak koekjes, soort - kniepertjes koekoeksbloem pinksterbloum(e) koel koul; luchteg koel (v.d. wind) gul Koert Kouert koestal koudeel; kougaang koestalzolder koubaalk koesteren beklokkern koesteren (als een kloek) klokkern koffer kovver koffie kofje: kovvie koffie, bakje - drundeltje koffie, houdend van - kovvieachteg koffie, slechte - (e.d.) joegel; joggel; juggel; joggelebom: juggelwodder koffiedik kovvieprut koffiedrinken konkeln koffiemaat kovvielood: lood koffiepot, ouderwetse - kroantjepot kogel koegel |
kolen, op hete - op knipnoagels kolenkit vulemmer Kolham Kolham (op) [Kolhamster] kolk. binnendijkse - kolkje kolonie kelonie kom koem(e); kom(me); kuum komen komen; kommen komen, op het juiste moment -overtou komen komfoor kefoor Kommerzijl Kommerziel (in) [Kommerzielster] kommetje spoulkom konijn knien(e) koning keuneg; keunek; keunenk koning (kaartspel) heer koningin keunegin konkelen konkeln kooi kaauw(e) kool, rode of witte - boeskool koolmees blaauwmaiske; blaauw-wintermaiske; iembieter; iempikkertje; spekmaiske koolraap ronkel koolwitje reepschieter; stengeldoorn koolzaad roapzoad; zoad koolzaaddorsen kooldörs(k)en; zoaddörs(k)en koolzaadhoop leger koorts koors; koorze koortsig koorzeg koosjer kouster kop kop kop, met een dikke - dikkop(t) kopen kopen koppig doezeg; steeg(s); stief; stiems(k); stiekel koprol maken kobbeltjeboideln; kobbeltjebuideln; koppeltjeboideln; koppeltjeboien; koprol maken (getweeën) kraaike-wippen; kraaikewuppen kopzorg(en) kopschraberij koren wit; witzoad; koren koren (tarwe, gerst, rogge) witkoren korenschoven, hoop - hok korenzaad zoad korf korf; waan kornuiten kernuten korporaal kapperoal korrel graain; korrel; korrel korst körst(e); körste kort kort, kort kortademig dempe(r)g; hiemerg: knoord; naauwborsteg; oameg; poesteg kortgeleden kortsleden; nijachteg I kost kost; kost kostbaar duroabel kosten (znw) kosten(s); kösten(s): swoareghaid koster koster kou kol; kolde koud köld koud (bij zoekspel) moager koud (wg. komende regen) wotterk kous hoos; hoze kousevoeten, op - op hozevöddels: hozevörrels kouwelijk hieperg kozijn kezien kraag kroag(e) kraai kraai; krije kraai, tamme - ka kraai, toren- ka; hanska kraakbeen knaster; knirzel(bonk); knizzel; knor (re) kraai kraal; krale kraam kroam kraan kroan(e) krab kraab; krabe krabbel kriwwel; maggel krabbelaar (schaatsen) hakkenkruk(ke); kraabhak; kraber krabbelen (schaatsen) krukkeln; kraben krabbelen (schrijven) kraben krabben hekeln; kraben kracht forsie; voartsie kracht (fig.) sjars kracht, werk - knif; knir(re); knirt krachteloos waikbakken kraken kroaken krans kraans krant kraande; kraant(e) krassen krazzen krediet kerdiet krediet, verkopen op - borgen krent krìnde; krint(e) krentebol stoetje krentenbrood krintstoet krentjebrij gordegruwel; gruwelwotter kreukelig kroes kreunen en steunen haien en faien; poesten en stinnen kreupel hankemank kreupele hinkelepink: hinkelpoot Krewerd Kraiwerd (in) [Kraiwerder] kribbe krub(be) kriebelen krieweln krielaardappel kriwwel krielhaan kroepelhoan(t)je krielkip kroepelhin(t)je krieltjes haalssloekers krijgen kriegen: vangen krijgen, voorelkaar - beschoustern krijt kriet krijten krieten krimpen, het - krimp krioelen kraiveln: kraiweln; krimmeln en wimmeln: krioulen: kriwweln: kroepen en krimmeln: krummeln en wummeln kriskras alterkwalter: halterkwalter: hinterdetwinter; koeskas; taalterkwaal-ter kroeg kroeg; kroug kroeg, stille - kniep(e); knip krokus krookje krombenig taks bnw kronkeling (Itk) drèl kroos eendekreus; kreus; kreuze krop krobbe; krop Kropswolde Wolle (in) [Wolster] krot krot kruid kruud kruiderig kruderg bnw kruien kroden kruien, het - kro(de) kruik kroek(e); kruuk kruikar (eenwielige -) koar(e); kroodkoar kruim kroem kruimel griezel; kroemel; krumel; krummel kruimelen kroemeln; krumeln; krummeln; krommels kruimeltje krummeltje kruin kroun; kruun kruipen kroepen: krupen kruis kruus kruisbes krudeldoorn: krudoorn kruiselings kruuslings; kruusweegs kruisen kruzen kruisjassen kruusjazzen Kruisweg Kruusweg (op) [Krauswegster] kruiwagen kruikoar: koar(e): schoefkoar(e) kruk kruk(ke) krui fertuut: krol: krul krullebol doeskop krullen krollen; krullen kuchen kifken; knoggeln; koggeln; koggen kuieren kaaiern; kuiern kuif koef; kuuf; pielk; toeve; top kuifleeuwerik padloper kuiken kuken; piek kuiken (nl. hen) hïnkuken kuiken (nl. haan) hoankuken kuil döb(be); koel(e) kuiltje sjol; koel(t)je kuip koep kuit kuut kunde kun(de) kundig kundeg kunnen keunen; kinnen; magen; maggen kunstenmakerij keukelderij kuren verdaipens kurk körk(e) kus smok: tuut I; doetje kussen (znw) kuzzen; peul(e) kussen (\v\v) smokken; doetjen kussensloop slobe; sloop Kuzemer Kuzemer (op) [Kuzemer] kwaad beus: beuze; grammiedeg; grammieterg; gramniedeg; gramnieterg; kwoad; nieds(k) kwaadheid kwoadens; kwoadhaid; kwoaiens kwaadmaken, z. z. besouwen kwaadspreken labaaien kwaal kwoal kwab kwaab; kwabe kwajongen bunze: bandrekel: gaalgestrop: go wel: neger: kwoajong: ort; strop kwajongens blaauwkoppen kwaken rikkikken kwakzalven lapzaalven kwakzalver lapzaalver kwalijk kwoalek bnw kwalster ragel; kwaalster kwalsterijs kwaalster(ies) kwansuis kwanswies; kwienskwans: kwinskwans kwart vöddel; vörrel kwart, voor een - vöddels kwartaal vörreljoar kwartel kwardel; kwartel kwartier ketaaier; ketaar kwartje viefstuver kwartje, van een - kwattjes bnw kwast (in hout) dwarrel; (h)oust kwastje (op kleren) toef kwebbelen kaibeln kweekgras kweek kwelling tamtoatsie kwestie kwestie; kwezzie kwezelaar fiemel; fiemelder kwibus krébas; kriebes kwiek ras en tas; veerdeg; vereg kwijl kwiel(e) kwijlen sievern kwijnen kwienen kwijt kwiet kwijtraken kwiet worden kwijtraken (onachtzaam -) verkontjen verstommeln; votkontjen kwikstaart akkermantje; baauwmantje kwispelstaarten wimmelstaartjen |
|
la(de) loa; loag laag (bnw) leeg II; plat laag (znw) loag(e) laag (van stam) leegstamd laag, stevige - eten daam laagte dèl(le) I; leegte; lege laan dreve; drift; oetdrift; oetree; oetvoart; loan(e) laan, boeren- ree; voart laars stevel; leers; leerze laarzentrekker stevelknecht laat loat laat (te -) achteroet laat, nogal - loatachteg laatkomer Pait achteroet; Jan zachies laatst lest; lest(en)doags; lestent laatste, de - oef lachen lakken; laggen; lagen ladder ledder I ladder (in kous) riddel; ril(le) I laddertje (in boerderijgracht) kret laden loaden lading loaden laf laf Iaf aard hukker; lafbek; lafscheet; lafsnoet; lavverd; levverd Lageland Legelaand (in t) [Lege-landster] lager wal, aan - in neerloag lagere school legere -. loagere schoul(e), schoul(e) laken loaken laken, van - loakens laks laauwloeneg lam laam; lam lam (in het kruis) kruuslam Lam bert Lammert eigenn lambrisering lammerzaaiern lamenteren lamme(n)taaiern lamlendig lamlötteg; lammelötteg; lammenoadeg lammeren (ww) lammerkriegen lamp laambe; laamp(e) lampionnetje kip-kap-kogel; tuutje land laand land tussen 'wieken' (Vk.) blok; aailaand land, bebouwd - baauw land, braakliggend - broak land, ingedijkt - uterdiek land, driehoekig stuk - tibbe; tip land, omgeploegd - baauwte land, onbebouwd - vogelwaaide land, strook - heerd land, stuk - gewént landbouw landbaauw landbouwer baauwboer landgenoot laandsman landloper loezebos; omswinder; omzwiener landmaat tree landmaat (oude -) mud(de) landouw land(sd)aauw landschap landschop landweg noodweg; nutloane; nutweg landzijde (in Vk.) laandskaande lang (bnw) laang; laank lang (bw) laange lang en vermoeiend laankziekeg lang geleden in laankmanstieden lang niet hennebienoanait; hin of bienoa nait; laank-en-benoa-nait lang, vrij - laankachteg lang, zeer - tiedstieden langbeen laankpoot langbenig laankbaind; laankbijnd langdradig laankwaarpeg; wielewoaleg langdurig in tieden; laankmanstied; laankwieleg; langemanstieden langharig laankhoard langpootmug laankbainder(d); laank-bijner; laankpoot; laankpoter(d) langs bie laangs; bie laans; bie langes; laan(g)s; lange(r)s; bie langs languit laankoet langwerpig laankwaarpeg langzaam langzoam langzamerhand bie leutjen; bie lutjen; stoareg aan lankmoedig laankzinneg lantaren lampteern; lanteern; schienvat lanterfanten omdoameln lanterfanter gengel lap labbe; lap; lappe; taalt; flaar; flare lap, losse - flaans lap, oude - lort 1; palt; polde; polt lapje (stof) flittertje lapje, voor het - veur de abbe; veur; d'odde; veur t zootje lappen lappen II lappen, vol - lapperg larie lar(r)ie; larriefaks; larriefarrie las lask; latse lassen (v. hout) lippen last, zwaarste - aanjuk laster proaterij lastig nareg lastig vallen moeien; moien; muien lat ladde; lat laten loaten later noatied Laude Laauwde (in) [Laauwder] lauw schotterlaauw lauw (eerder koud dan warm) lietjelaauw laveren levaaiern lawaai lewaai; rebulie lawaai maken lewaaien; roazen; tjoedeln le(d)ergoed leerwaark ledematen ledemoaten; leden leed laid; lied leefregel taks leeftijd leeftied leeftijd, (hoge -) older leeftijdgenoten evenölders leeg gèl; gust; leeg I; legedeuzenwaark Leek Leek (op de) [Leekster] leem laim leen lain Leendert Laindert Leens Lains (in) [Lainster] Leentje Lain; Laintje |
leep laip leergierig; aannemelk leerlooierij leerkoepen Leermens Leerms (in) [Leermster] leest laist(e) leeuw laif; laiwe leeuwebekje laiwebek; liwerbek leeuwerik laiwerik; laiwerke; leeuwerk; leeuwerk(e); liwer(ke); luwerke Leger des Heils Haailsleger; Leger leggen leggen lei laai leiden laaiden leiding laaiden leidsel laaide; laaidseel; leide; tets(e) lekkage lekkerij; lekkoazie lekken sievern lekker, niet - grotterg; hiepkonterg; krebenteg; lar(r)eg; mieterg; oet orde(r) lel lobbe; lod; lor II lelijk lèlk lelijkerd lèlkerd; ousterd lelijkheid lèlkens Lellens Lèlns (in) [Lèlnster] lemen laimen lemmet lemt lende len(de) lendenstuk (v.e. rund) meurbroa; muurbroa lenen borgen; lainen; lorten; lortjen lenig jenteg; lieneg; smui; jezzeg lening lainen lens gust leren leren Lethe, De - Laite (in de) [Laitjeder] Lettel bert Lepterd (in) [Lepterder] letten op figelaaiern; noalopen letter ledder II leugenaar laigenbaist; leugenbaist; "leugender; leugenpuut leuning leunen leunstoel kroakstoul; zörg(e) leuteraar leuterboksem; leutergat; leuterkoar euteren bakpannen even leven(t) evend leventeg evendig leventeg; tiddel; tirrel evenslustig flonk; tiereg; wif evensteken, geen - gain oazem leveren, het 'm - lappen I levi Laip lezen lezen libel peerdmantje lichaam hoed; krös; krözze; lief: liggoam; de litsen; ribben lichaam (plat) pens; pokkei; pukkel lichaamsdeel (onbepaald -) niknak lichaamsgestel inholten licht lucht; licht licht worden lichten II lichtgeraakt brokkel; bros; krik(ke); naarsk; naauwnemend; niddel; nitterg; sprokkel; tiddel; tiezeg; tirrel lichtje tuutje lichtslapend dunsloaperg lichtvaardig lichtveerdeg lid lid 1 lied laid lieden lu liederlijk liederliek lief knuterg; laif liefde laifhebberij liefhebber beminder; laifhebber liefhebberij laifhebberij liefst laifst; laist liefste laive liegen laigen; liegen lies laisk(e); laist lieve troedel lieveheersbeestje eertuutje; heertiek-je; heertuutje; laimeneerstiekje; laimeneerstuutje; lij meneerstiektje; lij meneerstuutken; lij meneertieke; meneertuutje lieveling laimeneerstuutje: laiverd; sokkern kenailduveltje; tuut I liever laiver lieverlee, van - van laiverlee; van laiverloa; van laiverloag; van lieverloa; liflaf slinger-om-de-smoel; liplapperij liggen leggen: liggen liggen, in het water - (hout) woatern- liggen, verkeerd - z. verliggen liggend (graan) legerachteg; legerg liguster legister; leguster: register lijden aan labberaaiern lijden, pijn - lieden lijder lieder lijken lieken: tonen lijken (klinken) toulieken lijken op slachten II lijm Hem; plaksel lijn lien(e) lijst liest(e) lijster kliester; liester lijsterbes kliesterbij: liesterbaai; liesterbij; liesterkraal lijsterbessen dolbijen: kraiken; kraiten; kweeksen; kweetsekralen; kweetsen; kwetsebijen; kwetsen; kwitsebaaien; kwitsekralen lijzeil laaiseel lijzijde schoelkaant lik slik likdoorn liekdoorn likken slikken liniaal liekholtje; lieklatje; lienholtje; linioal; lieker liniaal, soort - raailat linnen rek linnenrik: rik lip libbe; lip liquideren liekedaaiern lis, gele - aaiberbek; aaiberbloum(e);eent; schelvisstaart lisdodde aindebek; bollepies; doeskoarde; doethoamel; douterkoeze; duthoamer; duuthoamer; hoanebolt; hondebolt; ielte II; kaddestaart; laampepoester(d); pommel; pompei; pomper; schelvisstaart; segoar(e); snieling; toelebolt; toerebol(t); toetebol(t); tudebolt; vluus listig laaip; laip liter kaan; kane; kanne litteken dèl(le) I; groe(de); grou lobbes govver(d); kolverd; loebes; lovverd: molverd |
loefzijde te laauwerd loeien beulen; bolken; brollen; hoelen loeren kuurogen; loeren; gappen loeren, het - loer logeren lozaaiern; uutvanhuus goan lok pielk lokmiddel lokkebrood lol spikanteghaid lol, voor de - oet joks; oet poelegrap lomp lompend; ontjonterg; stovvel-achteg lomperd govver(d); kolverd; lovverd: tjont(e) long (scherts.) poester(d) lood lood loodrecht straalrecht loom maf; mats(k); matseg loon verdainst(e) loon (dag-) daghuur loop loop loop naar de maan schiet die oet loop, in de - lopiesvot; lopiesweg loophengel töbhangel loopkever filaainebieter loops loops(k); tiels(k) loops (v. kippen) treds(k) loot loopsel; stek lopen lopen lopen sjaauwen lopen (in natte schoenen) soppen lopen door 't land veldjen lopen met forse stappen boestern; voamen lopen over ijsschotsen scholtjelopen swakbodjen; swakjeboantjen; swakjelopen lopen, druk bewegend – haauwen lopen, flink - steveln lopen, gejaagd - bildern lopen, hard - bokseln; boksemen; bozzeln, buien; bunzeln; vlaigen; vorken; veldjen lopen, langs de straat - bildern l lopen, lawaaierig - gaddern II lopen, met geweld - binzeln; klettern lopen, met veel drukte - veugeln; vogeln lopen, moeilijk - stuidelbuideln; :okseln lopen, moeizaam - stutjen lopen, onhandig - klontern lopen, scheef –schongeln lopen, slecht - hottjen lopen, slingerachtig - heukeln open, snel - birzeln; birzen: postern lopen, soppend - sjompen lopen, stijf - strampeln lopen, uit alle macht - klaauwen lopen, vlug - oplopen lopen, voorzichtig - pootjen lopen, wijdbeens - strieden lopen, wijs - steertjen lopen, zwaar - aanbougen lopend lopend(s) oper steeksleudel Loppersum Loppersom (in) Lopster] los lös los (van structuur) hoppeg; goddel: zorrel; vlözzeg los zitten (v. schoenen) sloppen los zittend gap(s) los(bandig) lösbandeg los vrij - lösachteg Losdorp Losdorp (in) [Lösdörpster] losjes lichtveerdeg lossen lözzen lossen, ged. - lichten I lot (de fortuin) lot; löt lot (uit loterij) löt loten lötten loterij lötterij louter kloar; loeter; schier; schoon Louw Laauw(e) loven en bieden haandjebakken; haandjeplakken Lucas Loeks; Luuks lucht locht; lucht luchtbel brobbel; bobbel luchten oetwieren; wieregen; wieren lucifer luzivèr Luddeweer Luddeweer (in) [Ludde-weerster] lui (bnw) laai; loi; lui lui (znw) lu luiaard laauwgat; lammert luid haardoet; haardop . luiden luden luidruchtig bambereg; biebereg; holbol; hui(la); luudruchteg luier pakdouk; pisdouk luieren laaiern: luierken: loiern luieren, liggen – loddern luiheid loieghaid: luiens luik loek luim noek luimig loens(k) luis loes: pioot: pioter: zespoter luis (scherts.) aanloper; overloper luisteren heuren: lu(u)stern I luizen (scherts.) gezelschop Lukaswolde Luukswolle (in) [Luukswolmer] lukken belokken: belukken: lokken; lukken lummel dovvel: dower(d); loebes: loeter(d): tjoulf lunch broodeten lupine lepien; lepuun lurken lurpen lurven schobben lus lits(e) lusje (aan paardenhalsband) etfing; netfing lust moud I; smicht; zinneghaid lusteloos doamel; sloer(eg); soor lusten Luzzen Luthers Lutters luw lij luwen lijen luwte lijte; schoel(e); smoute; verschoei |
|
maagzuur zeubranden; zobranden; zokwellen; zuur maal moal maaltijd eterij maaltje, lekker - vretje maan moan(e) I maan, lichte - lichtmoan maan, naar de - noar de barrebiesies; noar de giegom; noar de giegemegugel maand moand maandag moandag maandags, 's - smoandags; smoandoags maar man; moar; mor; oaber Maarhuizen Moarhoezen (op) Moarhoester] maart meert II; meertmoand Maarten Meerten(t) maas (v.e. net) netfinke maat moat maat (etens-) meug(e) maat (vr.) moatske maat (zover als oog reikt) gezicht maat, afstands- ge wind; venneweegs; ven weegs; wind maat, inhouds- spient; spint maat, oppervlakte - daaimt; graas; gras maat, veen- klem machine mesien made (insect) moade; moar; moade; moat madeliefje botterbloemke; koebloem-ke; laandjebloum(e); maaibloum-pie(n); melaifke; venneblom; venne-bloum madeliefje, dubbel - laifkebloum madeliefjes mooie laifkes mager aarmhaarteg; hoamel; lieder-liek; moager; smachteg; snoar; voazel magerheid moagerns mak als een koe koumak makelaar moakelder; moakeloar maken moaken maken, in wanorde - verroppen; verruden maken, slecht - tjikseln makkelijker makkelder makker moat II; pazzipant makreel mekrail mal maal malaria binnenkoors malen, fijn - moalen I malend moalderg man kerel; manskerel man van niets soepkerel man, forse - boare man, ruwe - beer man, wat overdreven - sjarlefrans manchesterstof mesester; oamias; ommejas; ommejès manchet mesjedde; mesjet mand ben(ne); korf; madde; mat mand, rug- kiep(e); kiepkörf manen (v.e. paard) moan(e) II manen (ww) moanen manier menaaier; menaar; wies mank gaan tippen; kreupeln mankeren mekaaiern; schelen mannen manlu (volk) mannetje mantje; maanje mannetje, klein – eerdmantje manspersoon manmensk manspersoon, klein - mieghummel; kreut mantel mandel manufacturen lapkes; lappenlonten manufacturier bontjer; lappieskoop-man; lapkekoopman markt maark I; maart markten martjen marskramer kiepkerel Martenshoek Houk (op) [Houkster] Martha Martje; Mat Martinitoren Olie Grieze; Martini; Metini Marum Moarum (in) [Moarumer] masker gebèlskop; gebilschop; kebèls-kop; schebellenskop; schebèlskop; schebilskop massa, vochtige - kwaksel masseur vriefdokter masturberen haandkaarnen; öftrek-ken; voesieknakken mat maizeg matsen foekeln mazelen mezzels mazen masken: masten medelevend meeliedeg medelijden meedlieden; meelie; om-denken mee met: mit mee bezig zijn ommaans hebben mee zitten (door 't weer) mitweren Meeden Maiden (op de) [Maidemer] Meedhuizen Midhoezen (in) [Midhoester] mee-eter eter meelijwekkend aarmhaarteg meel kost blaauwe bliksem; haalf sem; Jan-in-de-zak; Jan-in-onderboksem; Jan-in-t-hemd; ketaaier-veur-twaalven; kiek-boven-deur; kiek-over-deur; klont; kraab-ien-paan; kraab-oet-paan; kraab-om; loiwievenkost; lui vraauwlu-eten; meelklont; pankouk; potjebuul; potjemeel; povvert; ruierom; stip-in-t-gat; stip-in-t-koeltje: zakkouk meer dan genoeg zat genog meerdere meerderman meerderen hevven meest mainst; maist; mijnst meestal mainsttied; miest meesten, de - gros meester mester meester (scherts.) koster meester, vrouw van de - kösterske meeuw koap; köb(be); maif; maive; maiwe; meeuw; miw; onweersvogel; zeevogel Meeuwis Mais meevallen touvalen mei maai; maaimoand; mei mei, 1 - maai, nij mei, 12 - maai, ol |
meid, brutale - hoksel meid, eerste - grootmaaid meid, jongste - lutje maaid meid, kreng v.e. - pinheukel meid, stevige - boaswicht meidoorn hoageldoorn meidoornvruchten jaipies; juipies; smeerbaaien; smeerpotjes; smeertuiten; spekjuipies; trekkebekkers; tuidebloumen meikever ekkelmot; ekkelmouer; ekkeltiek; gloazetikker Meindert Maaindert meisje ram(ke); maaïd; meid; moagdje: or I; orke; wicht I meisje (verveiend -) orre meisje, bewegelijk - wipstaartje; wupsteertje meisje, bijdehand - spitske meisje, dartel - bilder meisje, klein en aardig - stipdiggel meisje, kwaadaardig - siggel meisje, lastig - oas meisje, lui - lietjelaauw meisje, mager - dundaarm; latte; spieker meisje, ongedurig - klits(e) meisje, op jongens gesteld - fommelötte; wilster meisje, opgedirkt - flottermedam meisje, ouwelijk - bepke meisje, pinnig - evertaske meisje, proper - evventredje meisje, wild - roeskevoeske melde mèl melig meelderg; melerg meelijwekkend meeliedeg melk en beschuit melkentwijbak melk, dik geworden - keel melk, geen - meer geven öfsaaiern melk, geen - meer gevend dreug(e); gust melk, schiftende - kilterkalter melkdistel zeudiezel melkenstijd melkoavend melkplaats melkvaaier; melkvaal; melkvoart melkvat tien(e) melkzeef klins; klinze; teems; teemze men mensken meneer meneer menen mainen; mienen mengen mengen; koeskazzen; kwakseln; tjoekseln menig menneg vnw mening geleuf; mainen Menno Menne; Minne menpad loan(e); mennen mens mens(k); mins(k) mens, raar - petret mensen mensken; volk; lu Mensingeweer Menskeweer (in) [Menskeweerster] Menzo Menze; Mlnze mep peune merel swaarde liester merg pit; maark merk maark II; moet merken maarken; waiten; vernemen merkteken moude; mout; iekje merrie meer; mere merrie, drachtige - voolmeer mes mes; mèsk; mest mes, oud - slakkesteker mes, soort - knief(t) mes, stomp - porrevilder mesje schildersmeske; ko(a)pmeske messing mesk mest dong; rnezze; mis; mizze I mesthoop dongbult; mestvölder; mezzebult; misbult; misdöbbe; mizzem; mizzenk; schatbult mestkever mistiek(e) mestschop drekschop mestschop, grote - misscheer; mis-schere mestvaalt mis: mizze I mestvarken mezzelswien; messelswien met met: mit met andere woorden dat - meten öftreden metselen mezzeln: muren meubel meubel miauwen maauwen middag middeg; mirreg; noamiddag: nommerdag middags, 's - smirregs middageten middag; waarm eten middelbare leeftijd, van - haalfsleten Middelbert Milbert (in) [Milberder] middelen scheuren Middelstum Middelsom (in) [Middelsommer] middelvinger laange laaiter midden middel; midden middenrif middelschot Midwolda Midwolle (in) [Midwolmer] Midwolde Midwolle (in) [Midwolmer] mier miegaimer; mieger; mieghommel; mieghummel I; pishoamer; pishommel; pismieger mieren maaiern mierzoet kweer(s) migraine schele kopzere mijden z. mieden mijn mien vnw mijne, de/het - mienen(t) vnw mijnen (veiling) mienen mijt miet mikken kuren; pikken II miltsteek middelsteek; ziedsteek; ziesteek minder erg worden lichten I mindere, de - minderman minstens sachs; saks; te minnent; te minzen(t) mirakel meroakel misbaar gebeer misbaksel flottje; misbrudsel |
miskraam mizze II; poedel mislukken kullen; mishotken; mishottjen, mishottjern; miskielen; miskullen; ontkomen mislukking poebel; poepappel; poepel mismoedig mismoudeg mispas foebel; foevel; poebel; sluper; tumel mispunt loer; loerangel; miesgaster misschien aaltemit; altmangs; altmets; licht; lichtschain; mangs; meschain; meschien; misschain; opmis; woar; aaltemet(s) misselijk flaauw; mizzelk missen missen; mizzen I misslag boetenslag misstap misvaal mist dook misten doken mistig dokeg; dokerg mistig, licht - diezeg modder prudde; prut modderen moddern modderig bragelg modderkruiper (vis) poetoal mode mode; moud II modern nijmoods; nijmouds moe moed; mui; muid; muide moed keroazie; mor; morries; moud I; moudveren (fig.) moedeloos flaauwmoudeg moedeloosheid euvelmoud moeder mem; moe; moek; moeke; moetje; mouder; mouer I; mouke; oldske moedertje (vleinaam) öl moeheid moedens; muidens moeilijk muilek; stoef; stoer; swoar moeite gedounte; gekruuske; kripsie; krupsie; muite; schripsie; waark moeite doen bokjen; foggeln moeite kosten in hebben moeite, kleine - aanzet; toutast, t is mor n - moeite, langdurige - gekruus moeiten gemarrel en gesparrel moer mouer II moeras moor moerassig zompeg moes smots moestuin mouskerij moeten moenen; moeten; monnen; mouten moffelen movveln mogelijk meugelk; mogelk mogelijkheid meugelkhaid mogen magen; maggen; meugen moiré meree moker meuker mol mol(le) molen meulen; mollen; muilen molenaar mulder molenaarsvrouw mulderske molenaarswoning meulenhoes Molenrij Rieg (in) [Riegster] molentocht meulensloot; meulenwiek molenwiek meulenrou mollengang ril(le) II; rit molshoop molbult mompelen mommeln; monkeln; mummeln; prommeln; prummeln mond gapperd; konsjènzie; möf: mommel; muive; rabbelkoanes: revel mond- en klauwzeer tongbloar(e) mond-op-mond-beademing mond-op-mond-poesten monnik munnek monnikskap (plant) oadam-en-evoa; peerdenseeske monster munster mooi mooi: swiet; nuver mooi maken, z. struzen. z. mooi, - om te zien ogenkost mooie (zgn) laiverd; lekkertje mooiprater fleerder: smeerkwast: zuitkaauwer moois mooieghaid moois, iets - mooichie; mooike mopperaar doesterd; foeterkoar(e); knorhoan; mopperkoar; motgat; mötjeder; motterd; naro; proem(e); toesterd mopperen grommeln; mötjen; motten III; neulen; neuren; mottern; pröddeln; pruddeln; prutteln; vrante(r)n mopperig vrevel moppers kieve; motters; pröddels morgen morgen; mörn morgenochtend mörgenvroug; mörnvro morgens, 's smörgens; smörns morgenster, gele en blauwe - mör-genglorie morrelen moddeln; morreln morsboel groetjederij morsdood pieremotje; stindood morsebel graimdotse; groeterd; groetje; groetjepoet; groetpoet; graimer(d) morsen graimen; gremen; grijmen; klaaien; klaimen; kloddern; kloeten; klottjen; kwakseln; kwengeln; kwin-geln; motten II; pengeln; pulsken; roegein; slintern; smodsen; soetern morsend, licht - graimeg mosterd lollemansstip; lullemanstip; mosterd mosterdsaus bolschiet; mosterdstip motregen öfgeschaaiden regen: sladder: miggelregen motregenen miegein; miezeln; miezen: miggein: motten I; stofregen mout molt mouw maauw(e) mud mud(de); murre muf beunsk; mof; movveg mufheid movveghaid muggenzifter mietjefoek muis moes muiskleurig moeskevoal muizenissen kopzeerde; kopzeerte; moezenusten mul moalderg murik (onkruid) mier(e) mus musk(e) Mussel De Muzzel (in) [Muzzelker] Musselkanaal Muzzelknoal (op) [Muzzelknoalster] muts pole; pool muur mure; muur muur (plant) mier |
|
na noa; op naad noad naaien (op naaimachine) tjoekseln naaien, slecht - foeken; foggeln; tjoeken; veugeln; toeken naaister nijster; naaister naakt noakend naald naai; nale naam noam naar noa; noar; op ... aan naar binnen harin; herin naast benoastenbie; nevven; noast nacht naacht; nacht(e) nachtschade (zwarte) nachtkaarvel nachtzwaluw kirrevaalk; meerlam; peerheer nadat noadat voegw nadeel noadail; schoa nadenken omdenken; prakkezaaiern nader noader nagaan noagoan nageboorte (v. koe of paard) licht nagel noagel najagen hoasjoagen nakijken noakieken nakomertje nustaai: nustdotje; tebaks--idertje nalaten bemoaken nalopen noalopen namelijk noamelk: van narcis, gele poaskebloum narcose, onder - onder zaail natheid natte; natten; nattens natuurlijk noaturelk; noatuurlek; van-zulf nauw naauw nauwelijks mor even; naauw; zuneg nauwsluitend knepeg; spans navel navvel nazeggen noazeggen nazien noakieken; noawoaren nazomer, fraaie - eerappelzummer nazomer, mooie - kraaizummer nederlaag neerloag Nederlands, halfbakken - haalf put-, haalf regenwotter; Pekelder Hollands; Slapsma-Tiessens nee schudden schud(de)koppen neer hin neerleggen deelleggen neerslachtig sloef; sloefstaart; sloeg; sloek; sluug neersmakken wamzen nek nak(ke); nek(ke); nekken nekken nekjen nemen nemen, nemmen |
nemen, ertussen - bekaaien nerf naarf: oader nergens naargens; naarms; naarns; naarnt nering neren nerveus hister nest nöst: nust nestei nustaai nestelen nözzeln: nuzzeln nestelen, z. - z. inkoelen net (bnw) kant: schier net (bw) krek(t) net, soort - (znw) laai netel- neddel-: nettel- netjes mooi; nibbel II; nippel II; ogelk; ordentelk; pundelk; smui; schier neuken fieken; fietern; veugeln; vogeln neuriën nunen; nunern; nuuntjen neus neus; neuze; nosterd neus, dikke - gokkerd neusgat nöster neusklem voor paarden bril(le) nevelig dompeg; sobbeg nicht nicht(e) Niebert Nijbert (in) [Nijberter] Niehove Nijhoof (in) [Nijhoofster] Niekerk Nijkerk (in) [Nijkerker] niemand gainain; gainen(t); naimand; nums niet nai; nait; nich niet even - ongelieke - niet, volstrekt - onmeugelk nait nietig schieterg niets fotse; gain ooggroot niets doen niksen niets, helemaal - gain fits of foazel; gain rempel nietsnut niksnut; onnut; slapdaarm; slapscheet nieuw nij nieuw lijkend nijachteg Nieuw-Scheemda Scheemterhammerk (in) [Scheemterhammerker] Nieuwe Pekela Pekel, Nij- (in) [Nij-Pekelder] Nieuwe-Compagnie Nijkomnij (in) [Nijkomnijster] Nieuweschans d'Schanze (in) [Schansker] nieuwheid nijloatje; nijlootje nieuwjaar nij-joar nieuwmelks nijmèlk(t) Nieuwolda t Hammerk (in) [Hammerker] nieuws nais; nijs Nieuwsblad van het Noorden Nijsblad nieuwsgierig snuusterg I; nijsgiereg nieuwtje naichien; nijlootje; nijske; nijchie nieuwtjes naichies Niezijl Nij ziel (in) [Nijzielster] |
nijd nied nijdas swieniegel; zwieniegel nijdig dosterg; grabeg; niedeg nijptang knieptaang, knieptange nijver iemeg nippen lepken; lipken; lubbern; lubken; nipjen; nipken; tuisken nodig neudeg; van neuden; nodeg; vanneuden; verneuden nodige, het - gerak; gerief noemen neumen; nuimen; numen; nummen; noemen noga noga nogal mooi non nun nood knieper(d) noodzaak neudzoak; noodzoak noodzakelijk noodzoakelk noord(elijk) noor; noord Noordbroek Noordbrouk (in) [Noordbroukster] Noorddijk Noorddiek (in) [Noorddiekster] noordelijk noreik noorden, het - noor Noorderhoogebrug Hogebrug (op) [Hogebrugster] noorderzon, met de - mit bèr en bolster Noordhorn Noordhörn (in) [Noord-corner] Noordlaren Noordloaren (in) "Noordloarder] Noordpolderzijl Polderziel (op) Polderzielster] Noordwijk Noordwiek (in) 'Noordwiekmer] Noordwolde Noordwöl (in) 'Noordwolder] noot (vrucht) neude I; neut normaal noabergeliek nors kloeterg; ozzeg; storreg; krieterg; rroel nors zijn pratten notenschieten neutenschaiten; rieg-jen; riestern; riestertjen notenschieten, soort - aibeltjen nou (tussenw) na nou (bw) noe; non nu non; nou nu eens hier, dan weer daar bald hier, bald doar nu en dan bie tiedbeurten; bie tieden; bie zetten nuchter nöchtern nufje steertpogge Nu is Nuus (in) [Nuusmer] nuk kwink; noek; nok; nuk; stoek(e) nukken numen nukkig bokachteg; bokkeg; proekeg nukkigheid noekeghaid; nokkeghaid nut wil(le) nutteloos onnut nuttig nut |
|
o-benen takse bainen; uterbaind oké in de riebel ochtend veumiddag; veumirreg; veurmirreg; vummerdag ochtendmens mörgenman oer or II of as; of offer ovver ofschoon ofschoon (aal -); schoon dat ogen glimmers ogen, grote - kuipers ogen, met half toegeknepen - kureg ogenblik hetje; ogenslag; ogenstond; stuit; veeg ogenblik, ieder - ieder klapscheet; ieder knapscheet ogenblikje hoantree ogend oogvol ogenschijnlijk schienboarliek Oldehove Olhoof (in) [Olhoofster] Oldekerk Ollekerk (in) [Ollekerker] Oldenzijl Oldenziel (in)[ Oldenziel-ster] olie eulie; eulje oliebol euliekouk(e) oliebol (scherts.) eulieflot oliën euljen olifant eulifant olijkerd scheervogel om om; um om ... te halen om om bestwil oet best: oet gouder best oma bep(pe); bepke; beppie; groop-moe; grootmoe; grootmoek; grootmoeke; ootje; opoe omdat omreden (dat) omdraaien, z. z. omgeven omgaan, onhandig - met knovveln omgang, gezellige - aanhold omgekeerd strieklings omgeploegd swaart omgeving jegend; kontrainen; omgeven; wereld omgeving, in de - van en om omgraven omgroaven; hoaken omhaal weure; omhoal omheinen öfriggeln omlaag deel; dèl; doale; omdeel; om-dèl; ommeneden Ommelanderwijk De Wieke (op) [Wiekster] omspitten groaven omwroeten ommevruten onaangenaam onzuit onafgebroken aingoal; drai zessen, drai zeuvens; van ollen tot kollen; twij korten twij langen; toereloers; toer-loos; toezjoer, in ain boksemwams deur onbeduidend heukerg onbehaaglijk ontronteg onbenulligheid schietscheterij onbeschaafd ontronteg onbeschaafde onbeschoft onbesuisd onbestekkelk onbetekenende - schiet – onder under Onderdendam Onderndaam (in) [Onderndamster] onderhandelen (over prijs) haandje bakken; haandje plakken onderhoudsdeel pand onderkin dubbele kin onderlaken wiedel; wielen; wietel ondermelk schep-op onderweg onderwegens onderwijzen leren onderzoeken pegeln; schaauwen ondeugend deugennaits; robbeg ondiep vloot onding ontront(e) oneffen boggelg; bulterg; ongoal oneffen worden kudeln oneffen zijn boggeln oneffenheden huiten en bulten: rellen en drellen oneffenheid boggel; sjöldje onenigheid mismasserij; onmooi oneven on onfatsoenlijk onmeugend; schoamzoam; onfersounlek onfris miezeg; miezerg ongedaan ongedoan ongedierte ongemak; ongoud; vreterij ongedierte, klein - luus en pluus ongeduldig biebereg; laankzuikeg;edkorteg ongedurig goddel; gorrel ongehoorzaam nait om Hek ongehuwd ainboar: ainlopend ontevreden hiepkonterg ontfutselen kwiethandeg moaken: òfnaasken: òfnasjen ontginnen laand toumoaken ontglippen (uit de mond) ontkomen ontgroenen behelstern onthouden ontholden onthoudend, goed - ontholdsk onthuiden bloten; òfhoedjen onthutst verblaaid; verblijd ontkennen schud(de)koppen ontkomen ontkomen ontlasting deurgang ontrieven bekorten; belutjen ontroerd aanders ontslaan holdert geven; ontsloagen ontspannen (ww) holdert holden ontsteld riddersloagen ontstemd (fig.) toesterg |
ontvelling smaart ontzetting alteroatsie ontzien woaren ontzien, z. z. mieden onveranderlijk ainpoareg onverdroten onverdrutzoam onverrichterzake ongetroost onverschillig roeg onverwacht onverdachts onverzettelijk onverzeddelk; onver-zettelk onvolwassen haalfwazen; haalf-wozzen onvoordelig ongoadelk; ongoarlek onvoorzien onverzains onvriendelijk dwaars; tosterg onweersbeestjes dunderknuut; dun-derkruud; dunderkruut; dundertuutjes; genut II; gnot; gnut; gnuut; knuut; miede; miet; onweerstuutjes onweerswolken dunderkoppen onwillekeurig veur der hand; veur haand onwillig (v. dieren) steedsk onze lieve heer ons laimeneer onze, de/het - onnen(t); onzen(t) onzeker brokkel (in hoed); onwis oog oge; oog oogkleppen oogdoppen oogleden oogdoppen oogsten winnen; mennen; minnen ooi eu; ooi ooievaar ooievoar; sprikkebain; störk; aaiber(d) ook ok oompje omke; ompie oorbel bengel oordeel zulfwait oordeel(svermogen) oordail oorlel lebbe; lotje oorsmeer oorzaip oorvijg aanwaaisel; katjewaai; labab-bel; lebabbel oorworm oortiek; oorwurm oorzaak oorzoak Oost-lndië Oost-Inje (op) [Oost-Injer] Oosteinde t Oost-èn (op) [Oost-ènstef oosten, het - oost; oosten oostereind oosterd Oosterhoogebrug Oosterhogebrug (op) [Oosterhogebrugster] Oosternieland Nijlaand (op t) [Nijlaandster] Oosterwijtwerd Oosterwiewerd (in) [Oosterwiewerder] Oostum Oostum (op) [Oostumer] Oostwold Oostwold (in) [Oostwolme: op op op één na - ainnoa- op tijd op tied opa grootvoader; grootvoar opbakken opsniddern; opsnittern opbergen opbaargen opbrengen doun; moaken; opbrenge; opsmieten; schudden opbrengend, veel – schudzoam opbrengst gemoak opdracht bestel opdringen aanprietjen opeens opins open blik; gapperg; spij; sprij open staan gappen Opende De Penne (in) [Penjemer] openen open opengegaan deur opening (in kleding) haalsgat opeten (vnl. van fruit) opschoavern ooflikkering flöister; fluister oogeborgen aan zied opgescheept geschuddeld; opschudield opgetogen opterpoe opgeven schieten, z. opgeven (hoesten) roggein opgeven (plannen) overgeven opgeven (spel) z. ter oetscheren; z. : geven; z. òfscheren opgeven, de strijd - kamp geven opgewekt knuterg; wiereg opgewonden hister opgezet (dik) dienderg; dieneg opgezetheid blas(t) opgieten (koffie) opsloagen ophaalbrug klabbe; klap(pe) ophemelarij biebeer ophitsen hizzen; hoezen; (aan)huzen ophitsen (om iets te laten mislukken) rieken ophoepelen opakkern ophopen bulten opklaren òfbuien; opkloaren opklaren (weer) opweren opknappen klandern opknappen (maken) opflikken; op-klandern; opklundern; oplappen opkomen voor klevéren opkrabbelen opkraben opkrassen opkrözzen opkweken saaien; saaiern; saaigein oplawaai lawibes oplettend vaaieroog opleveren aanbrengen opleveren (mudden -) mudden oplopen oplopen opmerken maarken opnieuw vannais; vannaizen; vannijs; vernijs; veur nijs |
opperman pleegsman oppervlakte labbe; lap; lappe oppervlakte maat daaimt; juk; rou; bunder; vout oprakelen opreukeln opruimen oetrakken opscheppen bijs moaken; knittern;snaizen; broasken opschepper bias; broaskeder; groothans; snaizerd; snak(ker); snakkerd opschepperig broaskeachteg; snaar-derg opschepperij batseghaid; gebroaske; ind;zegge opscheppertje oapedriller opschieten aanmoaken; avvezeren; hottjen; oavensaaiern; omseren; opschaiten opschieten (met iem.) akkedaaiern; akkederen opschieten, bij beetjes - flottjen opschik klunen opschik, onnutte - geslons opschrijven aanschrieven opslaan opsloagen opsnijden boukstoaven opspraak, in - op kladder opstaand (: haren) wilds(k); pielkerg opsteken opvörken opstoken aanpoken; opschunen; opsteukeln; opstupen; opvörken; stiggeln opstuwen opstaauwen optater petatter; petoater; petetter optillen lichten I optuigen optugen opvallend spril opvallends, iets - oogwaaide opveegsel graimsel opvliegend höfteg opvlieger stiegens opvoeden grootbrengen; grootmoaken; opbrengen; opvouden opwaaien (v. zeewater) buizen opwachten opmuiten Opwierde Opwier (in) [Opwierder] opzetten bluien; dienen opzetten (in het geheim) opstupen opzichtig gril opzien tegen brillen opzij bezied; oet zied: over zied oranje oraanje orde odder orde, in - bie stok; deeg; dege; in es;richteg; bie stok orde, niet (meer) in - staf orde, niet in - oet pestuur ordelijk ordelk ordenen schieren order odder organist orgelist; örgenist orgel orgel os os: ozze oud old Oude Pekela 01 Pekel (in) [01 Pekel-der] oudejaar oljoar ouderlijk olderliek ouders olden: olders: ollu ouderwets olderwereldsk: olderwets Oudeschans Olschanze (in) [Olschansker] Oudeschip t Olschip (op) [Olschip-ster] oudje (vleinaam) oldske oudmelks olmèlk ouwe (aanspr.) òl ouwehoer flepsjijker ouwelijk oldsk oven ovent overal aalderwegens; overaal overal - (+ ww) rond - (+ ww) overblijfsel stoal I overdonderen befoezeln overdrijven sandern overdwars ien dwaarste overeenkomen, iets - aanroaken overeind in t ind overgaan overbetern overgangsfase (div. betek.) twijbrek overgeven overgeven; spijen; breken overgeven (, z.) heergeven (;z.) overgeven, z. z. heerholden overhaast overoameg overhemd besroen; bezoen; boantje; boesroen: boezroen overhemd, een - dragen blezzen overhouden, er aan - der oetscheuren; der òfredden: der òfreupen overkomen overkómen overleden oet tied overleg verzin overlijden t ter tou doun: oetgoan: overlieden: der oetkniepen (plat) overlopen overlopen overmoedig bruil Overschild t Schild (op) [Schildjer] overschot oef overspel plegen klongeln overstuur oet stuur overtollig bie ... tou overtrek taik; tiek overvloed keur; roemte; ruumte overvloedig zat overweg kunnen, mee - handegen; handen overwegen annaaiern; onnaaiern; onneren overwerken, z. z. veraarbaiden; z. verroppen overwinteren wintern |
|
paadje, stenen - streepke paal poal(e) paal (met draad) riggel paal, soort - slaait(e) paal klim men strikbaintjen paar poar paard daaier; peerd; pere I paard met lichtrood haar brandvos paard, eenjarig - enter; inter paard, oud - goeie; strinde; strint paardebloem diezei; hondebloum; hontong; knienevreten; ontong; peerblom; peerdebloum(e) paardebloem, bladeren v.d. - diezei; hontong; knienevreten; ontong paardebloem, uitgebloeide - laampepoester(d); poester(d) paardeboon peerboon paardeboon (ontkiemd en geroosterd) molboon; mollebone; molleboon paardenhandelaar peerkerel paardenliefhebber peerkerel paarden en koeien peerdenbaisten paarden, omgaan met - peerdjen; peerdken paardenmenner vouerman paardenziekte, bep. - drous(t) paardenstal peerstaai paardenstel, deel van - haalsboog paardentuig geraaid(e) paardestaart (plant.) lidrusk paardje kidde; kir(re) paars paars; sangen paasei poaskaai Paauwen, De - Paauwen (op)[Paauwster] pad pad pad (dier) pod(de); por pad, vaak op - zijn op t rad zitten paddestoel paddestoul; padstoul; podstoel; podstoul(e); porstoul pakhuis stek; pakhoes pakken kriegen palen, soort - slaaiten; slijten paling oal II palingsoort schieraal palingtrekkerij oalkopöftrekkerij Palmpasen Paalmpoask(e) pan paan; pane pand pand pannenkoek pankouk pannenkoeken, soort - spekkendikke pantoffel pantovvel pap brij papa pabbe; pappe papaver mannekop; moanekop papegaai pappegoai(e); poppegoai papier pampier papieren, gedrukte - leesderij papperig papperg; papsk paradijs parredies pardon, zonder - regelier paren (v. vissen) schoaren paren (v. vogels) moaren; treden park paark parmantig draal; wies partij pertij partij, gelijke - petuur pas (znw) laarp pas (bw) nijsies; nijskes pas, kleine - hoanetree; hoantree pas, van - te pas Pasen Poask; Poaske Pasen, Beloken - Lutje Poask; Lutje Poaske pasen, tweede zondag na - Piemeltje Poask Pasop Pasop (op de ) [Pasopster] passagier passezier passen akkedaaiern; akkederen;loenen; pazen passend schikkelk pastorie pasterij Paterswolde Potterwöl (in) [Potterwöller] patrijs petries pauw paauw(e) pauze, korte - piep(e)schoft pedaal pedoal; pendoal pedicure tonebikker peer peer; pere II pees (in vlees) zeen peil paail; pegel peilen paailen pen, houten - pig(ge) pen, ijzeren - stik penis kruul; kul; piet; piethoan; pietje penningmeester puutholder pensioen penzioun peren, soort - mannekeperen; menailtjepeer; sokkeraaiperen perfect hekjeperfekje periode schoft periode, ononderbroken - rek perk paark pers (apparaat) paars: paarze persen paarzen persoon die praat over onbegrepen zaken kwaalmlaamp(e) persoon met één arm ainaarm persoon met o-benen swienevanger persoon met ongedierte loezebos persoon met scheve hakken schaai-hak persoon, aanstellerig - aanstel, eelskerd persoon, aarzelend - drokker persoon, als heer gekleed - glad-stevel persoon, bang - hiepenkriet; kakke-noodje; schiet-in-boksem persoon, dik - schovvel; speknek; kloede persoon, dik en log - dodgat persoon, driftig - krik persoon, druk - ruierlabbe persoon, dun - slinger-om-de-mast persoon, eenzelvig - aindoar(e) persoon, eigenwijs - stiezelneus; wiessnoet; wiesschiet; kwaalster persoon, flauw - doodlid; joune persoon, flink - haile persoon, fors - bambeer; bambere; barrie persoon, gedrongen - knoedel; kop-en-kont persoon, geeuwend - gapstok persoon, gelijkhebberig - hebrecht; kifke persoon, gesteld op kinderen kinderpuil; kinderpuut persoon, gezet - diknek persoon, gierig - aarmhaart persoon, groeizaam - dijer persoon, grof gebouwd - beer persoon, grof sprekend - voelbek; voelboard persoon, guitig - guterd persoon, gul - schep-op persoon, hebzuchtig - aalbegeer persoon, hinkend - hampel; strampel persoon, hippend - hipper(d) persoon, inhalig - groaperd; streuper persoon, jong - maalpeerd persoon, jong en eigenwijs - potstronk persoon, kakelend - bekstok; bekstuk; koakel; kwekkerd persoon, klagend - jeuzel; jeuzelgat; jeuzelkont persoon, klein - dreudel; hiepen-kriet; iepenkriet; kreut; pintheukel; pintneuker; keudeldoemke persoon, klein en dik - dik bastje;doddel persoon, klein en jong - pork persoon, klein uitgevallen - boksem-povverd persoon, kletsend - tjaauwelder; tjaauwelgat; tjaauwelmeulen persoon, kleumig - kleumkat persoon, knorrig - vrantpot; vranter(d) persoon, koppig - seeg; sege persoon, kort en breed - draaige persoon, kort en dik - koedel(gat); kortdikje; poemel; stommel persoon, laks - laauw loene persoon, lang - laaiter I; laankhaals; laankwams; lemperd; loiterd; schiet-spaaide; schietspoide persoon, lang en dun - aaiber(d); gebe: gepe; kapstok; ringel; spilter; sprik; taaiterlaait; boonstok |
persoon, langbenig - bainderd persoon, leep - laiperd persoon, lelijk - strint persoon, lichtgeraakt - neetoor persoon, lomp - Hans miegel; holster; klonter(d); ontront(e); plunt persoon, mager - grashipper; gras-hupper; hiemham; himphamp; hip-per(d); linnenrik; moager Oarend: ribberd; roeberd; roeperd; spicht(e); spierling; spilk; spitlikker; sprink-hoan; strinde persoon, mal - maal Aalbert; maal Haarm; maal Jaan persoon, melig - flaauwmous persoon met scherpe tong bekstok: bekstuk persoon, moeilijk lopend - stommelhak; stuidelbuidel persoon, niet bang - vent Hinderk persoon, nieuwsgierig - gapstok; hounderneers; nijskesopheurder; tuut-je-nijneers persoon, nors - proel; toesterloeks; toesternak(ke) persoon, nukkig - bok persoon, nurks - tosterd; tosterhakke tosteiioeks persoon, onaangenaam - bokkenis; doesnakke; hiestentriest; nork; ork; neetnek persoon, ongeduldig - ongeduld; wimpel-op-tak; brandlabbe persoon, ongezond - aarmhaart persoon, onhandelbaar - meubel, kopstuk persoon, onhandig - klont; knovvel-kont; stovvel persoon, onnozel - kaalf; kloun(e); kolske persoon, onredelijk - kopstuk persoon, ontevreden - hiepkonter persoon, onverwacht sterk - dichthoed persoon, onvriendelijk - dosterd; stoensbounder; stoetenbounder persoon, oppervlakkig - slichtmuts persoon, opvliegend - kniddervink persoon, ordinair - bie-pad-loper persoon, oud - knaars; knaarze; kna-ge; knapperd; knare; knaster; sche-brak; strint persoon, oud en verzuurd - knarskop persoon, praatgraag - kwedelmesien; reudelpot; revelkoar; teutje persoon, precies - persieske; schiet-vernien persoon, raar - maal Aalbert; maalhebbel; maalhibbel persoon, raar en dom - aigenmaal persoon, rechtuit - liekoet persoon, ruig - bamboeze persoon, ruig en opvliegend - horrebedor; orbedor persoon, ruw - bonk; holstainer; roegbainder; vraidbek persoon, saai - dreugerd; dreugproemer: dreugstoalzuide; doodleven persoon, scheeflopend - schaaihak(ke) persoon, slap - waikmeler slapscheet persoon, slecht - minne persoon, slim - gaaie persoon, sloffend - slor persoon, slordig - flodderboksem; roegvout; voeltoede; voeltoet: hoossok persoon, sluw - slimschou persoon, smerig - vetklep: vetlap persoon, stevig - poterd; schobberd persoon, stug - bobbekop; staailoor persoon, suffig - goeze; goze; gozzel persoon, tegendraads - dwaarshoes; oelepetoet persoon, traag - daauwel pwrsoon, trillend - trilpiep(e) persoon, vals - sliemgast persoon, veel thuis zittend - hoeshin persoon, veel verdragend - haardhoed persoon, verachtelijk - hondsvot persoon, vergeetachtig - goeze; slof-gat persoon, verkwistend - rijslaif persoon, vervelend - kniezebieter; dreuge Paiter; amtam persoon, verwaand - steernkieker persoon, vloekend - vluikbaist persoon, vuil - swienepuut persoon, waardeloos - boksemvent persoon, weinig inbrengend - jonne-voet persoon, wild - beer persoon, wispelturig - waalvlaiger; wispeltuut persoon, wreed - vraidhoed; vriekel persoon, zeer zuinig - knirt persoon, zeurend - aimel persoon, zonderling - van ipscheuten; maal appie; swans persoon, zuinig - kniezebieter; knie-per(d); knieterd; zunege Paiter; pint-heukel; pintneuker persoon, zwaar en dik - grofmelen-schobberd; grofwaaitenschobberd perzik paarzek perzikkruid hoanepoot; gele kiek;krödde; krör; platzoad; roodschonk; wilde ween: wilg pesten malteraaiern pet pedde: pet I pet, soort - klodde: klöt petroleum paitereulie: petrolie; petreulie peul dop: hul: poul(e) II; puul peultjes aartpoulen: puultjes peuren poeren peuteren puien; tudeln; tunteln; vrak-seln piano pioano piek paik piekeren kopschraben pienter routerg piepen piepen piepjong kukenjong Piet Pait Pieter Paider: Paiter Pieterburen Paiderboeren (in) [Paiderboerster] Pieterzijl Pieterziel (in) [Pieterzielster] Pietje Paitje Pietje (vr.) Paiterke Pietje precies tieske pijl piel(e) pijn pien(e); scheel; zeerte pijn (elders t.g.v. andere pijn) weerpien pijn (in het gebit) geporrelmorrel pijnigen rinkjevielen pijnlijk pienlek pijnscheut schoot I pijp piebe; piep(e); smeugel pijpdoorhaler deurhoalder; pieproai pijpdrop lakkeris; lek(ke)ris pijpkruid hondekruud; kezebloumen pijproken piepken pijpuithaler pieppreukel; pieppreukelder; piepreukel; por-oet pikdonker baalkeduuster pimpelmees blaauw(winter)maiske pin, soort - deugel pinda's souskes; souzemangels pink lutje vinger Pinksteren Pinkster pissebed keldermot; mot II; motstaine; motte; muurloes; stainkrob; stainkrub; stainmot pissen pizzen; sijken; miegen pit korrel; korrel; pidde; pit pit, aardappel- kim II; steek plaag ploag(e) plaaggeest nietjeboksem; nietjeder; nietjegat: oalias; ploag(e); ploagbaist: taargerd plaat ploade; ploat plaatje schilder plaats plakl; plek(ke): ploats(e); stee plaatsen ploatsen plaatsnemen z. plakken plafond plefon plagen mevaaiern; naren; negern; nietjen: nippen; nirten; nittjen; oet-sen; ploagen; tamtaaiern; taargen plak, onder de - onder konduksie plakker (fig.) drokker plan, van - zijn drouden plank bred; plaank(e); schol I plank, soort - docht(e); doft(e) plankier bat(ten), badde plassen (door water) poltern plastic plestiek plastic, van - plestieken plat plat plat (fig.) gruin plat worden pletten plateau plantail |
plattelander laandjer; laandsman; landjer plein plaain pleister plaaister; ploaster pleit plaait plekje, stroef - op glijbaan nekke-breker pletten pletten plezier pelzaaier; plezaaier; slinger plezierig (in omgang) aannemelk ploeg ploug(e) ploegen drieven; plougen; pluigen ploegen (of hooien) drift ploegen, beginnen te - aanvurgen ploegen, dun - schilven ploegen, ondiep - vaalgen ploegen, soort - kleuven ploeggang (vice versa) omdrift; omtocht ploegmes laankiezer ploeteren (in water) floddern; piasken; poeseln plof kwak ploffen plovven plompebladen pompebloaden; snou-kebloaden plooien, met - draails; draais(k); drèl(d) plotsklaps rompslomps pluche pluzen pluim plume; pluum; toef pluimstrijken vliemstrieken pluis pluus pluisje pluuster pluizen (:handeling) tiezen; pluzen pluizen(, uit -) pluustern pluk plok plukken öfteppen; plokken; roppen plunje plunen olunje (oude -) plunnen po pispot pochen bloazen; broasken; postern; >nakken; snaren; swaarmen; swetsen pocher broasker; bloaze poel poul(e) I poes poes I poesje poeike; poeke; poetje poets fiet; loer poffen povven 2 poffert povvert poffertje bolbaaisie pokdalig pokdelleg pokken pokkens politie plietsie politieagent(en) glinne knopen pollepel slaif; slief polsen punten pomp pombe; pomp poort poorde; poort poos reut; toer; zet poosje pooske; posie; steutje; toertje;zetje poot pode; poot pootje, - over (schaatsen) over nèb pootjebaden blootpootjen; wadjen pop pobbe; pop(pe) porren preukeln porselein pastelaain I portefeuille potterfulie portemonnee knip portie porzie; porzje portret petret postbode postloper postelein pastelaain II postuur bestuur; pestuur poten, aardappels - dolen; dollen pottenkijker potoakster; Jan hin praam, open - schol II praat, flauwe - kaalverproat praatgraag proatachteg; proats(k) praatjes meroakels praatjesmaakster teudebèl(le) praatjesmaker broaskemoaker;reudelteut praatziek reudelg prachtig schier prak, in de - in de flozze prakken prakseln; preuzen prakkiseren oetzudeltjen;prakkezaaiern praten monden: proaten; proten praten door de neus snovveln praten, aldoor - rammeln praten, gauw en veel - bleddern praten, onbeduidend - kaauweln praten, steeds - rappeln praten, uit het hoofd - ontproaten praten, vervelend - kaauwen prater proater precies persies precies zo ... akkroat zo ... precisiewerk tiepelwaark prei praai presenteerblad bredje presenteerblad schenkbred presteren, doen - oet t stro zetten prijs pries prijzen priezen prikkeldraad stekelwier; stiekeldroad; stiekelwier prikkelen stiekeln; kiddeln prikkelend jeukerg probaat perboat proberen bezuiken; pebaaiern; peberen; verzuiken; vigelaaiern probleem, het - de dorie problemen aksies procederen plaaiten proef, op - op pebaaier proeven pruiven professor pefester: perfester profijt perfiet prompt pront pronkerbonen dikke jonges: pronkel-bonen; pronkerbonen pronkzuchtig pronks(k); stoats prop probbe: prop: stopipei proper evven propje koedeltje proppenschieter knapbus propvol proppende vol provisie pervisie pruik proek(e) pruilen blibben; snoetern: proelen pruim proem(e); pruum pruim, grote - aaierproem pruimensoort effies; efkes; evven pruimen (v. tabak) proemken; slóatje-kaauwen pruimenpit proemstain pruimpje (v. tabak) proemke prul oapeding; schietding prullaria gesnor prutsen klontjen; kontjen pruttelen porrelmorreln puffen blaaien II puik puuk puilen, er uit - der oet poebeln; puien puin puim puist bobbel; poest(e) II; poet; vin(ne) puistig poeteg puistjes puustjes pukkelig peukelg pukkeltje peukeitje punaise duker II punch pons punniken koordjebraaien punt timp punt (uiteinde) prip puntbroodje gallechie; timpke; tipstoet puntig tips puntzakje tippuut put pudde: put putje (in mes, vaatwerk e.d.) schaart; schaar(de) |
quitte liek
|
raad road raaf roaf; roave raak roak raam roam raar nuver; roar rabarber rebaarber; robaarber racen sjiestern raden roaden radijs redies radionieuws berichten rafel foazel; voazel; roavel rafelen voazeln rafelig voazelg ragebol kopstubber rail riggel rakelen reukeln raken roaken rakker iegel; mieghummel; oasnek ramen roamen raming gis; roamen rammelaar rammelkörfke rammelen rabbeln; rammeln; rappeln rammelend rabbelg rand eg(ge); raand(e); raante rank raank; taaiber(g); taaiterg; taiper ransuil raansoel Ranum Roanum (in) [Roanumer] ranzig gaalsterg; rens rasp rief; rieve raspen rieven Rasquert Raskerd (in) Raskerder rat rödde; röt ratjetoe koeskas; mikmak ratten klem rötstap rauw raauw ravage revoazie ravotten rementen: rebentern: reupen ravotten, woest - baalgern razen bandiezen: pandiezen: roazen razen (v.d. storm) boestern razend helbannegduvels razendsnel mit koegelsgeweld: met kugelsgeweld recht liek: recht; stroal .... rechtuit liekoet rechtvaardig recht rechtvaardigheid gerechteghaid redden redden redden ( kunnen -) rizzen (- kinnen) redden, z. z. bescharreln redden, z. z. maintjenaaiern redelijkerwijs middelkerwies redeneren annaaiern; redenaaiern; rezenaaiern redetwisten kekeln reep, dunne - flitter regelen bescharreln; ordern regelen (wat onhandig -) beknottjen regelen, met moeite - behaspeln regeling oddernoatsie regelrecht lebendeg regen regen regen (groei bevorderende -) grasregen regen, langdurige - regenboudel regenachtig motterg; trubel regenbui giesp(er); goot; schoer II; stoeperd; stoever(d); strieker; swaalke vochtje regenbui, zware - gobbe regenbuitje snidder; sputter regendruppels, grote - hettendruppen regenen regen regenen, flink - opregen regenen, hard - gobben; gaiten regenen, steeds - natjen; natten regeren regaaiern reiger (oal)raaiger; oaltoeker reiken rekken reikhalzen kathaalzen Reinder Raainder Reint Raaint reis raais; raaize reis, lange - Ommelandse raais reis, lastige - sabbatsraais reisvaardig raaisveerdeg reizen raaizen |
rek rik rekenen reken rekenen op z. stippen op rekening reken rekenschap rekenschop rekken rekken rekking rek rennen runnen rennen, dol - bentern rentenieren rentnaaiern repelen riepeln reprimande rebamzel resoluut gerezelvaaierd: rezeluut restant huutfje) restje staartje restje (groente e.d.) akwa restjes maken örten: öttjen reumatiek remetiek: rimmetiek; rummetiek reuzel ruzzel rib rib(be) ribbelig wakkelg richel riggel: rim richten naar, z. z. holden richting richten riem raim(e) riet raait; rijt rietpluim raaitploes rij rieg(e); riester rij huizen streek rij slecht opkomende aardappels zundoagsrieg rijden rieden; voaren rijden, rustig - tufken rijgen riegen; rijen rijk maans; mans; riek rijkaard diknek rijksdaalder achterrad rijm riem rijp riep rijpen (vriezen) roegvraizen; riepen rijpheid riepte rijshout ries rijst ries rijstebrij riezenbrij rijzen riezen rijzen, het - ries rillen (v. afschuw) z. schudeln rillen (v. kou) hiepern rillerig grille(r)g; heukerg rimpel kroes; schoei I; schoer I; völ(le) rimpelig weelderg; weelkerg ring (in koehoren) kaarf rioolput zinkput risee ropvogel risico neude II rit rit ritselen goddern; rottern; ruzzeln; schemotseln; schemozzeln; vrözzeln robbedoes roeske; roesketoes; roeskebeer rode biet robait; robaide roe rou roek rouk Roelof Roulf roemen poggen roep geroup roepen roepen; roupen roer rouer; ruier roeren ruiern roest roest; rost; roust roet rout rogge rög(ge) rogge- roggen- roggebrood brood; roggenbrood roggebrood met beschuit bakkenbrug roggebrood met kaas keesbrog(ge); keesbrüg roken pafken; pifken rollade taauwkevlais; reloade; rolloade rollen, omlaag - korreln; koedein rommel boudel; bröd; brud; gedounte; geslons; hakkemak; pakkelarrie; palternaksie; rommel rommel, natte - proeksel rommel, verwarde - haaidenboudel rommelen (lawaai maken) boldern;bollern rommelen (v. honger) knoeren |
rommelpot foekepot rond (vz) arom; herom; inom; om rond, in het - in t rond ronddelen omgeven; ompaarten ronddraaien (op de hakken) hakje-draaien ronddwalen rondwoaren rondje (bij kaartspel) boomke; boompie rondneuzen neusken rondom rondom rondreis omtocht rondsjouwen paaijakken rondslenteren omdaauweln rondsnuffelen schoavern; schobbern ronduit liekbendeg; staail; vaaierkaant; vlakoet rondzwerven omswinden rood zijn bluien roodachtig oet n roden Roodeschool Roschoul (op) [Roschoulster] roofvogel vriekel rooie fokse rooien reuden: ruden; uutdöllen rooien (aardappels) kraben: dollen rookvlees noagelholt rooms-katholiek poeps roos roos; roze rooster reuster rot röt rot (begin van -) smaarte(r)g roten rotten I rotten rotten II Rottum Röppen (in) [Röpmer] Rottumeroog Oog Rottumerplaat Ploat rotzak rötterd rotzooi mikmak; ombaalgen; rötzood rouw raauw(e); treur rouwen raauwen rouwkoop raauw(el)koop roven roppen royaal goud; rejoal; riekelk; rij; roem: stief rozijn rezien(e) rug nikkenakke; rog(ge); rug rug, hoge - kaddepokkel ruggelings roggels; ruggelings ruggenmerg roggemaark; rogpit ruien ruden ruif reep; reube; reupe; rief ruig roeg; ruug ruiken kaainen; roeken; ruken ruil butenschop ruilen buten; inpangeln; kuutjebuten; kuutjebuutjen; kuutjen; omaandern; pangeln; raailen; roilen; ruilen; omaandern ruim wiederwaaieg; roem ruim zitten, te - buien ruimen roemen; rumen ruimte bot; opens; opente; roemte; ruumte ruimte vol prullaria keugeltente ruimte, smalle - ril(le) II ruin roen(e) Ruischerbrug Roeskerbrug (in) [Roeskerbrugster] ruit roet; glas; glaas ruitentikken glasketikjen; glasketikken; roetjetikken ruiter kerel-op-peerd; ruter; ruter-op-peerd rukwind steutwind; stötwind rumoerig remouerg; roezeg rundvet ongel rups roep(e); roebe rus (plant.) rusk(e) rust vree rust noch duur gain vree of verbaarg rustig bekweem(kes); gemoudegd; trankiel; tuimeg; tumeg; rusteg ruw raauw ruw (v. lippen e.d.) vroat ruwweg ten roegsten: roegweg ruzie aibels: drokte: geberebiet; gehawel; heibels; here-kom-oet; herie-koom-oet: hikhakkerij: hikhak-kerderij; hirrewirderij; kifkederij; krib-berij; kwestie; kwezzie; kwezziederij: ommoi; ommui: rebulie: roezie: ruzie: verschil ruziën hikhakken: hommeln: kifken: kikkakken: voestjen ruziezoeker kibbelsnoet; kikkak |
|
Saaksum Soaksum (in) [Soaksumer] Saaxumhuizen Soaksumhoezen (in) [Soaksumhoester] sabbelen sjaben; sjobbeln; sjobben; sobben; zabbeln; zaben salamander evertaaske salomonszegel (plant) motte-mit-biggen samen soam; bie n(k)ander samengaan schoaren samenwerken manen santenkliek de haile fiekelfakkel santenkraam santeflik; santefrik; santekroam; santepetiek; sitsewinkel santenkraam, de hele - de haile frik Sappemeer Sapmeer (in) [Sapmees-ter] Sara Soar; Soaroa saus stip saus (op meelkost) lotjestip saus, dunne - eendevet sauskom stipdiggel Sauwerd Saauwerd (in) [Saauwerder] schaaf schoaf schaaf, lange hand- raaischoaf schaafwond smartlap schaal (v. ei of garnaal) dop schaap schoap(e) Schaaphok Schoaphok (op) [Schoap-hokster] schaapskooi kove; schoapkove schaar scheer; schere schaars betuun schaartje scheertje I schaats scheuvel schaatsen scheuvellopen; scheuveln schaatsen (scherts.) (znw) kouribben schaatsen in gelid opleggen schaatsen, ploeterend - fokseln schaatsen, scheef - ainbaintjen schaatsen, slecht - bokseln; krukkeln schaatsen, snel - klaauwen schaatsenrijden (met korte slag) hakseln schaatsenrijder loper; scheuvelloper schaatspunt neb(be) schaatsslag foks(e) schaatswedstrijd haardloperij; haard-riederij; loperij; spekloperij schade schoa(de) schadelijk schoadelk schaduw schaar; schare schaduw geven scharen schaffen schavven I schaften schavven II schamel schoamel schandaal schandoal schande schaande schande schimp schandelijk schoamachteg; schoa-mensweerd schapenvet schoapsmeer; schoapvet schapewolkjes schoapkes; schoap- paanskes; schoappinskes Scharmer Schaarmer (in) [Schaarmer] scharnier schenaaier; hing scharnieren knierpen scharrelaar sjaggel(der) scharrelen scharmantjen: scharreln: schommeln; schraben I schat (vleinaam) tut: tude: tudechie schateren groalen; hoddern; schattern; schoddern; schottern schatje (vleinaam) noedel; tudde; tutje schattebout tudebekje schattebout (baby) krale schatting, 'n - doen n roam doun schavuit oakster schede schij(e) scheef overzied; schaif; schel; schil-leg; schol; wiends; winds scheefkelk menistenwitje scheel schilleg Scheemda Scheemde (in) [Scheemter] scheenbeen bainbonk scheenbeen schienbien scheepshelling, overdwarse - dwaars-helgen scheepsroeper rouphoorn scheepvaart schipperderij scheiden schaaiden scheiden (v. huwelijk) öftraauwen scheiding schaaiden scheiding (in haar) kleuf; schaaiden schelden hizzebizzen; ragen; raggen schelen mietern; verschelen schelen ('t kan me niets -) sjakken (t kin mie niks -), (ver)schelen schelen ('t kan niets -) verblodekonten (t kin niks -) schelen (wat kan het -) verroppen (wat kin t -) schelmenstreek poepetrek schelp schelp; schulp schelpenvisser schillerman schelpje, soort - nuner; nuun; nuunder schemeren schiemern; schemern; schimmern schemerig schiemerg; twijlichteg schemering graauwlicht; schemern; :wijbrek; twijdonkern; twijduustern schenken (v. vloeistof) sloagen schenken, vol - volsloagen schenking schenken scheren scheren scherf diggel; schaarf scherf (v. pan) pandiggel scherm schaarm schermen schaarmen scherp feng; schaarp; ring scherpen (v.d. zeis) strieken; hoaren scherts gekhaid; meroakelderij; scheervogelderij; maaljoagerij scheuren roppen; scheuren scheuren (door droogte) oetspaiken scheut flort; golp; goot; gulp schichtig bunzelachteg; bunzelg; wif schichtig (v. paarden) woagenloops Schiermonnikoog Aailaand schieten schaiten schieten (met knikkers e.d.) schotjen schietlood lood schiften karreln; kelen; schivven schijf schief; schieve schijfjes snijden plakjen schijn, voor de - veur de leus schijnen schienen schijnheilig bekweem(kes); fiemelachteg schijnheilige staailoor schijten schieten schikken loenen schikken, z. z. geven; z. hebben schil, met groene - gruinschild schil, met harde - haardschild schil, met zachte - waikschild schilder schilder schilder, huis- vaarver Schildwolde Schewöl (in) [Schewolder] Schildmeer t Schild schilfer schilver schilmesje schildersmeske; ko(a)p-meske schilmesje voor aardappelen eerappelschilder schim gaist schip met aardewerk potschip schippers schipperderij schippersbakje butje schippersvrouw schipperske schoen schoeg; schou(g) schoenen lappen sjoestern schoen lepel hakhoorn; hakketrek-ker; hakkelepel; schoulepel; schoutrekker schoenmaker schoumoaker; schoun-moaker; sj oester; schoulapper I schoensmeer glimsmeer; gladsmeer; schousmeer; schouwikse; wikse schoffel schovvel schoffel (met schuine steel) lammert schoffel, soort - lep schoffelen schovveln schok stoek(e) schokken, voorzichtig - nokken; nukken scholekster akkelaai; bonde laiw; lieuw schommel raaike; schommel; soei(e); soeieboeie; suza; taaiter; toutaalter; touter; zaai; ziezooi; zoei; zoeieboeie; zoiboi; zooi; zooibooie; zui; zuibui; zuiebui; zuzoi; zuzooi; zuzui schommelen raaiken; schommeln; soeiern; ziegeln; ziegezoagen; ziege-zoaien; ziegezuien; ziezooien; zoeien; zoeiken; zoien; zuien; zuzen; zuzooien schooier schont(erd); slont(erd) school schoei II; school; schoul(e); skoel school, lagere - schoul(e) schoolbegin inslag schoolziek schoulkoors schoon schier schoon (net) hemmel schoon, geheel - schapschoon schoon, grofweg - schrapschoon schoon, ruw - bezzemschoon; rib-schier schoonmaak, grote - (hoes)schonen schoonmaakmes laaiter II schoonmaakster schoonster schoonmaaktijd hoesschonerstied schoonmaken aanhemmeln; bezu-vern; hemmeln; ophemmeln; rakken; schonen schoonmaken, het huis - boestern schoonmaken, licht - himmeltjen schoonmaken, slecht - poedeln schoonzuster snoarske schoorsteen schosstain; schösstain schoorsteenmantel bozzem schop (handeling) peune; pil(le); schup schop (instr.) schobbe; schop(pe) schop, soort - hoak; houk; kromjong; kromschop; luierman; batse; stikke schoppen pillen schoppen (kaartspel) schoppens; schuppens schor bremsterg; schraan(de) schort schoede; schoet; schuut schort, soort - motschoet schotel schuddel: schuttel schouder scholder schouwen, het - schaauw Schouwerzijl Schouwerziel (in) [Schouwerzielster] schraal schamper; schroal schram schraam schrander begripzoam; numeg; schrap schrap schoor; schrip schrapen gieren en groapen; groapen; z. schrappen schrapen (de keel -) schremmen; bremmen schrappen schraben II schreeuw gilp schreeuwen baaiken; belken; beren; bolken; gaalpen; holvern; schraauwen; schraiwen; schruwen schreeuwer gaalperd; reerderd schreeuwlelijk bek-open; blebberd; bledder; hoelbek; rouphoorn; blèr-snoet; schraif-okster schreien schraaien; reren; roazen schreien, vervelend - naren schrijfspullen schrieverij schrijlings striedewieds schrijnen schrinnen schrijnend (v.e. wond) smaarteg schrijven schrieven schrijven, slecht - maggeln schrik boes; boesapperd; boeze; kèlleghaid schrik, koud van - kèl schrikachtig spril schrikdraad schrikkeldroad schrikken veralteraaiern; veraltereren schrobber bamboes schroef schroef; schroeve schroot (plank) schrode; schroot schroten latdailen schub schob; schub schuchter schöchtern schudden joekseln; ritjefitjen; schudden schudden (v. kaarten) deursteken schudden, nee - schud(de )koppen schuivelen schoegeln schoeveln schuifje (in het haar) pielkevanger schuilen schoeien schuilplaats schoel(e); verschoel schuilplaats in weiland loopstaai schuim broazem II; broes; broezem;schoem schuimbeestje koekoekspij(e) schuimen schoemen schuin schroag; schroat; schuun;schuuns schuin maken öfschunen schuit, soort - berzie schuiven schoeven; schottjen; schuven schulden, kleine - klikschulden schulden, losse - plokschulde; plukkelschuld; plukschuld schunnig schaauw schurft schörf(t) schurken, z. z. schobben; z. schoekeln; schoedeln schutting planket; schut schutting, soort - stranketten; strenketten schuur schure; schuur schuur en stal achterhoes schuurdeuren achterdeuren; deelsdeuren schuw schaauw schuwen schaauwen Sebaldeburen Seballeburen (in) [Seballebuurster] secuur wis sein saain Sellingen Zèlng (in) [Zèlnger] serieus ainmoud; eernsachteg; oet heerns serviesgoed staingoud shit! Schiet! Siddeburen Sibboeren (in) [Sibboerster] sigaar segoar(e) sijpelen siepern; zievern |
sijpelen, naar buiten - oetpoeten sikkeneurig sinkeneureg sinaasappel appelsien sinds simt (dat); simt (des); van dat Sint Maarten kip-kap-kogel Sinterklaas Sunnerkloas; Simt Ni-kloas; Simterkloas sirene hoel(e) sissen sistern; snittern sisser sis; sister sjabloon schabeljoon; schampeljoun sjacheraar pangelder sjacheren sjaggeln; pangeln sjalot silödde; silöt sjalot, soort - silon sjerp sjaarp(e) sjoege sjoegel sjoemelen sjoegeln sjokken sjoeken; sjoekseln; sjoeksjakken; sjokseln; stovveln sjouw tui sjouwer sjaauwer sla sloat slaaf sloaf slaag flikken; haauw(e); lap-op; pinze; ribs; sloag(e); streeps slaag, pak - kontjeloage; pak iepe; pak-op-pïns; strups; strips; strieps slaan bamzen; batsen; entern; fleren; flikken; govveln; haauwen; haauwgen; helpen; hemmeln; laaitern; laarpen; lappen I; mevaaiern; prugeln; sloagen; tiggeln slaan met een zweep sweepken slaap, in - onder zaail slaapbenodigdheden sloaperij slaapgelegenheid liggerij slaapje does II slaapplaatsen sloaperij slabbetje slaab; slabe slaboontjes aarfies slacht, de - slachterij slachten slachten I slag abbedoedas; abbeldoedas; fleer; flier(e); flik; haauw(e); habbedoedas; hiep; katje waai; kedonzel; mep; rekon-kel; smeer; tjijs; waai III; wiske; woeps; oplebabbel; oabeldoedas; rekonkel slag (bij kaartspel) stek slag (fig.) rovvel slag, geweldige - laarp; woepsterd slag, stevige - driezei slag, striemende - giesper slagen sloagen slager slachter slagerij slachterij slakkehuis hoorn(tje) slang slaang(e) slap slok; sluug slap (- hangend) rlotseg slap(achtig) bladseg slapen (znw) dun-eggen; dun-ekken; slapen (ww) pomen; sloapen: onder zaail wezen slapen, gaan - z. opbaargen. z.; onder zaail goan slaperig dool; soesderg Slaperstil Sloaperstil (in) [Sloaperstilster] slecht euvel: fladderg; flatterg; maal; mieterg; min; onliedelk; onnuur: schie-terg: trubel slechtaard minhoed; mizze II slechte - schiet- slechten raaien; slichten slechterik onoabel slechts bloots; enkeld slee, soort - bod(de); borre; laai; looike slee, wadden- kraaite; sliekkraaite sleets sliets(k); slietzoam slei slaai slenteren daauweln; doameln; gen-gein; gongeln; slentern; slingern slenteren (langs de straat) vlaigen slepen slooien; slorren; todden; tooien; torren; tuien slepen, geneigd tot - sleeps(k) slepen, mee - tongeln slet dèl(le) II; flaar; Hare; slet; >lont(erd) sleutel sleudel sleutelbeen kroagbonk; scholderbonk sleutelbloem plevaaier; pluumvaaier slib biets sliert slier(e); tilt sliert, in een lange - kat-achter-kat slijk bragel; jiddel; joepe; modder; modderproeksel; mork; sliek slijmerig slijerg slijpen sliepen slijtage sleet; sliet; slietoazie slijten slieten slikken sloeken; slokken slim begèst; begozzeld; betoefd; loek; loos; tuuk; jouker; gozzel slim, te - af te kloug; te klouk slimheid lozeghaid slimmerik slieperd slingeren slentern slingeren (laten -) verslieren slippertje slupertje slobberen sloebern Slochteren Slochter [Slochterder] (inw) [Slochter] (bnw) sloddervos slodderboksem; slodder-kedoes; slodderlap slof slop sloffen schontjen; sloeren; slovven; strovveln slok klok II slokje klokje slokop dikvreter; schimmelmuiter;sloekerd; sloekhaals slonzig sjoekerg sloof ol sottje sloot, brede - graft sloot, droge - wepengroupke slootgraven sloden; slootjen slootje dwaarsgeut; geude; geute; grup(pel) slootje, afscheidings- geut slopen sleupen; slopen; omgooien slordig lapperg; onsjoch; onsjuch; slodderachteg; slodderg; roeg slot (sluitmiddel) slot sloven slooien sluik slok sluimeren doddern; doeske(r)n;doezeln; döttern sluipen sloepen; slupen sluiper sloeperd; sluperd sluis sluus; ziel(e) sluisje, soort - klief; klieve sluismeester omschutter; ziel-woarder sluiswachtershuis zielhoes sluitbalk middelpost sluiten sloeten; sluten sluithaak krap sluiting sloeten: sluten slungel leries: slongel; slörm sluw slaauw smaak smoak smaak, geheel zonder – gain lak of smak smaak, sterk van - glïn(de) smaak (zin) meug(e) smak kwabs(e) smakelijk smoakelk smakeloos lebbeg smaken smoaken smaken, goed - mondjen smal smaal smart smaart smartlap jaauwsterlaid smeer smeer II smeer (streek) fleer smeerlap smiesterd Smeerling Smilke (in t) [Smilker] smeerpoets groetjetoet; voel-om-de-kop; voelepetoane smerig graauw en groeterg; onhebbeg; smereg; smirreg smid, vrouw van de - smidske smiecht smaigel smijten batsen; smieten; woepsen smikkelen smikseln; sminkeln smoesjes lapzakkerij smoezelig smodderg smokkelaar smokkelder smullen bikseln; kam(me)lötten; smantjen smulpaap lekkertje snaak pioter snakken snakken (verlangen) snauwen graauwen; snaauwen: snoetern snavel neb(be) snee (snijwond) flaans; glots; glup(pe); joap; snip; gulbe; gulp snee plak(ke) II snee roggebrood (hele -) omsnee; omstok; rondom snee, eerste - topgras snee, grote - lub(be) sneeuw snij sneeuw, opgewaaide - jachtsnij sneeuwbal snijbaal sneeuwbrok klonter sneeuwbrok (onder schoeisel) klos; koanzel sneeuwen snijen sneeuwen, zacht - grommen sneeuwklokje menistenwitje sneeuwklokjes noakende wiefkes sneeuwpop snij kerel snel sprekend bekjegaauw snijbonen, soort - padliggers snijden lubben; hippen; snieden;snienen; fieken snijmoes snietjemous snikken snokken snipperen snibbeln; snippeln snippertje snibbeltje snoeien besnibbeln; snoien; snuien I snoek snouk snoep slik; slik-op-doem snoep, soort - stroopkekaigies snofep&n slikken; snoepen; snmen 1;snuipen snoeper slik-op-doem(e) snoepje, soort - baaltje; bekeetjes; ka-kallechie; kekaichie; kekaizie snoer snouer snoeshaan hibbel: snokkel snoet snuut. snoet snoeven broasken: brösken snor snor(re) snot snödde; snot I snuffelaar sehoemer(d) snuffelen snuvveln; snuvvelsnovveln snuffelen (fig.) snuustern snugger pool snuisterij snorrepieperij snuisterijen snipsnapsnoaren snuit snoede; snoet; snuut snuiten oetsnoeven; oetsnuden; snoeven; snuden; snuten snuiven snoeven; snuven; snovveln snurken snorken soepgroente gruinte soezen doddern sok zok soldij, - krijgen kien holden somber triesterg; troesterg sommige paardje; paardij sommige(n) sommege; summege soms aaltemet(s); aaltemit; admis; altmangs; altmets; asmangs; asmis; assmis; enkel(d); opmis; smangs; smis; smoads; soms; sumtieds; sums; tès; tiedels soort oard soppen tjoepen souffleur veurzegger; instoeper spaak spaik; spoak spaander spaalter; spoan spaargeld nustaai spade, lange - stek spade, soort - boor I; schowel; lep II spalken spaalken spannen, er om - der om baandjen; der om baandjern; der om goan; der om spantjen sparen keuvern: spoaren sparen (geld -) aankeuvern spartelen spaddeln: spanhakken: spinhakken: spoddeln: sporreln: vrokseln spat spitter: sputter spatbord spadderbred: spidderbred;sputterbred spatje smikje speeksel spïj(e) speelkaarten koart speelkaarten (met afb.) popkoart;schilderkoart speels wips speels (v. paarden) eelsk; daarten spek, doorregen - deurgruid-, deurregen -, deurwozzen spek spel spul II spel, bep. - tiepeln spel, met noten of knikkers pikken II spel, soort - verlösken spe), werp- metstenen bakjegooien; kaaibakjen; kaaikebakjen; kaai(ke)-bakken; kaaikeboeren; kaaikegooien spel- elle- speld spél(le) spelen speulen spelen, op de glijbaan - glieboantjen spelen, vals - kraiveln; kraiweln; kriwweln spelen, vals - (bij knikkeren) kutjen sperwer blaauwvaalk; gaansoarend; vriekel spichtig spielterg spie luns; lunze spiegel spaigel spijbelen platjelopen; platlopen Spijk Spiek (in) [Spiekster] spijker spieker spijkertje duker II; tingeltje spijkertje, tapijt- kopdukertje spiji spiel(e) spijten begroten; moeien; muien; muiten spijten, z. z. muiten spijtig begrodelk; muidelk; muieg;muieik spin spin(ne) spinazie spinoazie; spinoazje spinrag raag; spinraag; spinroai; spinrooi spitsmuis spiekermoes |
spitssnavelig spitsbekt spitten hoaken; omgroaven spitten, de tuin - toenhoaken; toen-groaven spleet glup(pe); lok I splijten spaalten; splieten; spolten splijten (door droogte) spoaken splinter spaalter splitsen splitsen; splizzen splitsen (v. wegen) öftakken splitsing (v. wegen) öftak spoedig kort dag; gaauw spoedig, vrij - gaauwachteg spoelen spoulen; spuilen spoken (: 't weer) spuzen spook spoek; spouk; spuik spookachteg spoukeg spookfiguur borries spoor (merk) prent spotgoedkoop geefkoop; ge venkoop spreekwoord spreekwoord, sprekwoord spreeuw prutter; sprij; sproa; sprutter sprei spraid; sprei spreiden spraaiden spreken spreken spreken, lastig - brijen spreken, snel en veel - rabbeln sprekend, gebrekkig - haalfbeks; haalfbekt springen, met gesloten voeten - drubbeltjen; drumpeltjen springen, op beide benen - klinstern springtouw taauwchieboge sprinkhaan sprinkhoan; grashipper, grashupper; graswupper sproeien spruien; spruilen; struilen sprong sprang spruit spruut spruiten spruten spugen kwakjen spugen door de tanden - kwittjen spugen, beetjes - spottjen spuigaten spijgoaten; spuitgoaten spuit spaaide; spaaite; spoit; spuit spullen romtommelderij spurrie (wilde -) wottergaauw spuug kwakje spuug, straaltje - kwittje spuwen kwakjern; rageln; spaaien; spijen St Maarten sunnermeerten St Maartenslichtjes suntermeertentuutjes staaf stoaf staal (metaal) stoal II staal (monster) stoal I staan stoan staan, netjes - juvvern staart staart; staarde; steerde; steert staart, stompe - bolstaart stad stad Stadjer molleboon; mollebone; Stadjeder Stadskanaal Knoal (op t) [Knoalster] staken stoaken staking stoaken stal staal; stale stalgoot groube; group; kougroup stalmest groupmis stamppot pot-eten; proeksel stamppot bonen boneklont; hengste-praan; stopvaarf; stopvaarve; stokvaarf; stokvaarve stamppot bonen (scherts.) noga stampvol barstendevol standje bukken; òfjacht; sjars stang staang(e) stank stinkerij stap stap stap, grote - voam stapel stoapel, bult stapel, wankele - taaiber(d); taaiterd stapelvak (in boerenschuur) goal; golf; golve; goul stappen (met grote passen) paauwen; poazen Startenhuizen Staartenhoezen (in) Staartenhoester] station stoatsion stedeling (scheld.) vlinthipper Stedum Steem (in) [Stemer] steeg gat; gloep steek onder water drokker; spieker steekmug neefke; nefie steel foam III; stoal(e) steeltjes, ogen op - ogen op stoaltjes steen knis; stain steenbakken tiggeln Steendam Staindam (op) [Staindamster] steenpuist bloudvin; negenoog; stainswèl(le); stienpuust steiger staaiger steigeren blentern; staaigern steil staail stekeblind stokblind stekel stiekel stekelbaars stiekelpor; stiekelspoor; stielsporen; stiekelstaartje stekelvarken egelkouerte; stiekelien; swieniegel steken steken stekje òfsteker; òfzetsel; òfzetter; stik stekken stikken stelen gappen; nasjen; nasken; nastern: neppen; stelen stellig gerust; vervast; wizze stelling stellen stelt stelde; stelt stengel stoal(e) ster steern II ster (in het ijs of glas) poepsteern sterfelijk staarvelk sterk maans; mannelk; mans; staark sterker meder; meerder; staarker sterrekundige steernkieker sterven staarven, starven steun schoor Steven Stevven stevig droes stiefmoeder staifmouder; staifmoeke stiekem stutjes; gloepstreeks stier bol(le) stijf stief stijfkoppig stieflcopt stijfsel stiefsel; stiezel stijven, met stijfsel bewerken stieven stikken stikken stil smoegerg; stil(le); tuk stil (in de natuur) lusterachteg; fluusterg; heur stilte stilleghaid stimuleren aanpeerdjen; oppeerdjen stinkei gob-aai stinken kaainen stipt prooi; stip Stitswerd Stivverd (in)[ Stivverder] stoeien |