Gronings - Nederlands

Dit is ingescand met "OCR " dus daar kunnen wat kleine foutjen in zitten!

E-mail mij even als er fouten in zitten.

                       A B C D E F G H I J K LM N O P Q R S T U V W X Y Z

 

 A

 

 

 

aacht(e) telw acht

aai znw o. ei

aaiber(d) znw ooievaar; lang en dun persoon

aaiberbek znw gele lis

aaiberbloum(e) znw gele lis

aaid bw altijd

aaid(e) 7.nw egge

aaiden vw eggen

aaidoor znw eierdooier

aaierjong zwn'jongste knecht

aaierproem(e) znw grote pruim

Aailaand eigenn Schiermonnikoog

aailaand znw o. eiland; land tussen 'wieken' (Vk.)

aailoof znw o. klimop

aais(k) znw eis

aaisen, aaisken ww eisen

aal bw voortdurend; wel

aal vnw al(les); ieder; iedereen

aal znw o. het al

aal hou voegw hoe ... ook

aalaan bw voortdurend

aalbaaiden(t) vnw allebei

aalbeer(n) znw rode-, witte-, zwartebes

aalbegeer znw hebzuchtig persoon

Aalbert eigenn Albert

aalbert znw kikker

Aalbert, maal znw raar persoon

aalbestel znw bemoeial aalder- voorv aller-

aalderwegens bw overal

aaldeur bw voortdurend

aaldoags bnw gewoon

aalgedureg bw voortdurend

aalgemain bnw algemeen

aalhouwel voegw alhoewel

aalman vnw allemaal

aalmeugend bw erg

aalmoal, aaipmoal vnw allemaal

aals bw veel

aals, in - geval bnw in ieder geval

aaltemet(s) bw misschien; soms

aaltemit bw misschien; soms

aaltemoal vnw allemaal

aaltenbliksem vnw allemaal (grof)

aaltendonder vnw allemaal (grof)

aaltenduvel vnw allemaal (grof)

aaltied(en), aaltieten bw altijd

aalvot, aalweg bw voortdurend

aan vz. aan; bij; bijna; tot; voortdurend

aan ... tou vz tot

aan tou bw bijna zover

aanaarbaiden ww doorwerken (tot 't einde toe); vlugger werken

aanaargern ww verergeren

aanbakken ww kleven

aanbegun ww o. het eerste begin

aanbelanden ww belanden

aanbelangen ww betreffen

aanbetern ww langzaam beteren

aanbetraauwen ww toevertrouwen

aanbieten ww beginnen te bijten

aanboeien W, aanböien ww aankleden

aanbougen ww zwaar lopen

aanbrengen ww aanbrengen; opleveren

aander bnw ander; tweede; volgend

aanderdoags bw de volgende dag

aanderkaant vz aan de andere kant

aanderman, n - um een ander (persoon)

aanders bnw ontroerd

aanders bw anders; echter

aandij znw groei

aandoan bnw ziek

aandoeken ww knuffelen

aandoenen ww dronken maken

aandoun ww treffen (fig.)

aandroager ww verklikker

aaneerden ww aarde brengen over

aanfietern ww opschieten

aangoan ww beginnen; doorgaan; tekeer gaan

aanhemmeln ww schoonmaken

aanhold znw gezellige omgang

aanjuk znw o. zwaarste last

aankeuvern ww sparen (geld -)

aankiek ww uiterlijk

aankieken ww afwachten

aankittjen ww aansporen; klikkIakken

aanklaiden ww aankleden (dagelijks, in O ook voor bijzondere gelegenheden)

aankomen ww aanraken; beginnen; getroffen worden (fig.)

aankomend bnw nog niet volwassen

aankrummeln ww erbij aantikken

aanlaaiden znw aanleiding

aanlangen ww geven

aanlopen ww aantikken (fig.); gedekt worden (schapen)

aanloper um zwerfkat; luis (scherts.)

aanmoaken ww opschieten

aannemelk bnw aannemelijk; leergierig; plezierig

(in omgang)

aanpeerdjen ww stimuleren

aanpoken ww besmetten; opstoken (fig.)

aanpoten ww besmetten

aanprietjen ww opdringerig aanprijzen; opdringen

aanrandjen ww aanklampen

aanredden ww aankleden

aanrekomdaaiern ww aanbevelen

aanroaken ww iets overeenkomen

aans bw anders

aans voegw als

aans om bw op de andere zij

aanscheren, de gek  ww voor de gek-houden

aanschrieven ww aansporen (schrift.); opschrijven

aanslag znw nieuwe buitendijkse grond; werk

aanslimmern ww verergeren

aansteken ww aansteken; aandoen; besmetten

aanstel znw aanstellerig persoon

aanstellen ww aanstellen; aanschaffen

aanstoken bnw licht bedorven; tipsy

aantelen ww z. vermenigvuldigen

aanteppen loaten ww laten zwoegen

aantielen ww N,W z. vermenigvuldigen

aantoalen ww aanspreken

aantrekken ww aankleden (dagelijks)

aanveerden ww aanvaarden

aanvertraauwen ww toevertrouwen

aanvoarden ww aanvaarden

aanvurgen ww beginnen te ploegen; hard lopen / fietsen

aanwaaisel ww o. oorvijg

aanwies um aanv/ijzing

aanwinnen ww beteren

aanzet znw kleine moeite

aanzetten ww groeien

aanzuiten ww aanprijzen; verlekkeren

aarbaid znw arbeid

aarbaiden ww werken

aarde ww erwt

aarf ww o. erf

aarf(dail) znw o. erfdeel

aarfies ww slaboontjes

aarfte ww Old erwt

aarg bw erg

aarg ww erg

aargens bw ergens

aargens(woar) vnw ergens

aargern (, z.) HW ergeren (, z.)

aargernis znw ergernis

aargewaaiern ww druk bewegen;drukte maken; zwoegen

aark ww gereedschap

aarkenail ww o. dakkapel

aarm bnw arm; ongelukkig

aarm ww arm

aarmhaart ww gierig persoon; ongezond persoon

aarmhaarteg bnw mager; meelijwekkend;zuinig

aarmhaarten ww aanhoudend klagen

aarmou, aarmoud(e) ww armoede

aarms(woar), aarns(woar), aarnt vnw ergens

aart(e) ww erwt

aartpoulen ww peultjes

aarven ww erven

aask(e) ww as

aaskebak ww asbak

abbe, veur de - ww voor het lapje

abbedoedas ww slag

abbel ww appel

abbeldoedas ww slag

abbesoezerd ww klap

absörd bw afzonderlijk

abt en voogd ww de baas

abuus ww o. vergissing

achte telw acht

achtentwintegsten, n - ww 28 augustus

achteraan bnw achterlijk

achteraan bw achteraan

achteraansteken ww verliezen (geld)

achterborst ww achterste

achterdeel ww o. vloer achter de koe stallen

achterdeuren ww schuurdeuren

achterheer, der - bw er achteraan

achterhoes ww o. achterste deel v.h.huis; schuur en stal

achterkestail ww o. achterste

achterliek bnw achterlijk

achterling ww soort brood(je)

achtern, in t - bw achterop

achteroet bnw achterlijk

achteroet bw achteraf (van de weg af)

achteroet bw achteruit; (te -) laat

achteroet, Pait - ww laatkomer

achteroetboerken ww N achteruit-gaan

achteroetkraben ww achteruitgaan (ondanks inspanning)

achterrad bw snel aaneen

achterrad ww o. achterwiel; rijks-daalder

achtertou, der - bw er achteraan

achteruut bnw achterlijk

achterweeg(s), achteroegens bw achtenvege

achterwegens bw achter(aan)

adinlek bnw behoorlijk

admis bw soms

adrillen ww allerheiligen

affeer, affere ww o. beroep

aggeln ww eten (gulzig -)

aggewaaiern ww tekeer gaan, druk bewegen

aibals, aibeis bw zeer

aibals, aibeis bnw verdraaid

aibeis ww ruzie; tratsen

aibeltjen ww soort notenschieten

aid ww eed

aigen vnw eigen

aigenbaauw ww zelf verbouwd gewas

aigender ww eigenaar

aigenheden ww eigenaardigheden

aigenhereg bnw eigengereid

aigenikkeg hnw egocentrisch; eigen- wijs; inhalig

aigenliek bw eigenlijk

aigenmaal ww raar en dom persoon

aigenred bnw zelfgemaakt

aigenschop ww eigenschap

aigenst bw eigenlijk

aigenste vnw zelfde

aigentliek bw eigenlijk

aigenwies bnw eigenwijs

aigenzinneg bnw eigenzinnig

aigliek(s) bw eigenlijk

aik ww vlek (in wasgoed)

Aikamp (in) [Aikamper] Ekamp O

aikeg. aikerg bnw met bijsmaak

aiken bnw eiken

aikenboom ww eik

aimeke ww o. kakkerlak; huiskrekel

aimel ww zeurend persoon

aimeln ww zeuren

Aimen (in) [Ainmer] Eenum N

aimerke ww o. kakkerlak; huiskrekel

ain vnw zich

ain ww de een

ain över twij bw wanordelijk

ain(e) telw een

ain(e) vnw iemand

ain-noa-leste ww voorlaatste

ainaarm znw persoon met een arm

ainbaintjen ww scheef schaatsen

ainboar bnw ongehuwd

aind ww N,W eend

aindebek ww lisdodde

ainder vnw dezeifde

ainderwegens bw ergens

aindoadeg bnw eenzelvig; ge'l'soleerd levend

aindoar(e) ww eenzelvig persoon

aindvogel ww geschoten eend

aineg bw eens(gezind)

aineghaid ww eenzaamheid

ainegst bnw enig

ainen, ien -; ainen, in - bw ineens

ainen, op - zetten ww uitdunnen van jonge planten

aines vnw iemand z'n

aingoal bnw effen; gelijk; suffig

aingoal bw onafgebroken

aings, ainks bw eigenlijk

ainhandse ww eenhandig ding (: met een hand vast te houden)

ainlieks bw eigenlijk

ainlopend bnw ongehuwd

ainmoud bnw serieus

ainmoud ww ernst (innige -)

ainnoa- voorv op een na -

ainpoareg bnw eenstemmig; onveranderlijk

Ainrom (in) [Ainrommer] Eenrum N

ains bw eens(gezind)

ains vnw iemands

ainspaanjer ww helft (van een –te verwachten- tweetal); vrijgezel

ainuurd bnw met een tepel

ainvoud ww eenvoud

ainwonend bnw alleen wonend ais (weens (: 'es)

aits bw even(tjes)

aive ww eeuw

aiveg bnw eeuwig

aivege bw verschrikkelijk

aiveghaid znw eeuwigheid

aiw znw eeuw

aiweg bnw eeuwig

aiweg bw zeer

Aizing (in) [Aizinger] Ezinge W

akkedaaiern ww opschieten (met iem.); passen; een akkoord sluiten

akkederen ww W opschieten (met iem.); passen

akkedemie znw universiteit

akkefietjederij znw wissewasjes

akkelaai znw scholekster

akkenail znw o. dakkapel

akkermantje znw o. N kwikstaart

akkoordjen ww een akkoord sluiten

akkroat zo ... bw precies zo ...

akse(biele) znw O grote bijl aksies znw problemen

akwa znw O restje (groente e.d.) al bw al

alaarmschure znw kapschuur

albaster znw knikker

alder- voorv aller-

alderdeegs bw zelfs

alderduvelst bw buitengewoon

aldergekst bw verschrikkelijk

aldernoarst bw verschrikkelijk

aldervrezelkst bw afschuwelijk

aleer bw vroeger aleer voegw voordat

alens vnw alles

alewel voegw hoewel

allaank, allaank al bw allang

aliain, allaint bw alleen

allaintjes, op zien - znw O in z'n een­tje

allemachies tussenw Vk allemachtig

allènt bw alleen

aller-, alder- voorv aller­

allerbedruifdst bnw meer dan be­droefd

allerbenaauwdst bw verschrikkelijk

allergloependst bw verschrikkelijk

allergodsbenaauwdst bw vreselijk

allerhemelst bw vreselijk

alleriezelkst bw verschrikkelijk

allernoast bw buitengewoon

allewel voegw alhoewel

alliekeveul bw even veel

alliekewel bw evengoed

allinneg bw alleen

allozie znw o. horloge

almeugend bw verbazend

altemoal znw gelukstol

alterkwalter bw kriskras

alteroatsie znw ontzetting

Alteveer (op t) [Alteveerster] Alteveer O

altmangs, altmets bw misschien; soms

altmoal vnw allemaal

ambolt znw o. aambeeld

ampaart bnw apart

amtam znw vervelend persoon; onge­zeglijk kind

anders bw anders

andievie znw andijvie

ang znw angel; kafnaald

angel znw angel; kafnaald; hengel

angelgare znw hengel

angeln ww hengelen; treuren

ankom bnw aanstaande

annaaiern ww overwegen; redeneren

annoarie weg bw zoals gewoonlijk

antam znw ongezeglijk kind

antammeg bnw ongezeglijk

apaart bnw apart; afzonderlijk

apmoal vnw allemaal

appeboesjeude znw O boeman

appel znw appel

appelbrij znw appelmoes

appel kool kwint znw apekool

appellat, aan - znw failliet

appelsien(e) znw sinaasappel

appelsmots znw appelmoes

apperoat znw o. apparaat

april znw april

apsepteren ww accepteren

apstendie znw fistel

aptaik znw apotheek

arom vz Old rond

ars kars mars tussenw vooruit

as voegw als; dan; indien; of; behalve

as znw as (draai-)

as dat voegw dat

asmangs, asmis, assmis bw soms

astemoat bw erg; zeer

astrant bnw bijdehand; brutaal

attern ww etteren

Auwerd (in) [Auwerder] Aduard W

Auwerderziel (op) [Auwerderzielster] Aduarderzijl W

avvekoat znw advocaat (beroep)

avvekoatske znw o. goed pratende vrouw

avvezeren ww opschieten

azze znw as (draai -)

 B

 

baag bnw broeierig

baai znw bes

baaid Vnw beide(n)

baaide bnw beide

baaidegoar Vnw beide(n)

baaidel Znw beitel

baaiden(t) vnw beide(n)

baaier, aan de - znw aan de zwier

baaier, ien de - znw in de war

Baaierm (in) [Baaiermer] Bierum

baaister Znw wildebras

baaistern WW hollen en draven

baaitel znw beitel

baai Znw bal

baalg znw doodlopende geul

baalgern ww 0 woest ravotten

baalk(e) znw balk; zolder (in boeren-schuur)

baalkeduuster bnw pikdonker

baalken WW schreeuwen

baaikje znw o. N smal en hoog brug­getje

baaltje Znw 0. snoepje

baand znw band; bindstro

baander(deur) znw achterdeur (van boerderij)

baandjen, der om -;

baandjern 0, der om - WW er om spannen

baang(e) bnw bang; niet houdend van

baangeghaid znw bangheid

baangschieter(d) znw bangerik

baank(e) znw bank

baansder(deur) znw achterdeur (van boerderij)

baarg znw gesneden varken

baarg(e) Znw berg

Baarge (in) [Baarger] Wolfsbarge 0

baargen WW bergen

.tt: baarg- baargt vt: burg

vdvv:N burgen, 0 bôrgen

baark 1 znw berk

baark II znw bark

baarkenboom znw berk

baarm znw berm

baauw Znw bouw (van huis en land); bebouwd land; gebouwtje

baauwboer Znw landbouwer

baauwen WW bouwen

baauwmantje znw o. kwikstaart

baauwploats znw boerderij voor land­bouw

baauwte znw 0 omgeploegd land; tuingrond (buiten kom)

baauwvaal znw bouwvallig huis

babbeleguuchies,

babbelguuchies znw 0 grappen

badde znw 0 bep. brug(getje); plan­kier

badje, badjerd, badkerd znw knikker

bage bnw broeierig

bagel Znw bagger; bep. turf

bagelbak Znw turfinstrument; koekje (voor schaatsers)

bagein WW baggeren

baggel znw bagger; turfsoort

bal vz St bij

baiden WW bieden tt: bai-budt vt: bo vdW: boden budt>

baidt, bo> bood

bain Znw 0. been

bainbonk znw scheenbeen

bainderd znw langbenig persoon

 baineg bnw op de been

bainen, takse - znw o-benen

baintjewippen ww beentjelichten

baist bnw gewonnen (- gegeven)

baist znw o. beest; koe

baistemaart znw veemarkt

baistemelk znw biest

baistje, old - znw o. oud (en verbruikt) ding

bait znw biet

bak znw beschuit

bakemmer znv~’ grote emmer

bakjegooien ww werpspel met stenen

bakkeg bnw kleverig

bakkeln WW heen en weer bewegen

bakken WW bakken; kleven; onder­handelen (over prijs)

tt: bak-bakt vt: bakte (0 ook bakde) vdw: bakt vdw: bakt> bakken

bakkenbrùg znw roggebrood met be­schuit

bakkerg bnw kleverig

bakkersiempien znw o. St kakkerlak; huiskrekel

bakkerske znw o. bakkersvrouw

bakkerstiek(e) znw kakkerlak; huis­krekel

bakpannen WW leuteren

baks, bakseg bnw kleverig

bakstaf bnw zat (moe)

bakstainen, as - bW uitmuntend

bakstalleg bnw weerspannig

bald hier, bald doar bw nu eens hier, dan weer daar

balderachteg bnw onstuimig

batdern WW bulderen; bluffen; tieren

bale znw bal

baljoaren wsv drukte maken

ballast znw ballast; onkruid

Ballege (op) [Balleger] Barlage 0

baloor znw losbrekend dier; ongezeg­lijk kind; druktemaker bambeer, bambere znvv fors persoon; wildebras

bambereg bnw heetgebakerd; luid­ruchtig

bamboes Znw schrobber

bamboeze ZNW ruig persoon

bamzen ww slaan

bamzoeze ZNW ruige kerel

bandeg bnw druk; gebonden

bandevout, op algen - znw op eigen houtje

bandiezen WW razen; tieren

bandrekel znw kwajongen

bange bnw bang

bangeschieterd znw bangerik bargen znw W bergen

• tt: barg-bargt vt: burg vdw.° burgen

barm znw berm

barrebiesies, noar de - znw naar de maan

barrel znw boel

barries Znw grote hond; stevige jon­gen; fors persoon barsten ww barsten • tt: barst-barst vt: bórst vdw: bórsten

barstendevol bnw stampvol basterd znw knikker

bastje, dik - znw o. klein en dik per­soon

bat(ten) znw bep. brug(getje); plan­kier

bats znw klap; hoeveelheid

bats(k) bnw zwierig

batse znw soort schop

batseg bnw trots

batseghaid znw opschepperj

batsen WW slaan; smijten batterij, blode - znw achterste batterij, op - Znw te berde

Bavvelt (in) [Bavvelder] Baflo N

bedaarven WW bederven; verwennen

bedappern, z. ww z. inhouden

bedegend bnw geslaagd

bedellapke znw o. vragend kind

bedèlte znw diepte

beden WW 0 bidden

beder bnw beter

beder znw bidder

bedèsd bnw bedeesd

bedie vnw St beetje bedoan bnw vuil

bedoard bnw kalm

bedoesd, bedoezeld bnw versuft

bedoulen ww bedoelen

bedoulen znw bedoeling

bedraaigen ww bedreigen

bedraigen WW bedriegen • tt: N bedraig-bedrugt 0 bedraig­bedrogt vt: bedroog vdw: bedrogen

bedreugen WW drogen

bedriet znw o. bedrijf

bedriegen WW W bedriegen • II: bedrieg-bedrugt vr: bedroog vdW: bedrogen bedrugt> bedriegt

bedruifd bnw bedroefd

bedruifd bsv erg; verschrikkelijk

beduden WW betekenen; uitleggen • tt: bedu-bedudt vt: bedudde vdW: bedud bedudt> beduudt bedudde> beduudde bedud > beduud

beduzzeln WW bedisselen; sussen

Beem (in) [Bemer] Bedum N

beer znw beer; ruwe man; wild persoon; grof gebouwd persoon

Beerte (in) [Beester] Beerta 0 beet znw beet

befoesd, befoezeld bnw beteuterd

befoezeln Ww N overdonderen

begereg bnw begerig begèst bnw 0 slim

begieren en begroapen WW zeer zui nig zijn

begleren ww besmeuren

begoazie znw bagage

begoazje znw W bagage

begozzeld bnw slim; geblancheerd

begraffenis, begraftenis znw begrafenis

begriepen WW begrijpen tt:begriep-begript Vt:

begreep vdw: begrepen begript> begriept

begripzoam bnw schrander

begroafenis znw begrafenis

begrodelk bnw spijtig

begroten WW spijten; te duur vinden

begugein WW voor de gek houden

begun Znw o. begin

begunnen WW beginnen II: begun-begunt VI: begon vdsv: begonnen (vr: begunde en vdw: begund komen nauwelijks meer voor)

behaalven bw behalve

behandjen WW behappen

behaspein WW met moeite regelen

behelstern WW halsteren; ontgroenei

beholdzoam bnw zuinig behuifte znw behoefte; gebrek

behulpzoam bnw behulpzaam; hulp­behoevend

bftk-open Znw schreeuwlelijk

bekaaien WW ertussen nemen

bekbounder znw tandenborstel

bekeetjes znw soort snoepje

bekeukein Ww betoveren

bekind bnw bekend

bekje znw o. zoen

bekjegaauw bnw snel sprekend

bekjegaauw znw flapuit

beklaaien ww klei brengen over; be­kladden

beklaren ww bekladden

bekleumen WW afkoelen

beklinken WW kleiner worden

beklokkern ww koesteren

beknepen bnw benepen; zuinig

beknottjen ww (wat onhandig) rege­len

bekomst~ goie - tussenw wel bekome het u

bekonkelfoezen WW bekonkelen

bekonkeln WW bekonkelen

bekörten WW ontrieven

beknnzeln WW beknibbelen op

bekroepken WW Old verstoppertje spelen

bekstok znw 0, bekstuk Znw N, W kakelend persoon; persoon met scher­pe tong

bekukelderij znw bedrog

bekweem(kes) bnw bescheiden; rus­tig; schijnheilig bèl(le) znw bel; vod; slordige vrouw

bela znw mooie vrouw

belakschaauwen WW bespieden

belang hebben bie WW zin hebben in

belappen en benaaien WW verzorgen (w.b. kledij)

belasten Znw belasting bel~ren WW africhten; afgericht

worden

belhoamel, belhoamer znw belhamel

bèlken WW N schreeuwen

bèlktaiken znw o. uitroepteken

beloa ZNW mooie vrouw

belokken WW lukken

beloop znw 0. vorm

belopen WW belopen; vochtig worden (met kringen)

belotjed bnw getikt

belotjen ww bedriegen

belslee Znw arreslee

belukken WW lukken

belutjen WW ontrieven; tekort doen; tegenvallen;

bemeuren(s) znw

drukte bemieterd bnw beroerd

bemietern ww bedriegen

beminder ZNW liefhebber

bemoaken WW nalaten

bemuien, Z. WW Z.

bemoeien ben(de) Z,ZW hoeveelheid

ben(ne) znw mand Benaars eigenn Bernard(us)

benaauwd bnw benauwd; zuinig

benaauwd bw erg

bendel ZNW bundel

bengel znw oorbel

benieden WW benijden

benijd bnw benieuwd

benijen WW benieuwen

Bennewolle (in) [Bennewolster] Bellingwolde 0

benoam bw vooral

benoasten (bie) bw bijna

benoastenbie vz naast

bentern ww 0 dol rennen

benuzzein WW treuzelen

bep(pe) znw oma

bepke znw 0. oma; ouwelijk meisje

bepoalen, z. Ww z. bepalen; kiezen

beppie znw o. oma

bèr(re) Znw o. bed

beraauw znw o. berouw berabbein ww afraffelen

berèd bnw behept

bereiken WW bereiken (fig.)

berek znw 0. bereik

berekken WW bereiken (ltk) beren WW schreeuwen

berenust znw o. troep bèrgoanstied Znw bedtijd

berichten znw radionieuws

berieken WW bereiken (fig.)

beroamen WW beramen; bespringen; snel doen

beroup WW o. beroep (op dominee)

bèrregangerstied znw bedtijd

beruden, z. WW z. vastwerken

beruiern WW beroeren berzie znw soort schuit; troep

beschaaid Znw o. antwoord

beschaaiden bnw bescheiden

beschaarmen WW beschermen

bescharreln WW regelen

bescharrein, Z. WW Z. redden

beschoaclegen WW beschadigen

beschoustern WW voor elkaar krijgen

beschuut Znw beschuit

besjaggeln WW besjoemelen

beslaintjen WW 0 bemorsen

beslintern, 2. WW z. bevuilen

besloagen WW beslaan; eindigen

besloeten WW besluiten

beslofken WW beredderen beslovven WW beredderen

besluten WW besluiten

besmeddelk, besmettelk bnw besmet­telijk; snel vuil

besnibbeln WW snoeien

besoaksemd bnsv getikt

besouwen, Z. WW Z. kwaadmaken

besroen Znw 0. overhemd

bestèl Znw 0. opdracht

bestendeg bnw bedaard

besteuten WW vlug afdoen

bestoppen WW verstoppen

bestöt bnw af; verloren besturven bnw bestorven

bestuur znw 0. postuur

beswiemachteg bnw bijna bezwij­mend

betaiken WW betekenen

betaistern WW toetakelen beter bnw beter

beterkoop bnw goedkoper betern WW genezen

betoalen WW betalen'• tt: betoal-betoalt vt: N betoul, O betoul en betail, W betoalde vdw: betoald betoul, betuil, betail > betoalde

betoefd bnw getikt; slim

betunteld bnw in de war

betuun bW schaars

beudel znw knaapje

beuker(ke) znw (o.) knaapje

beulde, n - Vnw Old veel

beulen WW Ww loeien

beun van mond znw gehemelte

beun(e) Znw zolder

beunsk bnw muf

beus bnw kwaad

beus bW fiks

beuterij znw bijgebouwtje (bij boerd~ rij)

beuze bnw kwaad

beuzebelder Znw boeman

bevelen WW bevelen tt: beveel-beveelt vt: N en 0 bevooi vdW: bevolen

bevertien(en) znw o. soort stof

beveuren bw tevoren

bewaarkelk bnw bewerkelijk

bewoarschOul znw kleuterschool

bezied bnw opzij; verborgen

beziedjen ww N verstoppertje spelen

bezoen znW o. overhemd

bezuik znw o. bezoek

bezuiken WW bezoeken; proberen

bezuun znw bazuin

bezuvern ww schoonmaken

bezwieken WW bezwijken tt: bezwiek-bezwikt vt:

bezweek vdW: bezweken bezwikt> bezwiekt

bezwoar Znw o. bezwaar

bezwoar znw o. hypotheek

bezzem znw bezem

bezzemschoon bnW ruw schoon

bezzemstoal, bezzemstok Znw be­zemsteel

bichten WW biechten

bid-aarm bnW straatarm

biddelkaars znsv oostindische kers

bidden WW bidden tt: bid-bidt vt: N bee, 0 beedde vdw: beden beedde> bad

bie vz bij; volgens

bie om vz in de omgeving van

bie om of bW vrijwel

bie weg bw uit de omgeving van

bie laangs, bie laans, bie langes vz langs

bie stok bnW in orde

bie tou bw bovendien

bie tou bW overtollig

bie zetten bW zo nu en dan bie-pad-loper znw ordinair persoon

biebeer znw drukte; ophemelarij

biebel znw bijbel

biebereg bnW haantje de voorste; luid­ruchtig; ongeduldig

bieden WW W bieden tt: bie-budt vt: bo vdW: boden budt > biedt, bo> bood

biederhaand bnW bijdehand; vlug

biederhandje znw o. bijdehand kind

biegoantje (t is mor n -) znw 0. klei­nigheid

biel(e) znW bijl

bien znw o. W been

bienden 55W N,W binden

biester bnW bijster

biester bW zeer

biester, in de - bw in de war

biesterboan(e) Znw dwaalspoor

biesterboarliek bW zeer biesterweg znw dwaalweg

biet znw W beet (vissen)

biet(je) znw (o.) W beetje

bieten WW bijten tt: biet-bit vt: beet vdW: beten bit> biet

bieterg bnw wormstekig

bietit Znw vijfde tepel

biets(k) bnW bijtiustig

biezunder bw bijzonder

big(ge) znw big

bus moaken znw drukte maken; op-scheppen

bikboord WW stuurboord

bikkeiknikker znw soort knikker

bikken ww bikken; gooien

biksein WW smullen; z. inspannen

bil(Ie) znW dij

bilder bnW wild (uitgelaten); in de war

bilder Znw dartel meisje

bulder, op - znw aan de zwier

bildern WW gejaagd lopen; langs de straat lopen

bilwipper znw onecht kind

bin znw soort touw binden WW 0

binden ww o binden

binhoes znW o. voorkamer; vroegere winter-woonkamer

binkje zon’ o. kniestuk ve. varken

binnen vz binnen

innen deur bw thuis

binnenbeurtje znW o. buitenkansje

binnenkoors Znw malaria

binzein WW met geweld lopen; met geweld wegjagen

birsken WW hard werken

birzein WW snel lopen

birzen WW banjeren; snel lopen

birzie znW hoeveelheid bit znw o. bijt; gebit (v. paardetoom)

bittelkaars, bitterkaars Znw oostindi­sche kers,

bitterliek(e) bW erg

blaaien 1 WW 0 bloeien

blaaien II WW puffen

blaaisterg bnw gezwollen; warm (v. weer); weelderig

blaank bnw blank

blaauw bnW blauw

blauwbragel Znw bodemslijk, knik

blaauwkomziel Znw blauwe werk­manskiel,

blauwkop znw soort worm

blaauwkoppen znw kwajongens

blaauwmaiske Znw 0. pimpelmees

blaauwmier(e) znw ereprijs (plant)

blaauwvaalk Znw sperwer

blaauwwintermaiske Znw 0. pimpel­mees

bladjegoud znw o. onkruid

bladjen WW bladeren

bladseg bnW slap(achtig)

bladziede Znw bladzij

blaik bnw bleek

blaik(e) znw bleekveld

blaiken ww bleken

blaisterg bnW warm (v. weer)

blaiven WW believen blak(stil) bnw bladstil

blas znw opschepper

blas(t) znw opgezetheid

blaskont(erd) Znw bluffer

blavven WW blaffen

blazzeg bnw gezwollen

blebbe(rd) znw tong

blebberd Znw schreeuwlelijk

bledder znw tong; schreeuwlelijk

bleddern WW gauw en veel praten; zaniken

bleggen WW hijgen (v.e. hond)

blentern WW steigeren

blèr(re) Znw huilebalk; tong

blèrder(d) WW huilebalk

blèrren WW hiaten; aanhoudend huilen

blèrsnoet WW schreeuwleiijk

blets znW slib

blezzen WW een bles dragen; een overhemd dragen

blibbe znw wijsneus

blibben WW pruilen

bliebel, eelske- znw 0 aansteister

blied(e) bnw blij

bliedeg bnW blij

bliedschop znw blijdschap

bliek bnW bleek

blieken WW blijken

blieken WW bleken bliekveld Znw 0. W bleekveld

blier bnW N bleek; verschoten; wazig

blieven ww believen; blijven tt: blief-blift vt: bleef vdW: bleven blift>blieft

Blijham (in) [Blijhamster] Blijham 0

blijsterg bnW Ww warm (v. weer)

blik bnW blikkerend; open

bliksem, blaauwe - Znw meelkost

bliksie(koater) tussenW bliksems

blikspeldje Znw o. button

blin(ne) Znw blind (vensterluik)

blinddoukjen ww blindemannetje spelen

bunder tussenw allemachtig

blink znw dorpsplein; binnenplaats

bloadern, bloadjen WW bladeren

bloar(e) znw blaar; blaarkop

bloarebieter Znw soort kever

bloas znW blaas

bloasbaalk(e) Znw blaasbalg

bloasken WW pochen

bloaze Znw blaas; pocher

bloazen WW blazen; opscheppen (fig.), pochen • tt: N en 0 bloas-blast,

W bloas-bloast vt: N blous, 0 bluis, W bloasde vdW: bloazen blast> bloast;

blous en bluis > bloasde

bloeden WW W bloeden • tt: bloe-bludt vt: bloedde vdW: bloed bloe > bloed; bludt> bloedt

blok znW o. blok; land tussen ‘wieken’

Blokum (op) [Blokumer] Blokum 0

blom Znw N bloem

blomkeder Znw N bloemist

blootpootjen WW pootjebaden

bloots bw 0 slechts, alleen blös Znw bbs

bloten uw onthuiden

bloud Znw o. bloed

blouden WW bloeden tt: N blou-bludt, 0 blou-blödt, vt: N bludte, 0 blodde vdw: N blud, 0 blöd bludt en blödt> bloudt; bludte en blödde > bloudde; blud en blöd > bloud

bloudse bW zeer

bloudvin Znw steenpuist bloudworst Znw bloedworst; sul

bloum(e) Znw 0 bloem

bloumd bnW gebloemd

bloumen ww bloem worden

bloumked bnw gebboemd

bloumkeder Znw 0 bloemist

bloumkederij Znw het geheel van bloemen; bloemenkwekerij

bloumken WW bloemen kweken

blözzem Znw bloesem blui znw bloei; bloesem

bluiden WW 0 bloeden

bluien WW bloeien; opzetten; rood zijn

bluierg bnw hoogrood

bluiknop Znw bloemknop

bluister Znw lauwe wind

bluisterg bnW warm en winderig; ge­zwollen; hoogrood;

weelderig

bluizem Znw bloesem

bluvven WW bluffen

bluzzen WW blussen

boaien WW baden

boak(en) Znw baken

boal(e) ZnW baal

boalie Znw balie, ronde kuip

boaliemoarze Znw huisvrouw (scheldw.)

boan(e) znw baan

boantje Znw o. overhemd

boar bnw vol

boar Znw golf

boar(e) Znw draagbaar

board Znw baard

boardscheerder Znw kapper

boare znw soort boeman; forse man

Boareveld (op) [Boarevelder]Bareveld 0

boas Znw baas

boaskerel znw stevige vent

boaswicht Znw 0. stevige meid

boazen WW ijlen

bobbekop znw dikkop (scheldn.); dik en dom gezicht;

stug persoon

bobbel Znw waterbel; puist

bobbelkop znw dikkop (scheldn.)

bobbeltjebloazen WW bellen blazen

bocht(e) Znw bocht

bocht,  oet de - Znw uitstekend

bod Znw o. bod; keer

bod(de) Znw soort slee

bodde bW zeer

bodde znw bot

bôdder Znw 0. N boter

bodjevoaren WW z. laten glijden op schaatsen

bodschop Znw boodschap

boegen WW buigen

boek Znw buik (v. potten e.d.)

boeke, op - ; boekebakke, op - Znw O op de hurken,

boeken WW bukken; bol uitstaan

boekou Znw koe

boekzaik bnW beurs

boel(e) Znw buil; hult

Boer, Ten - (in) [Boerster ( , Ten -)J Ten Boer N

Boerakker (op de) [Boerakkerderi (mw) [Boerakkeri (bnW) Boerakker W

boeren WW boeren

boerenploats(e), boerenspul Znw 0.boerderij

boerentonen Znw tuinbonen

boerke Znw 0. N keuterboer

boerken WW N boeren

boerknecht WW eerste knecht

boers bnw boers

Boers Znw 0. N Gronings (taal)

Boertang (in) [Boertanger] Bour­tange 0

boertje Znw 0. 0,W keuterboer boes znw schrik; hoeveelheid

boesapperd Znw boeman; schrik

boesjeude Znw boeman

boeskool znw rode of witte kool

boeskwanteg bnw stormachtig

boeskwanter Znw forse vent

boesmansvarken Znw o. onkruid (in de aardappelen)

boesroen Znw o. overhemd

boestern WW lopen met forse stappen; razen (v.d. storm); het huis schoonmaken

boet znw deuk

boete Znw boete

boeten; boetendeur(e) vz/bW buiten

boeten, ien - vz/bw N buiten

boetenbainder Znw buitenbeentje

boetendat, boetendes bW bovendien

boetenlougsters Znw buitenlui

boetenofster Znw iem. van buitenaf

boetenom bW aan de buitenzijde

boetenslag znw misslag

boeze znw 0 schrik; hoeveelheid

boezebelder znw boeman boezroen Znw overhemd

boge Znw 0 boog; soort brug

bogerd Znw boom v.e. vent

 

boggel Znw bochel; bocht; oneffenheid

boggelg bnW oneffen

boggein ww oneffen zijn

boi znw jongen (vleinaam)

boidein WW 0 buitelen

boien WW kleden

bok znw N geit

bok znw geitenbok; nukkig persoon

bôk znw honger

bokachteg bnW nukkig

bokhok znw geitenstal

bokhut znw geitenstal

bok(je) stoan WW helpen

bokje stoan WW iemand omhoog laten klimmen; haasje-over;

borg staan

bokjen WW haasje-over; z. inspannen; moeite doen; stoten

bokjespringen znw haasje-over

bokkeblad znw o. lokaal blad

bokkeg bnW nukkig

bokkekraant Znw lokaal blad

bokkemelk Znw geitenmelk

bokken WW 0 bukken

bokken znW bokking

bokkenis znW onaangenaam persoon

bokkeraam Znw bok

boklam znW 0. geitje

bokram Znw bok

bokseln WW hard lopen; slecht schaat­sen; zwoegen; z. inspannen

boksem Znw broek

boksembuus Znw broekzak

boksemen WW hard lopen

boksempovverd Znw klein uitgevallen persoon

boksemvent Znw waardeloos persoon

boksemwams, in ain - deur bw onaf­gebroken

bôl(le) Znw bol (broodsoort); kadetje

bol(le) Znw stier; vrouwenjager

bolbaaisie Znw o. poffertje bolde :nw bout (ijzer-)

bolderbak Znw bulderbast

bolderboksem znw bulderbast

boldern WW luidruchtig gaan; rommelen (lawaai maken)

bölken WW 0 schreeuwen; een boer laten; loeien

bollepies znw lisdodde

bollern WW rommelen (lawaai maken)

bolproam Znw soort vrachtschip

bols(k) Znw verlangend naar de stier

bolschiet Znw mosterdsaus

bolschip Znw o. soort vrachtschip

bôlstaart znW stompe staart

bolster, mit bèr en - Znw met de noor­derzon

bolt znw bout (ijzer-)

böltern WW buitelen

bom Znw bom; soort glas; kanjer; soort knikker; hoeveelheid;

bome 1 Znw boom; stuk hout

bome II znW bodem

bomelies znw bomijs

bomke Znw o. soort knikkertje

bommel znw soort knikker

bommel, aan de - ZNW aan de zwier bomzaaierfl WW dobbelen

bomzen WW bonzen

bone znW boon boneklont Znw stamppot bonen

bonen WW N boenen

bonen, n beste - Znw uitbrander

bonen, waalske -; bonen, waalze -znW tuinbonen

bongel Z0W dwarsdrjver

bongel znw eind hout; knuppel (stok)

bongelderij znw dwarsdrijverij

bongeljoaren znw vlegeljaren bongeln WW bungelen

bonk znW bot

bonk znw ruw persoon

bonk(erd) znw mager beest

bonkies znw 0. bomijs

bontjer Znw manufacturier

boog znw boog; soort brug

boom 1 znsr’ boom; stuk hout

boom II Znw bodem

boomke, boompie znw o. rondje (bij kaartspel)

boon znw boon

boonstok znw lang en dun persoon

boontjedroaden WW bonen afhalen

boontjenat Znw 0. bonensoep

boor 1 Znw hoor; soort spade

boor II Znw boord

boorden WW zomen

boornstevol bnw boordevol

bore 1 znw boor; soort spade

bore II znw boord boren WW boren

börg znw burcht

börg(e) znw borg börgen WW verkopen op krediet; lenen

börger znw burger

börgmeester znw burgemeester

Börgsweer (in) [Börgsweerster] Borgsweer 0

Börkomnij (in) [Börkomnijster] Borgercompagnie 0

borre znw soort slee

borrel mit kloeten znw vruchten met slagroom

borries znw spookfiguur borstjen WW zwoegen

borstrok znw gebreien hemd

bos(k) znw o. bos boskerij znw bosschage

bosschop znw boodschap

bosterd znw soort knikker

bot bw erg

bot Znw o. ruimte

botter znw W,0 boter

botterbloemke znw 0. madeliefje

botterbloum(e) znw boterbloem

botterdruppen znw grote druppels

botterfabriek  znw zuivelfabriek

bottertjen WW kiskassen

bottervogel znw vlinder

boudel znw bedrijf; inboedel; rom­mel; hoeveelheid

boug Znw boeg; voorzijde

bouk Znw 0. boek

boukerij znw verzameling boeken

boukstoaven ww opsnijden

boukwaaide, boukwaait znw boek­weit

boukwaaiten Jaantje znw N boekwei. tegort; pitloze vrouw

boukwaaiten- bnW boekweit­

boulen Znw N inboedel; hoeveelheid

bounder znw boender boundern WW Z. snel voortbewegen

bounen ww boenen

bourel Znw hoeveelheid; inboedel

boute Znw boete

boven(hoes), bovenspul znw voor­huis (in boerderij)

bovven WW boffen

bozzel Znw borstel

bozzeln WW borstelen; z. haasten; hard lopen; zwoegen

bozzem znw schoorsteenmantel

braaien ww breien

braaien znw 0. breiwerk

braand Znw brand; brandstof; ziekte (in koren)

braandlap Znw ongeduldig persoon; harde werker

braauwen WW brouwen; broeien

brabbelkouk znw gebak (al of niet mislukt -)

bragel znw slijk

brageig bnw modderig

braid bnw breed

braidvoudeg bnw breedvoerig

braif znw brief

brakje znw o. bouwvallig huis

branderg bnw branderig; vurig; zeer werkzaam

brandhaals znw workaholic

brandlabbe znw ongeduldig persoon

brandvos znw paard met lichtrood haar

branneddel, brannekkel znw brand­netel

branneddel -, brannekkel, dove - znw witte dovenetel

branwien znw brandewijn

bred znw o. houten bord; plank

bredje znw 0. presenteerblad

bredte znw breedte

breggel znw 0 aanstellerig persoon

breken ww breken; braken tt: breek-brekt vt: N brook, o en W brak vdw: broken brekt> breekt

brekvalleg bnw bouwvallig

bremmen ww de keel schrapen

bremster Znw horzel; bazige vrouw

bremsterg bnW boos; schor

brengen WW brengen tt: breng-brengt vt: brocht vdW: brocht naast vt: brocht ook brochte, broch­de ed.

breuk Znw boete

bried bnW W breed

briek bnW N,W bijzonder; zwak (van constructie)

brij Znw pap

Brij (op) ~Brijster1 Breede N

brijen WW brouwen (de r -); lastig spreken

brijtied Znw ontbijt (op boerderij)

Bril (op) [Brilster] Briltil W

bril(le) znw bril; neusklem voor paarden

brillen WW een bril dragen; opzien te­gen

briliesteern znw brildrager

bringen WW brengen

broaden WW braden

broaderg bnw aangebrand; driftig

broadschol Znw bakschol

broak bnw braak

broak znw braakliggend land

broaskeachteg bnW opschepperig

broaskeder Znw opschepper

broaskemoaker Znw praatjesmaker

broasken WW 0 snoeven

broasker Znw pocher

broazem 1 Znw brasem

broazem II Znw schuim

brobbel Znw luchtbel

brobbein WW bellen blazen; borrelen

bröd Znw 0 hoopje; rommel

bröd Znw 0. broedsel

bröddellap Znw broddellap

bröddeln WW broddelen

bröds(k) bnW broeds

broeden WW W broeden tt: broe-brudt vt:

broedde vdW: brud brudt> broedt; brud > broed

broek Znw broek

broeken WW 0 gebruiken

broen bnW bruin broes,

broezem Znw schuim

broezen WW bruisen; met geweld te­voorschijn komen

brog(ge) 1 Znw 0 brug

brog(ge) II znw 0 boterham

brokkel bnW brooddronken; lichtge­raakt; bros

brokkel (in hoed) bnW onzeker

brolbek Znw huilebalk

broilen WW huilen; brullen; loeien

brom Znw grote hoeveelheid

brommel Znw braambes

brommelbos znw braamstrujk

brommer znw bromvlieg

brommer, bromster znw hommel

bromsterg bnW boos

brood Znw roggebrood

broodeten Znw o. ontbijt, lunch

broodkrummels Znw brooddronken­heid

brös bnW bros; lichtgeraakt

brös Znw broche

brösken WW 0 snoeven

brouden WW broeden tt: N brou-brudt 0 brou-brödt vt: N brudte, 0 brödde vdW: N brud, 0 bröd brudt en brödt> broudt; brudte en brödde> broudde; brud en bröd > broud In 0 hiernaast ook vormen gebaseerd op bruiden

brouk Znw laag grasland

brud Znw N rommel

bruddein WW broddelen

brudegom Znw bruidegom

brudeman Znw bruidegom

brudje, t haile - Znw 0. N de hele zwik

bruds(k) bnW broeds

brudseg bnW broeierig

brudsel Znw 0. broedsel

br~ig Znw N,W boterham

brug Znw N,W brug

bruiden WW 0 broeden

bruieg bnW broeierig

bruien WW broeien

bruier Znw broer

bruierg bnW broeierig

bruil bnW N overmoedig

bruisk bnw broeierig

bruken WW N,W gebruiken

brullen WW brullen

brulof(t) znw bruiloft

brummel Znw braambes

bruun bnW W bruin

bruur Znw W broer

budder Znw W boter

bugen WW W buigen

bui(e) znw bui; jongen (vleinaam)

buikenboom znw beuk

buit znw jongen (vleinaam)

buite Znw 0 boete

buiten WW vuur aansteken

buiterij Znw haard

buizeg bnW bang; onstuimig

buizen WW opwaaien (v. zeewater)

bukken Znw bokking; jongen (vlei­naam); standje

bulde Znw bult (hoop)

bule Znw zakje

buien WW hard lopen; te ruim zitten

bullen Znw bezit buit Znw hoop, stapel

buit, n - Vnw veel

bulten WW ophopen

bulterg bnW oneffen; (dreigend -) be­wolkt;

bun(ne) Znw bewaarplaats voor vis

bundel Znw bundel

bunder Znw hectare

bunen Znw verhoging

bungel znw dwarsdrjVer knuppel (stok)

bunzel znw bunzing; kwajongen

bunzetachteg bnw bang; schichtig

bunzeig bnw bang; schichtig

bunzein WW hard lopen

bus znw bus

buten bw buiten

buten WW ruilen

butendien bW bovendien

butenschop znw ruil

butje t znW o. schippersbakje

butje II znw o. imbeciel; halve gare

butter znw W boter

butterbloem znw W boterbloem

buuk Znw buik

buul znw zakje; kerkzakje

buuls bnw blut; in de war

buus znw N zak (broek-)

buuscenten znw zakgeld

buusdOUk znw zakdoek

buusgeld znW o. zakgeld

buuts(e) Znw O,W zak (broek-)

buvvet znW duffel

buvvelfl WW gulzig eten

buzze znw bus (trommeltje

 C

 

cement znw o.     stamppot bonen; cement

Cramweer (in) [Cramweerster] Crangeweer N

   

 D

 

 dlidw 0 de

daag znw N dag

daaier znw (o.) dier(en)

daaier znw o. paard

daaimt znw o. 0 oppervlaktemaat

daalt znw 0 duit

daal(grond) znw 0 daigrond

daaiploatse znw boerderij op

dal-grond

daam znw N dam; stevige laag eten

Daam, n - (in) [Damster] Appingedam 0

daanje tussenw dank (u)

daanzen ww N dansen

daard, daarde(rt), daarders bnW derde

daarg(e) znW o. soort veengrond

daarm znW darm

daarmslinger znw darmkronkel

daarsken WW W dorsen

daarteg telw 0 dertig

daartel, daarten bnW dartel

daas znw N das

daauw znW dauw

daauwel znW traag persoon

daauweln WW slenteren

daauwen ww dauwen; sterk zweten

daauwneddel znw dovenetel

dadde vnw dat (zelfst.)

dag znW dag

dag en deur bw gewoonlijk

daghuur Znw loon (dag-)

dagkiald znw o. dorskieed

dagleggen WW waarschuwen

dagwaark znW o. dagwerk; hoeveel­heid

dal vnw St die; jou

daif znw dief

daig(e) znW 0. deeg

dail znW o. deel

daimt znW 0 halve hectare

dainen WW dienen

daiflst znW dienst; militaire dienst; dienstbetrekking

dainstjong znw beginnend knechtje

daip bnw diep

daip znw o. diep

daipswaal, daipswale znw berm

daiterd znw 0 stugge dikkerd

daldern WW daveren Dale (op) [Daalster] Wildervankster­dallen 0

dam znW dam

dammee, dammeet bW straks

dankboar bnW dankbaar

dansen WW dansen

dareg telw N dertig

darsken WW W dorsen

das znw das

dat wat is bW van belang

dat - voegw met andere woorden

datteg telsv dertig

dattien telsv dertien

daze, dazze znw das

de lidW de

de vnw die

tussenW asjeblieft, daar dan

december znw december

deeg bnw in orde

deeg bW erg; terdege

deel bW omlaag

deel ZNW vloer

aeelgeven, z. ww ~

deelleggen ww neerleggen

deelsdeur znw schuurdeur

deengsdag, deensdag znw N dinsdag

dege bnW in orde

deksels, dekselze bW drommels

dèl bw N,W omlaag

dèl(le) 1 znw laagte; litteken

dèl(Je) II Znw slet

dele znw vloer

Delfziel (in) [Delfzielster] Delfzijl 0

dèlloop Znw helling

dèlte Znw N,W diepte

dempe(r)g bnw kortademig

den bW dan

den voegw 0 want

denk znw denkbeeld; gedachte; Wat n denk! Gek idee

denken WW denken tt: denk-denkt vt:

docht vdw:

docht naast vt:

docht ook dochte, dochde e.d.

der bw er

dèr tussenW asjeblieft

der Vnw N,W ie (hij)

destieds bw destijds

deu bnw/znw dooi

deuen WW dooien

deugel Znw soort pin

deugennait znw deugniet

deugennaits bnw ondeugend

deuk(s) Znw deuk

deun bie bw dichtbij

deup znw doop

deup(ke), deupie znw (o.) dreumes

deupen WW dopen

deur bw opengegaan; versleten

deur vz door

deur(e) Znw deur

deur-in bw buitengewoon

deurdat voegw doordat

deuren WW N durven

deurentied bw gewoonlijk, doorgaant

deurgang znw diarree; doorgang

deurhin bw door en door; door heen

deurhinnat bnw kletsnat

deurhoalder znw pijpdoorhaler

deurjazzen, deurjoagen,

deurlappen WW verkwjsten

deurnaaien WW afranselen

deurnat bnw doomat

deurpoeiern WW volhouden

deurslag znw vergiet; verkwister

deursloeken ww inslikken

deursneeweg bw gewoonlijk

deursteken ww doorsteken; schud­den (v. kaarten)

deurtoavein WW doorzetten

deurtoeren WW volhouden

deurweren WW constant weer houden

deurzajk bnW doodziek

deurzetten WW doorzetten; beëindigen

deurzicht znw o. doorzicht; vooruit­zichten

deus Znw doos; toilet

deutel znw 0 dooier

deuze znw doos

dezember, -moand znw december

dicht(e) bnW dicht; toegevroren

dichthoed Znw onverwacht sterk per­soon

didde vnw dit (zelfst.) die vnw jou

diedel znw klap

diedeldaantjen, diedeldomdaantjen, diedelomdattjen ww flierefluiten

diek znw dijk dien Vnw jouw

dienderg bnW opgezet (dik)

dieneddel znw dovenetel

dieneg bnw opgezet (dik)

dienen ww opzetten

dienen(t) vnw de/het jouwe

dievendaaiern, Z. ww z. vermaken

dievendoatsie, dieverdoatsie znw tijdverdrijf

diezeg bnw licht mistig

diezel znw bladen v.d. paardebloem

diezel, schaarbe - znw distel

diggel znw aardewerk; scherf

diggelgoud ZnW o. aardewerk

diggein ww stuk gooien; stuk vallen

dij vnw die

dii vnw jou dij znW groei

dij znw/bnw N,W dooi

diie vnw die (zelfst.)

dijen ww groeien

dijen(t) vnw dergelijke(n); die

dijer 7)2W groeizaam dier; groeizaam persoon

dik bw erg

dik bnW dik; groot; dronken

dik en doen bnw stomdronken

dik-doun-in-toen ww barbecuen

dikdakken, diketen, dikkedakken ww overvloedig eten

dikkop(t) how met een dikke kop

dikmès znw o. broodmes

dikmoals bw vaak

diknek zrnv gezet persoon, gezet; rijkaard

dikste znW o. het ergste; het voor­naamste

 

dikstinzat bnw geheel verzadigd

dikvreter znw slokop

dikzoepen znw o. wrongel

din bw dan

dingerais znw een of ander ding

dingsdag znw dinsdag

dingzegheden znw bezigheden

dinken ww denken

dinsdag znw dinsdag

dioak znw diaken

dioakenraif znsv slecht gereedschap

dis-, dizze vnw deze

dizzen(t) vnw deze(n)

tussenw daag

doadelk bw direct

doage~ks bnw dagelijks

doagen w~v dag worden

doage(n), aal -; doaglieks bnw dage­lijks

doags bnw daags; elke dag

doalders bnw eersteklas

doale bw 0 omlaag doalek, doalkies, doals,

doaltjes bw direct

doamel bnw lusteloos

doamein ww slenteren; treuzelen

doan bnW af; afgelopen

doar bw daar

doarom bw daarom; desalniettemin

doaromtou bw daaromtrent

doarvan bnw wat dat betreft

doarvan bw daarvan

doarzo(ot) bW daar(zo)

doatum znw datum

Doaved, Doavied eigenn David

doavied znw grote (in zo soort)

dôb(be) znw kuil

dobbel znw dobber

dobbein WW dobbelen; dobberen

dobber Znw dobber

dobbern l WW dobberen

dobbern II u~a~ dof dreunen

dèbstee znw 0. vuilnisbelt

doch bw toch

dochs bW toch es

docht(e) Znw soort plank

dodde znsv 0 log en dik ding

doddeg bnW suf

doddel l znw hoeveelheid

doddel II znsv stuiter; klein en dik per­soon

doddeltjen WW knikkeren

dodderd znw sufferd

dodderg bnW dom ogend

doddern ww 0 sluimeren; soezen

dodgat znsv dik en log persoon

dodjer(d) znw stuiter

doe bw W toen

doe vnW jij

doedel zn’w stuiter

doedeig bnw suf

doedelkop znw sufferd

doeden WWjijen

doef Znw duif

doehoe tussenw daag

doeken WW N duiken

doeken, z. wsv z. verschuilen tt: doek-dókt vt: dook vdW: doken dókt > doekt

doeknekjed bnsv gebogen

doeknekken ww bukken

doeknekt bnW met ingetrokken hoofd; gebogen

doem(e) znw duim

doem-oet-haanske znsv dreumes

doemken ww oneerlijk knikkeren

doemkruud znw o. geld

doen bnw dronken

doen WW W doen

II: doe-dut vt:

dee vdW: doan dut > doet

doeneg bnW een beetje dronken

doenen ww dronken maken

does bnw boos

does l znw douche

does II Znw slaapjc

doeske(r)n ww sluimeren

doeskern WW dommelen

doeskoarde znsv lisdodde

doeskop znsv krullebol

doesnakke Znw 0 onaangenaam per­soon

doest znw dichte bos; hoeveelheid

doesterd ZNW mopperaar

doethoamel Znw 0 lisdodde

doetje Znw o. N zoen

doetjebakken, doetjen WW kussen

doeve znw duif

doezeg bnW duizelig; koppig

doezelg bnW duizelig

doezein WW duizelen; sluimeren

doezend telw duizend

doezendbainder, doezendpoter znw duizendpoot

doft(e) znw soort plank

dog ZNW hond

doit Znw 0 duit

dokeg bnw mistig

doken WW misten

dokerg bnW mistig

dol bnw dol; vreemd

dolbijen Z/IW lijsterbessen

dole Znw 0 dooier

dolen WW 0 aardappels poten

dollen WW W aardappels poten; aard-appels rooien

domdaantjen WW flierefluiten

domie ZNW N dominee

dommedaantjen WW flierefluiten

dommee, domment, dommet, dom­mit bw straks

domnee, domnij znw W,0 dominee

domneeske Znw domineesvrouw

domp, over - ZNW over het dode punt

domp(e) znw stoot

dompeg bnw nevelig

dompdeurnat bnw kletsnat

domt bw straks donde znw kluwen

dondermieger znw vandaal

dong znw mest

dongbuit znW mesthoop

donker(fl) znw duisternis

dons znw stoot dont znw kluwen; verwarde hoop; hoeveelheid

donzen ww dreunen

doodgeiukkeg bnw zielsgelukkig

doodieven znw saai persoon

doodlid znw flauw persoon

doodschoonverleggen bnw zeer verle­gen

doodstaarvenwoar bnW echt waar

doodwoar bnw echt waar

doodzaik bnw doodziek

doof bnW gevoelloos

doofekkel znw dovenetel

dooi bnw/znW W dooi

dook znw mist

dook, as - bw zeer veel

dooi bnw duizelig; slaperig

doomdie, doomnee znw dominee

door znW 0 dooier

Doord (op) [Doorderi Toomwerd

doornstiekei znW distel

dop bnw blut

dop znw schaal (v. ei of garnaal); peul

doppenropper znw flesopener

dör bW daar

done, de - znw het probleem

dories bw erg; verdraaid

Dörkwerd (op) [Dörkwerder] Dorkwerd W

dörm znW zeurkous; dikke jongen, dar

dörmen WW zeuren

dörmS bnW gek (beetje -)

dörp Znw o. dorp

dorrei znw N stuiter

dörschen, dörsen, dörsken WW dorsen vt: N

durs vdw: dursen durs > dörste; dursen > dörst

dörsklaid znW o. dorskleed

dörst znW dorst

dort znW N sullige jongen

dosterd znW onvriendelijk persoon

dosterg bnW nijdig

dôttern WW sluimeren

dou bw/voegW toen

dou Znw St jij

doudestieds bw toentertijd

douk znw o. doek

doul ZNW o. doel

doun ww doen; geven; opbrengen tt: dou-dut vt: dee vdW: doan dou > du’/duch

doun, t ter tou - WW overlijden

douterkoeZe Znw 0 lisdodde

dovenekkel, dovenettel znw dovenetel

dovvei znw lummel; stomp

dovver(d) Znw doffer; lummel

draai znw bocht; draaibrug

draaige znw 0 kort en breed persoon

draaigen WW dreigen

draails bnW met plooien

draaineerZen WW heupwiegen

draais(k) bnw met plooien

draai bnW N parmantig

draank znW drank

draanksteern znw drinkebroer

draans bnw dwingerig

draanzen ww drenzen

draauwefl WW treuzelen

draf(t) znw draf

drai telw W drie

drai zessen, drai zeuvens bW onafge­broken

draig bnw gedrongen

drans, dranzerg bnw drammerig

dreeg bnw gedrongen

drèje telw Vk drie

drekschop znw mestschop; vuilnis-blik

drekstoup(e) znw vuilnisbelt

drèl znw kronkeling (ltk)

drèi(d) bnw met plooien

drèiien ww shagje draaien

drèis(k) bnw draaiend

Drent znw Drent Drents bnw N Drents

drenzein WW drammen

dreudel znw kabouter; klein persoon; keutel; treuzelaar

dreudeiboksem Znw zeurkous

dreudein WW treuzelen

dreudeltje znw o. hoeveelheid

dreug(e) bnw droog; geen melk meer gevend

dreugbluier znw kinderloos blijvende vrouw

dreugen WW drogen

dreugerd, dreugproemer, dreug­stoalzuide Znw saai persoon

dreuni znw droom

dreumerd znw dromer

dreutjegat Znw treuzelaar

dreve znw laan

driest bnw driest; vrijmoedig

driesteghaid znw durf

drieven ww drijven; planken aaneen­sluiten; ploegen tt:

drief-drift vt:dreef vdW: dreven drift > drieft

driezei znw stevige slag arm znw uuR; ~

drift znw ‘t ploegen (of ‘t hooien)

driggein WW dribbelen

drij(e) telw drie

Drijbörg (op) [Drijbörgster] Drieborg 0

drijen(t) telw drie(ën) (zelfst.)

drijkieurd bnW driekleurig

Dnint eigenn Drenthe

Drint znw Drent

Dnints bnw 0 Drents

drizzen WW dreigen

droad znw braam (op schaatsen); draad

droaden ww bonen afhalen

droagelk bnw dragelijk

droagen WW dragen tt: droag-dragt vt: N droug 0 druig W

droeg vdw: droagen

droager znw drager; bromvlieg

droak(e) znw vlieger (speeltuig)

droaven ww draven

droaver znw draver; bromvlieg

drobbeltje znW o. hoeveelheid

droef znw druif

droes bnw stevig

droestje Znw o. hoeveelheid

droet(gat) znw dik kind

droeve znw druif

drôk bnw druk

drôk znw 0 druk

drokken ww 0 drukken

drokker znw aarzelend persoon; plakker (fig.); steek onder water

drokkertje znw o. zoen

drokte znW drukte; ruzie

drol(n - boske) bnw met veel zijtak­ken

drömpei znw 0 drempel

drong aan bw dichtbij

dronken(d) bnw dronken

droppeltje znw o. hoeveelheid

drouden WW dreigen; van plan zijn

drous(t) znW bep. paardenziekte

drubbel znw N drempel

drubbeltje znw 0. drempeltje; drup­peltje; hoeveelheid

drubbeltjen WW met gesloten voeten

druddeln WW aarzelen

druieln WW draaien (bij geluidmaken)

drukken WW drukken

druljen, drullen WW aarzelen

drumpel znw drempel

drumpelmaaid znw te vaak op bezoek komende vrouw

drumpeltjen WW met gesloten voeten springen

drundeltje znw o. bakje koffie

druntjen WW treuzelen

drupke znW 0. drupje; borrel

druppel znw drempel

drutjeder znw treuzelaar

drutjen, drutten WW aarzelen

druut znw W druif

dubbel(d) bnW dubbel; gezet

dudelk bnw duidelijk

duden WW wijzen

dui bnW/znW W dooi

dulen WW W dooien

duize znW Ww doos

duken ww O,W duiken ii:

duuk-duukt vt: dook vdW: doken Hiernaast 0 ook doeken

duker 1 znw duiker

duker II Znw punaise; spijkertje

duker(s) tussenW verdraaid

dulek bnW duidelijk

dun-eggen, dun-ekken znW slapen

dundaarm Znw mager meisje

dunder znw donder

dunderdag znW donderdag

dunderket znW bliksemafleider

dunderknuut znw 0. onweersbeestjes

dunderkoppen znW onweerswolken

dunderkruut znw 0. onweersbeestjes

dundern WW donderen

dundertuutjeS znW onweersbeestjes

dunsloaperg bnW lichtslapend

duren WW durven tt: duur-duurt vt: N en W duurde, 0 dus vdw: N en 0 duurd, W durfd duur > duurf/durf, duurt > duurft/durft; dus > duurfde, duurde > durfde; duurd > durfd

duroabel bnW kostbaar

dus(t) znw afval

duthoamer Znw lisdodde

duudiek bnW duidelijk

duufker tussenw. verdraaid

duum znW W duim

duun znW 0. duin duup znW deuk

duurbloud Znw bangerik

duurgelder Znw duur ding

duurven WW 0 durven. Zie duren.

duust znW afval

duuster bnW duister; boos

duuthoamer znW 0 lisdodde

Duuts bnw Duits

Duutser Znw Duitser

duvekoater Znw soort broodje

duvel znw duivel

duvelderij Znw gedonder

duvels bnW/bW duivels

duvelsnaaigoaren znW 0. kleefkruid

duveltje znW o. klein kacheltje

duzelg bnW duizelig

duzzel(boOm) znW dissel(boom)

dwaars bnW dwars; onvriendelijk

dwaarsbongel, dwaarsbungel Znw dwarsdrijver

dwaarsdeurnat bnW kletsnat

dwaarsgeut znw slootje

dwaarshakt bnw met de tenen naar buiten

dwaarshelgen znW overdwarse scheepshelling

dwaarshoes znW 0. soort boerderij; tegendraads persoon

dwaarsholt znw 0. dwarsdrijver

dwaarskop ZNW dwarsdrijver

dwaarste, ien - znw overdwars

dwaddel znW haarwervel

dwaddeln WW dwarrelen

dwarrel WW haarwervel; kwast (in hout)

dwarreln WW dwarrelen

dwelen WW dwalen

dwèlm Znw sufferd

dwelmachteg bnW suf

dwelmen WW zaniken

dwelmerg bnW suf

dwingerd znW dwingend kind

dwirrel znw wervelwind

dwirreln WW dwarrelen; draaien

dwoalen WW dwalen

dwoas bnw dwaas

 E

 

e lidw W de

e vnw ie (hij)

eb(be) znw eb

echtgruin znw o. etgroen

eddelkeudeltje, eddelkeunenkje znw o. winterkoninkje

eder bw eerder

edik znw azijn

eed znw eed

eefkes bw eventjes

Eekste (in) [Eekster] Eexta O

eekster znw Ww ekster

eelsk bnw aanstellerig; speels (v.paarden)

eelskerd znw aanstellerig persoon

eendebit znw o. bijt

eendekreus znw kroos

eendevet znw dunne saus

eent znw O gele lis eer bw eerder

eer voegw voordat eer znw aarde (stofn.)

eerabbei, eerappel znw aardappel

eerappelschilder znw schilmesje voor aardappelen

eerappelzummer znw fraaie nazomer

eerbaai(e), eerbi] znw aardbei

eerbultjen ww aarde over 't land brengen

eerde znw aarde (planeet)

eerdeg bnw flets

eerden bnw aarden

eerdjebij znw Old aardbei

eerdmantje znw o. kabouter; klein mannetje

eerdoags bw binnenkort

eerdröt znw veldrat

eergiereg bnw eergevoelig

eerguster bw eergisteren

eerkaauwen ww herkauwen

eerlek, eerliek bnw eerlijk

eerliek bw echt

eerlieks bnw flink

eerlieks bw zeker, werkelijk

eermlnnen ww aarde over 't land brengen

 eerns znw ernst

eernsachteg bnw serieus

eerstdoags bw binnenkort

eerste bnw aarts-

eerste tied bw voorlopig

eersten, n - bw de eerste v.d. maand

eersterd znw eerste

eerstkans bw binnenkort; voorlopig

eertuutje znw o. lieveheersbeestje

eeuw znw eeuw

 

eeuweg bnw eeuwig

 effies, efkes znw pruimensoort

efkes bw eventjes

eg(ge) znw scherpe kant; rand; zelf­kant

egelkouerte znw stekelvarken

ei znw o. W ei

eierdeudel znw eierdooier

ekkel znw eikel

ekkelboom znw eik

ekkelmot, ekkelmouer, ekkeltiek znwmeikever

ekse, eksebiele znw aks

ekseteroa bw etcetera

èl znw el

eiboog znw elleboog

eldern bnw elzen-

eldernboom znw els

elektries znw o. elektriciteit

elastiek znw elastiek

elf telw elf

elfde, elfte bnw elfde

elf rib znw vrouw

elibij znw W wesp

elkain vnw ieder(een)

elkenain vnw iedereen

elks vnw ieder

èlle znw el

el Ie- znw spel-

elleboge znw elleboog

ellén znw ellende

Ellerhoezen (in) [Ellerhoester] Ellerhuizen N

elpenbain znw langbenige vrouw

els znw els (instr.)

elsgoud znw o. stof v.e. el breed

elske, maal - znw rare vrouw

elster znw o. halster

elven telw O elf

elze znw els (instr.)

elzenboom znw els

emeln ww zeuren

èn znw o. eind(e)

en om bw in de omgeving van

ènd, ènde znw o. eind(e)

endeik bw eindelijk

enkel(d) bw soms; slechts

en neg bnw tamelijk goed

èns bw eens

enter znw ongehoorzaam kind; eenja­rig paard

enter-en-twenter; enter-over-twenter bw doorelkaar

entern ww slaan

enzowathln bw enzovoort

Eppenhoezen (in) [Eppenhoester] Eppenhuizen

 er vnw W, N ie (hij)

eren en veren, in - bw voetstoots (jur.)

erk znw W woerd

ers bw eens

ervoaren ww ervaren

ervoaren znw ervaring

es bw eens

es, in - bw in orde

eskenblad znw essenblad

eskenboom znw es (boom)

eskentuutjes znw esdoornvruchten

espres bw expres

estermantje znw o. dwerg; kabouter

esterstain znw estrik

eten ww eten • tt: eet-et vt: at vdw: eten et > eet

etendrinken znw o. eten en drinken

etens znw o. het eten

eter znw mee-eter; eetaardappel

eterij znw maaltijd; voedsel

etfing znw lusje (v. paardenhalsband)

etgras, etgruin znw o. etgras

eu znw O ooi

eulie znw olie

euliebloemke znw o. boterbloem

euliebosterd znw soort stuiter

eulieflot znw oliebol (scherts.)

euliekouk(e) znw oliebol

eulifant znw olifant

eulje znw W olie

euljen ww oliën

eure znw Ww aar

euvel bnw slecht

euvelmoud znw moedeloosheid; zorgen

evenkes bw eventjes

evenölders znw leeftijdgenoten

evenpies bw eventjes

evenredeg bnw evenredig; gelijk­matig

evens bw zoeven

eventoarie znw o. inventaris

evertaaske znw hagedis; salaman­der

evertaske znw o. pinnig meisje

Evoa eigenn Eva

evven bnw effen; proper

evven znw pruimensoort

evventredje znw o. proper meisje

expres bw expres

extroa bw extr

 F

 

faaiel, faail(e) znw dweil

faailen ww dweilen

Faarmsom (in) [Faarmsommer] Farmsum O

faggeln ww flansen

faggelraive znw slecht gereedschap

fai tussenw foei

faitlieks bw feitelijk

fakkeln ww flakkeren

faksaaiern ww forceren

fale znw dweil

fam(ke) znw W meisje

fatteg telw veertig

feberwoarie, feberwoariemoand znw februari

febriek znw (o.) fabriek

feduutsie znw fiducie

feerteg telw W veertig

feesteik bnw feestelijk

feestjen ww feesten

fekke znw feeks

fel iet bnw failliet

femilie bnw/znw familie (buiten gezin)

femilie znw geslachtsdeel

fenaaiern ww verdragen

feng bnw scherp

ferduutsie znw fiducie

fermik znw o. apparaat; een of ander ding

fermikke znw ding (waardeloos -)

fermikken ww in elkaar zetten

fermikkie znw technisch handigheidje

fersoun znw o. fatsoen

 fersoun lek, fersoun Mek bnw fatsoen­lijk

fersounshaalven bw fatsoenshalve

fertuun znw o. fortuin

 fertuut znw o. vreemd ding; krul; ver­siering; grimas

ferwail znw o. fluweel

fesoenlek bnw W fatsoenlijk

fezant znw fazant

fiebeldekwinten, fiebelkwinten znwfratsen

fiedeln ww vioolspelen

fiedeitoppen znw hoefhaar

fiefteg telw vijftig

fiekelfakkel, de haile - znw santekliek

fieken ww neuken; hakken; snijden

fiemel znw kwezelaar

fiemelachteg bnw schijnheilig

fiemelder znw kwezelaar

fiemelderij znw femelarij

fiemelekwinken, fiemel kwinten znw fratsen

fiemeln ww zeuren

fien bnw fijn

fieneghaid znw fijnheid

fiengeef bnw geheel gaaf

fies bnw vies

fiet znw fijt; poets

fieter znw sterke groei

fieterlok znw hoefhaar

fietern ww neuken; beuzelen; snel aan

fietjeboksem znw zeurkous

fietjederij znw getreuzel

fietjegat znw treuzelaar

fietjen ww beuzelen

fiets(e) znw fiets

fievelekwinten znw fratsen

figelaaiern ww letten op

fij tussenw foei

fik(ke) znw zak

fikke znw feeks

filaain bnw gemeen

filaain bw erg

filaainebieter znw loopkever; valsaard

filaaineg bnw gemeen

filedde znw anjelier

filesetaaiern ww feliciteren

filet znw anjelier

filo znw gauwdief

filo, noar de - znw naar de filistijnen

finail bnw gehaaid

finansies znw financiën

 fing bnw scherp

Finnerwold (in) [Finnerwolmer] Finsterwolde O

finoal bw geheel

fioel, fioul(e) znw o. viool

fits of foazel, gain - znw helemaal niets

fitteg telw W veertig

Fiwwerd (in) [Fiwwerder] Feerwerd W

fizelemie, fizenemie znw gelaat

fizzel znw o. fistel

flaaide znw fluit

flaaisterg bnw warm en fel (v.d. wind)

flaaistern ww O fluisteren

flaaiten ww O fluiten

flaaitpiepen znw gekheid (uitroep)

flaans znw losse lap; snee (snijwond)

flaar znw flard; koeiehoop; slet

flaauw bnw flauw; misselijk

flaauwmoudeg bnw moedeloos

flaauwmous znw melig persoon

fladderak znw soort brandewijn

fladderg bnw slecht (niet goed)

fladdergat znw babbelkous

 flak bnw vlak

flamboos znw framboos

flap znw val

f lapkoar znw klikspaan

flappen ww klikken

flapperd, flapscheet, flapsnoet znw klikspaan

flare znw flard; slet

flaregoud znw o. slecht goed

flatterg bnw slecht (niet goed)

fledder znw vlier

fledderbaai, fledderbij znw vlierbes

fleddermoes znw vleermuis

fleddern- bnw vlieren-

fleeg bnw flink

fleer znw slag; smeer (streek)

fleerder znw klikspaan; mooiprater

fleerpuut znw kletsmajoor

flepsjijker znw ouwehoer

fleren ww aaien; besmeuren; slaan;klikken

flemen ww flikflooien

fliemstrieken ww vleien

flier(e),

flik znw slag

flikken ww slaan; verstellen

flikken znw slaag

flikkerd znw vleier (liefkozend)

flikkerij, goie znw goede zaak

flikkerstaintje znw kiskassteentje

flinken znw fratsen

flinter znw flard

flitseboge, flitseboog znw boog(schietwapen)

flitter znw dunne reep

flitter, aan de - znw aan de zwier

flitterg bnw dun

flittern ww drentelen; kiskassen

flittertje znw o. lapje (stof)

floater znw flater

flod(de) znw vleiend kind; goedige vrouw

flodden ww vleien

flodder znw flard

flodder-elsie znw jongensgek

flodderboksem znw slordig persoon

flodderg bnw flodderend

floddergat znw slordige vrouw

floddern ww fladderen; ploeteren (in water); vleien

floeken ww W vloeken

flöide znw O fluit

flöien ww flikflooien

flöister znw O opflikkering

flöit znw O fluit

flöiten ww fluiten

flök znw o. wollegras

flonk bnw Old levenslustig

flont znw vod

flonterg bnw voddig

f lontje znw vaatdoekje

flontjen ww knoeien

flooien ww flikflooien

florren ww aanhalen

flort znw koeienhoop; scheut; vod

flortje znw o. een beetje

flotseg bnw slap (- hangend)

flotter, flotterkedoes znw jongensgek

flotter, aan de - znw aan de zwier

flottermedam znw opgedirkt meisje

flottern ww fladderen

flottje znw o. een beetje; misbaksel

flottjebaarg znw achterste

flottjen ww bij beetjes opschieten

flozze, in de - znw in de prak

fluister znw opflikkering

fluisterg bnw warm en fel (v.d. wind)

fluit znw fluit

flustern ww fluisteren

fluusterg bnw stil (in de natuur)

fluustern ww fluisteren

foabel znw fabel

foam I znw faam

foam II znw achternaam

foam III znw steel

Foan, t - (op) [Foanster] Faan W

foas znw kleinigheid foatsie znw gelaat

foazel znw rafel

foebel znw mispas

foegeln ww slordig ineenzetten; wegmoffelen

 foek(e) znw fuik

foek(s) bnw terneergeslagen

foekelichter znw stroper

 foekeln ww matsen

foeken ww slecht naaien; ophitsen (om iets te laten mislukken)

foekepot znw rommelpot

foekseln ww inspannen, z.

foemeln ww wegmoffelen

foestern ww in elkaar flansen; snel en onnauwkeurig werken

foeterkoar(e) znw mopperaar

foevel znw mispas

foeveln ww wegmoffelen

foggeln ww moeite doen; slecht naai­en

foi tussenw O foei

fok(ke) znw bril

fokkeln ww flakkeren

foks(e) znw schaats slag

 fokse znw rooie

fokseln ww z. inspannen; ploeterend schaatsen; banjeren

fommelötte znw op jongens gesteld meisje

forsie znw kracht

foske, fosse znw bosje

fotse znw achterste; goedige vrouw;niets

Foxhol (in) [Foxholster] Foxhol O

Fraans znw o. Frans

Fraansum (op) [Fraansumer] Fran-sum N

Frankriek znw Frankrijk

Frans znw o. Frans

franterg bnw knorrig

 franterd, frantpot, franterpot znw knorrepot

Frederk, Freerk eigenn Frederik

 Freerkje, Freerktje eigenn Frederika

frensken ww hinniken

frik, de haile - znw de hele santen­kraam

frokseln ww z. inspannen

f ronder znw o. vooronder

 Froombos (in) [Froombosker] Froom-bosch O

 G

 

gaaie znw slim persoon

gaail bnw geil; vet en dik; vruchtbaar

gaal bnw geil

gaal znw gal

gaalderi] znw galziekte

gaalg(e) znw galg

gaalgestrop znw kwajongen

gaalmen ww galmen

gaalpen ww huilen (hard -)

gaalpen ww schreeuwen

gaalperd znw schreeuwer

 gaalsterd znw gemenerik

gaalsterg bnw bedorven; ranzig; ge­meen

gaang znw N gang; hoeveelheid

gaans bw tamelijk veel

gaans znw N gans

gaansoarend znw sperwer

gaanzebredjen ww ganzenbord spelen

gaar znw stokje

Gaarmt eigenn Gerbrand

Gaarmwol (in) [Gaarmwolder] Garmerwolde N

gaarst znw gerst

gaasp znw gesp

gaast(e) znw zandhoogte

gaauw bnw gauw, spoedig

gaauwachteg bnw vrij spoedig

gaauweghaid, gaauwens, gaauwte znw haast

gabbeln ww giebelen

gadder, aan de - znw aan de zwier

gaddern I ww verzamelen

gaddern II ww lawaaierig lopen

gain lidw geen

gainen(t) vnw geen; niemand

gaist znw geest; schim

gaiten ww gieten• tt: gait-gut vt: goot vdw: gotengut > gait; in O gut > gót

gale znw gal

gal leen ie znw o. puntbroodje

galleg bnw bedorven; gemeen; ziek

galliballi znw soort hoed

 gammel bnw hongerig; versleten

gammelte znw flauwte

gangeln ww drentelen

gans, ganze znw gans

ganzebord, ganzebred znw o. ganzen­bord

Ganzediek (op) [Ganzediekster] Gan-zedijk O

ganzegat znw sukkel

gap(s) bnw los zittend

gappen ww geeuwen; open staan; loe­ren; stelen

gapperd znw gaper; mond

gapperg bnw open

gaps bw open

gaps(e), gapsel znw handvol

gapstok znw geeuwer; geeuwend per­soon; nieuwsgierig persoon

gare znw stokje

Garrelsweer (in) [Garrelsweerster] Garrelsweer N

Garsthoezen (in) [Garsthoester] Garsthuizen N

Garwerd (in) [Garwerder] Garnwerd W

gastjen ww W bezoeken

gat znw o. gat; steeg

gat, om - znw van huis

gatjepaan znw vergiet

gebaauw znw o. gebouw

gebe znw geep (vis); lang en dun per­soon

gebeer znw o. misbaar

gebèlk znw o. N geschreeuw

gebèlskop znw N masker

geberebjet znw o. ruzie

gebeurlek bnw gewoon

gebelschop znw masker

gebirs, gebirzel znw o. gedraaf

gebölk znw o. O geschreeuw

gebradje znw o. gebraden vlees

gebroaske znw o. opschepperij

gebroek znw o. O gebruik

gebroeken ww gebruiken

gebrukelk bnw gebruikelijk

gebruken ww gebruiken

gebruuk znw o. N, W gebruik

gedailte znw o. gedeelte

gedoante znw o. gedaante; uiterlijk

gedou znw o. gedoe

gedounte znw o. gedoe; moeite; rom­mel

gedrutje znw o. gezeur

gedwèlm znw o. aanhoudend gezeur

geef bnw gaaf; gezond

geefkoop bnw spotgoedkoop

geehonger znw geeuwhonger

geel door znw N dooier

geep znw geep (vis)

geern, geernt bw graag

geest znw geest

gehaaim znw o. geheim

gehail znw o. geheel

 gehak znw o. gehakt

gehavvel znw o. ruzie

 geheur(eg) bnw gehorig

geheurzoam bnw gehoorzaam

gehiem znw o. W geheim

gejeuzel znw o. geklaag

gejutje znw o. getreuzel

gek bnw gek; wild

gek(ke) bw verbazend

gekhald znw scherts

gekjoagen ww stoeien

gekkens znw gekheid

gekkenspul znw o. dwaze boel

geklaauwster znw o. geklauter

gekmanswaark znw o. gekkenwerk

geknapper znw o. geknisper

gekoop bnw goedkoop

gekruus znw o. langdurige moeite

gekude! znw o. N gepruts

gekverdikke tussenw verdorie

gekwedel znw o. vervelend gepraat

gèl bnw niet drachtig; leeg

geldpong, geldpuil, geldpuut znw geldzak

geleuf znw o. O geloof; mening

geleuven ww geloven

geliek bnw gelijk; effen

geliek(e) bw even

geliek(s) bw direct

gelok znw o. O geluk

geloof znw o. geloof

geloven ww N,W geloven

geluk znw o. geluk

geluud znw o. geluid

gemain bnw gemeen

gemainte znw gemeente

gemak znw o. gemak; toilet

gemakkelk bnw gemakkelijk

gemarrei en gesparrel znw moeiten

gemestiek znw gymnastiek

gemien bnw gemeen

gemietje znw o. gezeur

gemoak znw o. opbrengst

gemoakelk bnw winstgevend

gemoedeik bnw W doodgemoede­reerd

gemoud znw o. gemoed

gemoudegd bnw rustig

gemoudelk bnw doodgemoedereerd

gen gel znw lanterfanter

gen gein ww slenteren

geniks znw o. niets doen

genoat znw garnaal

genoatjen ww garnalen vissen

genoavend tussenw goeienavond

genog(t) bw genoeg; gemakkelijk

gen otter n ww stil genieten

genougen znw o. genoegen

genougen, z. ww z. vergenoegen

genougzoam bw vrijwel

genut 1 znw o. genot

genut II znw o. O onweersbeestjes

gepe znw geep; lang en dun persoon

gepiemel znw o. getreuzel

geporrelmorrel znw o. pijn (in het gebit)

geprommel znw o. gemopper

gepruddel znw o. gepruttel

geps(e) znw gesp

geraag znw o. gescheld

geraaid(e) znw o. paardentuig

geraidschop znw o. gereedschap

gerak znw o. het nodige

 gerdien znw o. gordijn

gerechteghaid znw rechtvaardigheid

gerechteghaid, goude - tussenw lieve help

geredder en geregel znw georgani­seer

gereedschap znw o. gereedschap

gereer znw o. geschreeuw (huilend-)

gereg bnw gerend

gereudel znw o. geroddel

gerezelvaaierd bnw resoluut

 

geribte znw o. geraamte

geriddel znw o. gestoei

gerief znw o. het nodige

gerizzelveerd bnw W kloek

geroaden bnw geraden

gerotter znw o. geronk

geroup znw o. geroep; roep

Gerriet eigenn Gerrit

gerust bw stellig

geruzzei znw o. geritsel

geschatter znw o. geschater; ekster­geluid;

geschèl znw o. gescheld

geschotter znw o. geschater

geschrip znw o. gezwoeg

geschuddeld bnw opgescheept

gesister znw o. gesis

gesjank znw o. gezeur

geslons znw o. onnutte opschik; rommel

gesnor znw o. prullaria

gespaddel, gespartel znw o. gespar­tel; inspanning

gespuus znw o. gespuis

gèst(e) znw gist

gèst, op - znw aan de zwier

gèsten ww gisten

gestiekeld en gespoord bw geheel gereed (om te vertrekken)

getabberd en gekoefd bnw uitgedost

getakt bnw gehumeurd

getiepel znw o. geduldwerk

getjaauwel znw o. geroddel

getoefd en getabberd, getopt en ge­toefd bnw uitgedost

getroost bw goedsmoeds

getudel znw o. geknutsel; gepeuter

getuge znw getuige

getugen ww getuigen

geude znw goot; slootje

geut znw greppel; afscheidingsslootje

geut(e) znwgoot\

geutjen ww graven (sloten)

geutstain(e) znw gootsteen

geutstien znw W gootsteen

gevaal, geval znw o. geval

gevaleghaid znw genoegen

geve bnw gaaf

geven ww geven; melk geven • tt: geef-geft vt: gaf vdw: geven

geft > geeft

geven, z. ww schikken, z.

geven koop bnw spotgoedkoop

gevoarelk, gevoarlek bnw gevaarlijk

gevolgen, van dij - voegw zodat

gevret znw o. het eten

gevricht znw o. gewricht

gevrotje znw o. het eten

gevruzzel znw o. gewroet

gevuil znw o. gevoel

gewaaid(e) znw o. ingewand (v.e. slachtbeest)

gewamsd bnw uit de kluiten gewas­sen

geweld, van - bw verbazend

gewelf(te) znw o. gewelf

gewént, gewlnd znw o. N, W stuk land; afstandsmaat

gewulf znw o. gewelf

gewurg znw o. gezwoeg

geze, geze-goze znw domme vrouw

gezelschop znw o. gezelschap; luizen (scherts.)

gezelschopzuit bnw gezellig (van aard)

gezicht znw maat (zover als oog reikt)

gezicht(e) znw o. gezicht

gezoes znw o. gezeur; gesuis

gezond bnw gezond

gezondhaid znw gezondheid

gidder znw Ww uier

giebel, giebeljet, giebelketrien, gie-beltoet znw giechelaarster

giegemegugel, noar de -; giegom. noar de - znw naar de maan

gien lidw W geen

gier znw gil

gier, aan de - znw aan de zwier

gieren en groapen ww schrapen

gierplnze znw gierigaard

giesp(er) znw regenbui, striemende slag

gieten ww W gieten • tt:

giet-gut vt: goot vdw: goten gut > giet giezeln I ww geselen

giezel n II ww gijzelen

giezeln Hl ww ronddraaien

giezeltöp(pe) znw tol

gijhonger znw geeuwhonger

gil(le) znw o. gezelschap

gilde znw o. O deel v.h. dorp

gilp znw schreeuw

gilpen ww gillen

gimmestiek znw gymnastiek

gingeln ww drentelen

gis znw raming

gizzen ww gissen

glaai bnw gezwollen; glimmend

glaas znw o. glas; venster

glad bnw glad

glad bw bijna; helemaal

gladdeghaid, gladden(s) znw glad­heid

gladsmeer znw schoensmeer

gladsmeerdeus znw echtgenote (scheldw.)

gladstevel znw als heer gekleed per­soon

gladte znw gladheid

glas znw o. glas; ruit

glasketikjen, glasketikken ww ruitentikken

glee znw het glijden

glee, op - znw op streek

gleer znw vuile streep

gleers(k) bnw niet zindelijk; glibberig

glereg bnw glibberig; streperig

gieren ww besmeuren

glidderg bnw glibberig, glad

giidderglad bnw slijmerig glad

gliddern ww glijden

glidskeboane znw glijbaan (e) znw glijbaan

glieboantjen ww op de glijbaan spe­len\

glieden ww glijden        tt: glie-glidt vt: glee vdw: gleden glidt > gliedt

glief znw kier

gliesterken, gliestern ww glijden (op sneeuw of ijs); kiskassen

glieve znw W kier

glij bnw gezwollen; glimmend

glimmers znw ogen

glimsmeer znw o. schoensmeer

glin in hakken bnw des duivels

glm(de) bnw boos; gloeiend; verzot op; sterk van smaak

glln(ne) bw erg

glinne bnw gloeiend

glinneghaid znw gloed

Glins (in) [Glinster] Godlinze N

glistern ww glijden (op sneeuw of ijs)

gloazetikker znw meikever

gloep znw kier; steeg

gloepen ww gluipen; kwaad kijken •tt: gloep-glópt vt: gloop vdw: glopen

glópt > gloept; in W gloepen > glupen

gloepend bw erg, zeer

gloependeglm bnw gloeiend heet

gloepens, gloepenze bw zeer

gloeperd znw gluiperd

gloepgat znw o. kijkgat

gloeps(k) bnw gluiperig

gloepstreeks bw stiekem

glop znw gat; hoeveelheid

glots znw snee (snijwond)

gloud znw gloed

gluien ww gloeien

glup(pe) znw snee (snijwond); spleet

glupen ww W gluipen. Zie gloepen.

glupend bw W zeer

gluup znw W kier

gnaauwen ww onverwacht bijten

gniflagen ww gniffelen

gnot, gnut, gnuut znw o. O onweers­beestjes

goadelk bnw voordelig

goaf bnw gaaf

goaf znw gave; tweede gezicht

goagel znw tandvlees

goal znw W stapel vak (in de boeren­schuur)

goalek bnw voordelig

goan ww gaan • tt: N en O goa-gaait W goa-gijt vt: ging vdw:

goan N en O goa > gaai goan, der om - ww er om spannen

goan, der om wèg - ww er van langs gaan

goar bnw gaar; half vergaan

goaren znw o. garen

Goarkeuken, De - (op) [Goarkeuke-ner] Gaarkeuken W

goas znw o. gaas

gob-aai znw o. stinkei; flater

gobbe znw zware regenbui

gobbe bnw dik (v. vloeistof)

gobbeln ww bewegen (vloeistof); gut­sen

gobben ww bewegen (vloeistof); hard regenen; ruim zitten

gobse znw hoeveelheid

goddel bnw half gaar; los (van structuur); ongedurig

goddein ww borrelen; gorgelen

goddern ww gutsen; ritselen

gods(e) bw zeer

godsbenaauwd bw intreurig

goegelfluiten ww in elkaar flansen

goegeln ww W goochelen

goeie znw O oud paard

goelen ww W huilen (div. bet.)

goen vnw W iets

goenen(t) vnw W enkele(n)

goeze znw suffig persoon; vergeet­achtig persoon

goezen ww gutsen

gogelder znw goochelaar

gogeln ww goochelen

goi tussenw hemeltje

goidag, goiedag tussenw goeiedag

goiendag tussenw goeiedag

gokkerd znw dikke neus

gold znw o. goud

golden bnw gouden

goldjebloum(e) znw goudsbloem

goldrenet, goldringenet znw goudre­net

golf znw stapelvak (in boerenschuur)

ggolp znw scheut

ggolpen ww bewegen (v. vloeistof)

golve znw stapelvak (in boeren­schuur)

golvern ww luid huilen

gongeln ww slenteren

ggonnen ww gaan gonnen(t) vnw N enkele(n)

ggontern ww verlangen naar

ggooi, in dij - bw ongeveer

ggoot znw regenbui; scheut

ggörde, görde znw gort

g

ggordegruwel znw krentjebrij

ggorreg bnw groezelig

ggorrel bnw half gaar; los (van struc­tuur); ongedurig

ggorreln ww borrelen; gorgelen

ggort znw N, W gort

ggort znw O gort

ggortenteller znw vrek

ggoud bnw goed

ggoud bw royaal

ggoud znw o. goederen; kleren

ggoudens znw goedheid; inschikke­lijkheid

ggoudhaals znw goedbloed

ggoudkeuren ww goedkeuren

ggoudkeuren znw goedkeuring

ggoudkoop bnw goedkoop

ggoul znw stapel vak (in boerenschuur)

ggoullougen ww volstouwen (v.d.'goul')

ggoumorgen tussenw goeiemorgen

ggoun vnw iets

ggoundag tussenw goeiedag

ggounen(t) vnw enkele(n)

ggo wel znw kwajongen

ggovvelg bnw onregelmatig

ggo wel n ww bewegen (vloeistof); slaan

ggower(d) znw lobbes; lomperd

ggoze znw suffig persoon

ggozen znw onhandige jongen

ggozzel bnw slim bijdehand

 gozzel znw suffig persoon

graacht(e), graaft(e) znw gracht

graain znw korrel

graas znw o. N oppervlaktemaat

graauw bnw grauw; donker; half­volwassen

graauw znw o. hekel

graauw en groeterg bw smerig

graauwaart znw grauwe erwt

graauwen ww proberen te bijten; snauwen

graauwke znw o. aardgeest

graauwlicht znw o. schemering

graauwstammen znw kleine kinderen

grabeg bnw begerig; nijdig

grades eigenn Gerardus

graft znw gracht; brede sloot

graimboudel znw gemors

graimdotse znw morsebel

graimeg bnw licht morsend

graimen ww O morsen

graimer(d) znw morsepot

 graimerij znw gemors

graimsel znw o. opveegsel

grainen - bnw grenen –

Grait eigenn Griet

grammiedeg, grammieterg, gram-niedeg, gramnieterg bnw kwaad

gramniet znw knorrepot

gras znw o. gras; oppervlaktemaat,

grashipper, grashupper znw sprink­haan; mager persoon

grasregen znw regen (groei bevorde­rende -)

grassnieder znw kleine zeis

graswupper znw sprinkhaan

greide znw W grasland

greideboer znw veeboer

grèl bnw boos; gril

gremen ww N morsen

gremiet znw knorrepot

grens znw grens

grensken ww grimmig kijken

gres znw o. gras

greun bnw N groen

greunte znw groente

grewels znw W kanen

gribbegrap, op -; gribbelgrabbel, op - znw te grabbel

gribbeln ww grabbelen

griebelgrabbel, op - znw te grabbel

griebels znw fratsen

grienderd znw huilerig kind

grienderg bnw huilerig; gierig

grienen ww huilen

grienerd znw huilerig kind

grienerg bnw huilerig

griepen ww grijpen • tt: griep-gript vt: N greep vdw: grepen

gript > griept

grieptengel znw kind dat overal aan zit

griewels znw kanen

Grieze, O1de - eigenn Martinitoren

griezel tussenw jeetje

griezel znw kruimel

griezeln ww griezelen; doen ijzen

griezeln, z. ww afkeer voelen

griggen znw Ww kanen

grijmen ww W morsen

gril bnw helder; opzichtig; verbaasd

grille(r)g bnw rillerig

grillen ww huiveren

grimd bnw gevlekt (v. vee)

grins znw grens

g rins ken, grinzen ww hinniken

grins ken ww huilen

groade znw graat

groag bw graag

groalen ww genieten; schateren

groapeg bnw begerig; inhalig

groapen ww schrapen

groaperd znw inhalig persoon

groat znw graat

groaven ww graven; omspitten • tt: N en O

groaf-graft W groaf-groaft vt: N grouf, O gruif, W groef vdw:

groaven graft > groaft

grobbeg bnw inhalig

grobbeln ww grabbelen; tasten

grobberd znw vrek

grode znw N groot ding; volwassene

Grodegast (in) [Grodegaster] Groote-gast W

groe(de) znw litteken

groede znw bos (stro); vuil (hardnek­kig -)

groedeln ww slecht wassen

groes znw o. gruis

groet znw vuil (hardnekkig -)

groeten ww slecht wassen

groeterd znw morsebel

groeterg bnw vuil, groezelig

groetje znw morsebel

groetjederij znw morsboel

groetjen ww slecht wassen

groetjepoet, groetjetoet, groetpoet znw morsebel

groezelementen znw gruzelementen

groezeis znw gruzelementen

grof en groot bw meer dan erg

grofdoadeg bw geweldig

grofmelenschobberd, grofwaaiten-schobberd znw zwaar en dik persoon

grollen ww genieten, glunderen

grom znw o. kind; bezinksel

grommel znw donder

grommeln ww donderen; mopperen

grommen ww zacht sneeuwen

grompie znw o. dreumes

grond znw aarde (stofn.)

grondel, grondel znw grendel

grondjekroepen ww onbeholpen zwemmen

grondschoul(e) znw basisschool

Grönneger bnw'/eigenn O Groninger

groopmoe znw oma

groot bnw goed bevriend

groot bnw groot; trots

grootbrengen ww opvoeden

groothaid znw grootheid; trots

groothans znw opschepper

grootknecht znw eerste knecht

grootmaaid znw eerste meid

grootmoaken ww opvoeden

grootmoe, grootmoek(e) znw oma

grootolden, grootollu znw grootouders

groots(k) bnw trots

grootseghaid znw trots

grootte znw grootte

grootvoader, grootvoar znw opa

gros znw o. gros; de meesten

Grote Gapperd eigenn Atlantische Oceaan

grotte znw O grootte

grotterg bnw niet lekker

grou znw litteken

groube znw stalgoot

groul znw O afkeer; hekel

group znw stalgoot

groupmis znw stalmest

groutnis znw groet

grouzeg bnw licht eetbaar

grude znw bos (stro) \

grui znw groei

gruien ww groeien; stralen (v. genot)

gruilen ww genieten

gruin bnw groen; plat (fig.)

gruin boer znw veeboer

gruinlaand znw o. weiland

gruinlaandsploats, gruinploats znw boerderij (met uitsl. weigrond) gruinschild bnw met groene schil

gruinte znw groente \

gruinte znw soepgroente

gruinterij znw groente

gruinzaip znw groene zeep

grui poëten znw groeipuistjes

gruizoam bnw groeizaam

grundel znw grendel

Grunneger bnw/eigenn Groninger

Grunnegers, Grunnings znw o. het Gronings

grup(pe) znw grens

grup(pel) znw greppel, slootje

gruterg bnw W vuil

Gruupskerk (in) [Gruupskerker] Grijpskerk W

gruutjen ww W slecht wassen

gruvvels znw kanen

gruwelwotter znw krentjebrij

gruzels znw gruzelementen

gudeg bnw guitig

gugel znw gekheid

gugeln ww goochelen; gekscheren

guiten znw kinderen

gul bnw gul; koel (v.d. wind)

gulbe znw snee (snijwond)

gulen ww W huilen

gulp znw hoeveelheid; scheut; snee (snijwond)

gun(ne) bw ginds

gun(s) vnw gindse

gunder(s) bwfbnw ginds

gunderwied bw ginds

gunt bw ginds

guntern ww verlangend klagen; ver­langen

gust bnw droog (v. dieren); lens

gust bnw leeg; niet melkgevend

guster(n) bw gisteren

gustwaaide znw vetweide

guteg bnw guitig

guterd znw guitig persoon

guut znw guit

guutjen ww grappen maken

guutjepuut znw guit

 H

 

haai znw o. hooi

haaide znw heide

haaiden znw heiden

haaidenboudel znw verwarde rommel

haaidens bw zeer

haaider znw hoeder (v. dieren)

haaike znw (o.) huik

haail znw o. heil

haail om t zaail bw om 't hardst

haai leg bnw heilig

Haailsleger znw o. Leger des Heils

haainen ww N vangen

naaister znw hard werkende vrouw

haaistern ww druk werken

haalf bnw half

haalf put-, haalf regenwotter znw o. halfbakken Nederlands

haalfbeks, haalfbekt bnw gebrekkig; sprekend

haalfgoare znw halve gare

haalfgozzel bnw halfwijs

haalf maal znw dwaas

haalfschaid znw helft

haalfsleten bnw tweedehands; van middelbare leeftijd

haalfstieg znw o. tien

haalfstoan ww uitdagen; delen

haalfstoander znw helper

haalftied(en) bw vaak

haalftwaalf znw meelkost

haalfwas znw jongere knecht

haalfwazen bnw onvolwassen

haalf weg bw halverwege

haalfwies bnw gek

haalfwieze znw dwaas

haalfwozzen bnw onvolwassen

haalfzeuven bnw getikt; tipsy

haals znw hals; keel

haalsboog znw deel van paardenstel

haalsgat znw o. keelgat; opening (in kleding)

haalsknoak znw halswervel; sul

haalsmaal znw dwaas

haalssloekers znw krieltjes

haalterkwaalter znw chaos

haalve znw o. helft

haalzen ww zwoegen

haand znw hand

haandje en wiltje znw ieder (die maar wil)

haandjebakken, haandjeplakken ww loven en bieden

haandkaarnen ww masturberen

haarbaarg(e) znw herberg

haard bnw hard

haardbrood znw o. soort kadetje

haarddroaver znw harddraver; uit­blinker

haarden ww het uithouden

haardheureg bnw hardhorend; onge­zeglijk

haardhoed znw veel verdragend per­soon

haardloperij znw schaatswedstrijd

haardoet, haardop bw hard; luid

haardriederij znw schaatswedstrijd

haardschild bnw met harde schil

haark(e) znw hark

haarken ww harken

Haarm eigenn Harm

haarm, maal - znw mal persoon

Haarpel (op t) [Haarpelker] Harpel O

haarst znw herfst

Haarstee (in) [Haarsteder] Harkstede O

haart znw o. hart

haarten bnw harten (speelkaarten)

haarten znw harten (speelkaarten)

haarten, van - bw van harte

haartkloppens znw hartkloppingen

haauw(e) znw slaag; slag

haauw(er) znw houwwerktuig

haauwbred (scherts.) znw tennis­racket

haauwen ww druk bewegend lopen

haauwen, haauwgen ww slaan

haauwken ww wieden

habbedoedas znw slag

haggeln ww eten (gulzig -)

hai tussenw ach

hai vnw hij

haid(e) znw afval

haien en faien ww kreunen en steunen

haikeroazie znw drukte

hail bnw geheel; heel

hail(en), haildaal bw helemaal

haile znw flink persoon, flink -

haileboel, haileboele vnw O heleboel

hailendaal bw helemaal

hailewel bw bepaald

hailtied(en) bw altijd

haim znw o. heem; erf

haimerke znw o. kakkerlak, huiskrekel

haimstee znw o. bouwterrein; grond

(voor huis en tuin)

haimzaik bnw heimwee hebbend

haimzaikte znw heimwee

hais(teg), haisterg bnw hees

haisterg bnw wild

haistern ww druk werken

hait bnw heet; driftig; warmbloedig

haiten ww heten

haitied(en) bw altijd

haitkiddelg, haitkilleg bnw kleinzerig

hak(ke) znw hak

hakhoorn znw schoenlepel

hakje znw o. kniestuk v.e. varken

hakjedraaien ww ronddraaien (op de hakken)

hakkebieten ww bijten (naar de hakken); vitten

hakkelepel znw schoenlepel

hakkemak znw rommel

hakkemak en nikkenak, hakkemak en vegezak znw allerlei

hakkenkruk(ke) znw krabbelaar (schaatsen); knoeier

hakketrekker znw schoenlepel

haksel znw o. fijngehakt stro

hakseln ww verhakselen; schaatsen­rijden (met korte slag)

haldaal bw helemaal

hallozie znw o. horloge

halterkwalter bw kriskras

Ham (op n) [Hamster] Ham, Den - W

hammeln, z. ww z. flinkhouden

Hammerk, t - (in) [Hammerker] Nieuwolda O

hampel znw sul; hinkend persoon

hampeln ww hinken

hampetamp znw rare vrouw

hampslamp znw sul

handegen, handen ww mee overweg kunnen

handen vollen ww bidden

handeveger znw flinke hulp

hands(e), handsk, handske znw want

handsel znw o. handvat

handsmeren znw fooi

handtaiken znw handtekening

handtast znw kort werkje

handwisk znw fooi

handzoam bnw handzaam; geschikt

hang-over-deur znw meelkost

hangel, hangelgare, hangelstok  znw hengel

hangeltopke znw o. dobber

hangen ww hangen • tt: hang-hangt vt: hong vdw: hongen hong > hing; hongen > hangen

hankemank bnw kreupel

Hans eigenn Hans

hans znw sufferd

hans miegel znw lomp persoon

hans(ka) znw torenkraai

hantam znw peuterend kind

happeg, haps bnw happig

hapscheer znw kribbige vrouw

hapschuddel znw lompe vrouw

hapsnoede znw brutale vrouw

hapwaarm bnw goed warm

harin vz Old naar binnen

harrebakkel, harregat, harrejakkels, harrekakkel tussenw bah

hartelk bnw hartelijk; hartig

hauwken ww W wieden

havvel, havvelkoar, havveltoe znw snibbige vrouw

havveln ww twisten

hazzens znw hersenen

hazzenschraben ww studeren

hebbelachteg bnw aanstellerig

hebben ww hebben•  tt: heb-het vt: N en O haar, W

har vdw: had het > heeft, hebben, z. ww schikken, z.

hebrecht znw gelijkhebberig persoon

hecht znw o. heft

heden, op t - bw tegenwoordig

heeg znw heg

heegknipper, znw winterkoninkje

heegkroepertje znw o. winterkoninkje

heegscheer znw heggeschaar

heegsnitter znw winterkoninkje

heegster znw actieve vrouw

heegstern ww druk werken

heegtikkertje znw o. winterkoninkje

heelt znw zweet

heelt znw o. eelt

heer bw geleden; hierheen; vandaan

heer znw o. koning (kaartspel)

heerd znw haard; strook land

heerdaimke, heerdiemer znw kakkerlak; huiskrekel

heergeven (,z.) ww overgeven (,z.)

heergoan ww gebeuren

heerhoalen ww vandaan halen; her­stellen

heerholden, z. ww z. overgeven

heem znw haring

heerns, oet - znw serieus

heertiekje znw o. lieveheersbeestje

heertuutje znw o. lieveheersbeestje

heerwoarts bw geleden

hege znw heg

negen ww verzorgen

neger znw kwajongen; actieve vrouw

heibels znw N ruzie

hekeln ww hekelen; krabben

hekjeperfekje bw perfect

hekjeperfekje znw o. zeer precieze  vrouw

heksebiel(e) znw soort bijl

heksen ww het onmogelijke doen

helbannegduvels bw razend

hèlbèl znw tierende vrouw

heibellen ww tieren

helder bnw helder

helder bw flink

heldertje znw o. borrel

helfte znw N de helft

heigen znw helling; scheepshelling

heileg bnw duivels

Helm (in) [Helmster] Helium O

helpen ww helpen; slaan • tt: help-helpt vt: N hulp, O hólp, W

hielp vdw: hólpen hulp en hólp > hielp helster znw o. halster

hemmel bnw schoon (net)

hemmeln ww schoonmaken; slaan

hemmen ww N,W hebben. Zie hebben,

hen bw heen

hèn? tussenw hè?

hengstepraan znw stamppot bruine bonen

hennebienoanait bw lang niet

here-kom-oet, herie-koom-oet znw ruzie

herik (och -) tussenw heden (och -)

herin vz Old naar binnen

herom vz Old rond

hetje znw o. ogenblik

hetseg bnw hitsig; warm

hette(n), hettens znw hitte

hettendruppen znw grote regendrup­pels

heu znw o. O hooi

heubult znw hooiberg

heuen ww hooien

heufd znw o. hoofd

heufdpien znw hoofdpijn

heugte znw O hoogte

heukel znw hokkeling; stommeling

heukeln ww slingerachtig lopen

heukerg bnw onbeduidend; rillerig

heumennen znw hooioogst

heun bnw bedroefd; bleek

heunsproak znw verwensing

heup znw heup

heur bnw gehorig; stil (in de natuur)

heur tussenw hoor

heur vnw haar; N,W hun; zich

heuren ww horen; luisteren; toebeho­ren; klinken; behoren

heuren(t) vnw de/het hare; de/het hun­ne

heuweer znw o. weer om te hooien

hevven ww heffen; meerderen

hibbel znw aanstelster; snoeshaan

hiel bw W heel

hielemoal bw helemaal

hielendal bw helemaal

hiem znw o. W heem; erf

hiemen ww hijgen

hiemerg bnw kortademig

hiemham znw lang ding; mager per­soon

hiep znw slag

hiepenkriet znw bang persoon; klein persoon; klager

hieper(d) znw tenger kind

hieperg bnw kouwelijk

hiepern ww rillen (v. kou)

hiepkonter znw ontevreden persoon

hiepkonterg bnw stuurs; ontevreden; niet lekker; grieperig

hieptaik znw hypotheek

hier of woar bw ergens

hierzoot bw hierzo

hies bnw W hees

hies znw vlees (div. soorten -)

hiestentriest znw onaangenaam per­soon

hiet bnw W heet

hij vnw W hij

hikhak znw kibbelaar

hikhakken ww ruziën; twisten

hikhakkerij, hikhakkerderij znw ruzie

hilleg bnw heilig

hilt(e) I znw handvat (v. gereedschap)

hilt(e) II znw bergplaats

himmeltjen ww licht schoonmaken

himphamp znw mager persoon; molenwerktuig

hm bw heen; op de heenweg; verder; neer

hln(ne) znw kip

hm of bienoa nait bw lang niet

Hinderk eigenn Hendrik

hing znw scharnier

hïngoan ww heengaan; beginnen

hinkelepink znw kreupele

hinkelepinken ww hinken; huppelen

hinkelpoot znw kreupele

hinkjen, hinkjevakjen ww hinkel­spelen

hlnkuken znw o. kuiken (nl. hen)

hinneweer bnw wispelturig

hinneweer bw heen en weer

hinterdetwinter bw kriskras

hipper(d) znw N,W vlo; hippend per­soon; mager persoon;

hirrewirderij znw ruzie

hirrewirren ww kibbelen

hister bnw nerveus, opgewonden

hizzebizzen ww schelden

hizzen ww ophitsen

hoageldoorn znw meidoorn

hoageln ww hagelen

hoagels bnw woedend

hoak znw haak; gewricht; soort schop

hoaken ww haken; spitten

hoalen ww halen • tt: hoal-hoalt vt: N hil, O huil, W hoalde

vdw: hoald N hil > hiel > hoalde

hoamel bnw mager

hoamel znw emelt

hoamer znw hamer

hoan(e) znw haan

hoanebieter znw bruine kiekendief

hoanebolt znw lisdodde

hoanepoot znw hanenpoot; perzik-kruid, zevenblad

hoanetree znw kleine pas (Tig.)

hoankuken znw o. kuiken (t.w. haan)

hoantree znw ogenblikje; kleine pas

hoar znw o. haar

hoar-op-hond, dichte as - bnw dicht-opeen

hoaren ww scherpen

Hoaren (in) [Hoarener] Haren O

hoarscheren ww twisten

hoarsnieder znw kapper

hoas znw o. haas; aas (in kaartspel)

hoasjoagen ww jagen; najagen

hoasneut znw hazelnoot

hoast bw bijna

hoasteg bnw haastig

hoasten ww haasten

hoaten ww haten

hoats(k) bnw haatdragend

hoaven ww havenen

hoaven znw haven

hoaver znw haver

hoavertaail znw haverpluim

hoaze znw haas

hoazeneut znw hazelnoot

hoazestrik, hoazestroep, hoaze-struup znw hazenstrik

hobe, te - bw tesamen

hoddern ww schateren

hoed znw huid; vel; lichaam

hoegen ww hunkeren

hoek znw 0,W hurken

hoek(e) znw huik

hoel(e) znw sirene

hoelbek znw schreeuwlelijk

hoelen ww huilen; loeien

hol znw houvast

hol-aan, hoeske van - znw o. gastvrij huis

hoeltop znw tol

hoeregat tussenw bah

hoes znw o. N,01d huis

hoesaimke znw o. kakkerlak; huiskre­kel

hoesgeroad, hoesgroad znw o. huis­raad

hoeshin znw veel thuiszittend persoon

hoesholderske znw o. huishoudster

Hoeskes, Lutje - (op) [Lutjehoeske-der] Kleine Huisjes N

hoesroad znw o. huisraad

hoesschonen ww grote schoonmaak

hoesschonerstied znw schoonmaak­tijd

hoesvaast bnw honkvast

hoeven ww W hoeven

hoezen ww ophitsen

Hoezen (in) [Hoezener] Huizinge N

hoezie znw o. huisje; toilet höfteg bnw gejaagd; opvliegend

Hogebrug (op) [Hogebrugster] Noorderhoogebrug O

hogelk bnw voornaam

hogemuur znw achtermuur (v. boer­derij)

Hogezaand (op t) [Hogezandster] Hoogezand O

högte znw O hoogte

hok znw hoop korenschoven

hok-stok-blok znw boter, kaas en eieren

hokkebokken ww wiegen

hokkefokken ww stoeien

hoks(el) znw knieholte

hoksel znw brutale meid

holbol bnw luidruchtig; winderig

holden ww houden • tt: hol-holdt vt: N hil, O huil, W hiel vdw:

holden hil > hiel holden znw houding

holden, z. ww z. houden; z. richten naar

holdert znw einde werktijd

holdert geven ww ontslaan

holdert holden ww ontspannen

hole znw o. hol

holoogd bnw hologig

holsken znw klompen (soort -)

Holstainer eigenn Holsteiner

holstainer znw ruw persoon

holster znw lomp persoon

holsterachteg bnw wild

holt znw o. hout

holten bnw houten; houterig

holtjen ww houtjes maken

höltoakster znw vlaamse gaai

holtstek znw o. houtpakhuis

holvern ww huilen; schreeuwen

Holwier (in) [Holwierderj Holwierde N

hom vnw hem; N zich

Homko, Homkool, Homkoos eigenn Dinges

hommeln ww ruziën

hommeltje znw o. hoeveelheid

Hommes, Homko van der -; Hommes, Van der;

Hommesko eigenn Dinges

homp(e) znw homp

Homskool eigenn Dinges

hondebloum znw paardebloem

hondebolt znw lisdodde

hondekruud znw o. pijpkruid

hondjes, op zien - bw slecht zwem­mend

hondsvot znw verachtelijk persoon

hongerkaamp znw schrale weide

hongerlap znw hongerlijder

hontong znw bladeren v.d. paarde­bloem

hooghöltje znw o. smal en hoog brug­getje

Hoogkerk (op) [Hoogkerker] Hoog­kerk W

hoogsten, ten - bw zeer

hoogte znw wierde; hoogte

hoogvonder znw O smal en hoog bruggetje

hooi znw o. N,W hooi

hooien ww hooien

hooi znw o. hol

hoonder znw kippen

hoop, te - bw tesamen

hoop-en-troost znw een en al

Hoorn (in) [Hoornster] Hoorn,

Den - (Wehe -) N

hoorn(tje) znw (o.) slakkehuis

hoorntjeslak znw huisjesslak

hoornvij znw o. koeien

hoos znw kous; sukkel

hoossok znw sukkel; slordig persoon

hoppeg bnw los (v. structuur)

hor znw aardappelzeef

hór tussenw O hoor

hör tussenw hoor

hörn znw hoek

Hörn (in) [Hörnster] Nieuw Beerta O

Hörn, n - (op) [Hörnster] Den Horn W

Hörnhoezen (in) [Hörnhoester] Hornhuizen N

hörnschaif, hörnschuuns bnw gerend

hörntje znw o. hoeveelheid (sneeuw)

horre znw kwade vrouw

horrebedor znw helleveeg; ruig en opvliegend persoon

horrel znw hobbel (ltk en fig)

horst znw Ww zandhoogte

host bw W bijna

hot znw biest; kaasstof (in melk)

hötken en stötken ww O horten en stoten

hottevotten ww W stoeien

hottjen ww slecht lopen; opschieten

hou vnw hoe

houd znw hoed

houer znw hoer

hougenoamd bw hoegenaamd

houk vnw hoe zulk(e)

houk znw hoek; soort schop

Houk (op) [Houkster] Martenshoek O

houken ww baggeren; wieden

houken(t), houksen(t) vnw hoe zulke(n)

hounder znw kippen

hounder- voorv kippen-

hounderdaif znw kippendief; gluiper

hounderkefraans znw o. gebrabbel (v. kinderen)

hounderneers znw nieuwsgierig per­soon

houndervel znw o. kippenvel

hounen(t) vnw wat voor een

houp(el) znw hoepel

houst(e) znw knoest

housten ww hoesten

houstje znw o. borrel; hoeveelheid

houvel, houveul vnw hoeveel

houveul te ... houveul te voegw hoe ...des te

Houwerziel (in) [Houwerzielster] Houwerzijl N

hoze znw kous; sukkel

hozevöddels, op -; hozevörrels, op - znw op kouse voeten

hozezok(ke) znw sukkel

hudde znw hut

hude(r) znw bergplaats; hoeveelheid

hugeln ww huichelen

hugen ww O hunkeren

hui bnw aanstellerig; dun (v. vloeistof)

hui I znw drukte

hui II znw wei (zuivel)

hui III znw o. hooi

hui(la) bnw luidruchtig

huil bw O heel

huil om t zuil bw om 't hardst

huiven ww hoeven • tt: huif-huft vt: N hufde, O

huifde vdw: huifd huif > huf; huifde > hufde huk,

hukken(t) vnw wat voor

huken, op - znw W op de hurken

hukker znw lafaard

huks vnw hoe zulk(e)

 huksoorteg vnw wat voor

hul znw peul

hulpzeel znw bretel

hulpzoam bnw behulpzaam

huls znw huls; hulst

huiten en bulten znw oneffenheden

hulterg bnw hobbelig

huize znw huls

hulzebos znw hulststruik

hummel znw hommel; klein kind

hunneg, hunnek znw honing

hunskern ww verlangend huilen

hup(pe) znw heup

hupzelen znw bretels

hur tussenw hoor

hurre, hurregek tussenw tjongejonge

husie znw o. toilet

hut znw hut

hutje mit mutje znw botje bij botje

hutseln ww frutselen; knutselen

Hutten (op) [Huttender] Klein Ulsda O

huud znw W huid

huul znw vliesje (uit klokhuis)

huul bw W heel

huus znw o. W,Vk huis

huusholdster znw huishoudster

huuske znw o. toilet

huut(je) znw (o.) restant

hu ven ww W hoeven • tt: huuf-huft vt: N huufde vdw: hufd huft > huuft; hufd > huufd

huver znw huivering

huverg bnw huiverig

huvern ww huiveren

huwen ww hoeven Zie huiven,

huzen ww ophitsen

huzien znw o. toilet

huzzeln ww hutselen

 I

 

ie vnw jullie; u

iebels bw W zeer

iedel bnw ijdel; zenuwachtig

iedeljipsk bnw ijdel; zenuwachtig

iedeltoit; iedeltoide, iedeltuut znw ijdeltuit

ieder znw ijzer

iegel znw egel; rakker; bijdehand kind

iegelkouerte znw Ww egel

iegeln ww ijzen

iegelswien znw o. egel

iegoal bnw W om het even

iek I znw eik

iek(je) ii znw merkteken

ieken bnw W eiken

iel(t) znw o. eelt

ieiinne znw ellende

ieljebij znw wesp

ielte I znw o. eelt

ielte li znw O lisdodde

ieiu vnw jullie

iembieter znw koolmees

iem(e) znw bij

iemeg bnw ijverig, nijver, aktief

iemerke, iempien znw o. kakkerlak; huiskrekel

iempikkertje znw o. koolmees

ien vz N,W in

ienaargern ww verergeren

ienankern ww wortel schieten

iendoekt bnw met gebogen hoofd

iengoal bw W gelijkmatig

ienkrabeg bnw inhalig

ien ree znw inrit

iensterment znw o. instrument; ondeugend kind

ienstupen ww influisteren

iepenboom znw iep

iepenkriet znw klein persoon

ier znw N,W gier

ies bw W eens

ies znw o. ijs (niet voor consumptie)

iesboarliek bw zeer

iesder znw O ijzer

ieuweg bnw W eeuwig

ieveg bnw W eeuwig

iever znw ijver

iezel znw ijzel

iezen ww ijzen; griezelen

ijde znw egge

ijden ww eggen

IJmentil (op) [IJmentilster] Enumatil W

ijs znw o. ijs (voor consumptie)

ijske znw o. N ijsje, ijsco

immer bw even

in vz O in

in ... bezied vz temidden van

in ... om vz in de omgeving van

in ... op vz tegen ... in

in hebben ww moeite kosten

in stee dat bw in plaats van

in tied bw intussen

in tied dat bw terwijl

in tieden bw langdurig

inains bw ineens

inbeuren ww beuren

ind(e) znw o. eind(e)

ind, in t - bw overeind; uiteindelijk

indelk, Indeln bw eindelijk

indrift znw inrit; weg (tussen twee stukken land)

induzzein ww influisteren

ingoan ww aangaan (school)

inhoalen ww binnenhalen

inholten znw lichaamsgestel

inkoelen z. ww zich nestelen

in kom steg bw voortaan

inlakkaaiern, inlaksaaiern ww inklinken

inlustern ww influisteren

inmoaken, der - ww zaaien

inom vz in de omgeving van; rond

inop vz in,... -inpaiken ww O insmeren

inpangeln ww ruilen

inpoeiern ww inprenten

ins bw eens

inschunen ww influisteren

inslag znw schoolbegin

instekersraive znw o. slecht gereedschap

insterment znw o. instrument

instoeken, instupen ww influisteren

instoeper znw souffleur

intast znw eetbare ingewanden

integen bw tegen

Inter znw eenjarig paard

intieds bw tijdig

invoart znw inrit

inwaaiden ww inwijden

inzaailen ww inslapen

inzaipen ww inwrijven (zeep of sneeuw)

inzeggen znw berisping; waarschuwing

inzeggen ww waarschuwen

inzen bw eens

inzetten ww inmaken (conserveren)

ipscheuten, van - znw zonderling persoon

ittjebi] znw O aardbei

 J

 

ja bw immers; ja

jaainen ww drenzen, huilen

Jaan eigenn N Jan

jaan, maal - znw mal persoon

Jaanje eigenn Jantje

jaas znw N jas

jaauweln ww babbelen

jaauwsterlaid znw o. smartlap

jaauwstern ww huilend klagen

jacht znw jacht; haast

jacht-deur-daarms znw dun eten

jachteg bnw gejaagd

jachten ww haasten

jachtsnij znw opgewaaide sneeuw

jachtwaaid(e) znw gelagkamer

jai, jaikes tussenw jeetje

jai vnw St je

jaipies znw St meidoornvruchten

jaiweln ww klagen

jaizeln ww klagen; zeuren

jakkei tussenw bah

Jan gat znw sufferd

Jan hm znw pottenkijker

Jan Paiter Oepkes eigenn Dinges

Jan, Pait en Kloas vnw Jan en alleman

Jan-in-de-boksem, Jan-in-de-zak, Jan-in-onderboksem,

Jan-in-t-hemd znw meelkost

jandoedel znw jenever (slechte -)

jank znw verlangen

jan lap znw apotheek

jan neg bnw zwierig

jannever znw jenever

jannewoarie, jannewoariemoand znw januari

japperd znw deugniet

jas znw jas

jawol bw ww jawel

jaze, jazze znw jas je vnw jullie; u

jechteg bw echt

jechteghaid znw zekerheid

jegend znw O omgeving

jegender znw gelijke

jenteg bnw geschikt; lenig

jes znw N,W jas

jeud(e) znw jood

jeudenbouldag znw slordige troep

jeudenkerk znw synagoge

jeudenschoule znw janboel

jeudske znw o. jodin

jeukerg bnw prikkelend

jeukte znw jeuk; zorg

jeupen znw appelsoort

jeuzel(gat), jeuzelkont znw klagend persoon

jeuzeln ww klagen; zeuren

jezzeg bnw lenig

jidder znw O slijk; uier

jier(e) znw N gier

jilpen ww gillen

jim vnw W jullie

jimmes vnw de/het uwe

Jipsenhoezen (In) [Jipsenhoezer] Jipsinghuizen O

jirre znw O gier

joa bw ja

joagen I ww jagen, op jacht gaan • tt: joag-joagt vt: joagde vdw: joagd

joagen II ww jagen, hard rijden • tt: joag-jagt vt: N joug, N juig en jaig, W joeg, vdw: jagd jagt > joagt; joug/juig/jaig/joeg > joagde;

jagd > joagd

joak znw diaken

joakenraif znw slecht goed

joaneken ww zaniken

joap znw snee (snijwond)

joar I znw o. jaar

joar II znw o. uier

joardag znw verjaardag

joareg bnw jarig

 

joarlieks bnw jaarlijks joe vnw jullie; u

joechaai, joechij znw drukte

joegel, joegeltjebom znw slecht drin­ken (: koffie)

joeien ww W stoeien

joekseln ww schudden

joen vnw uw

joenent vnw de/het uwe

joepe znw gier; slijk

joggel, joggelebom znw drinken, slecht - (: koffie)

joks, oet - znw voor de lol

jompen ww gooien; stoten

jong znw jongen

jongen znw jongelui

jonges, dikke - znw pronkerbonen

jongkerel znw jongeman

jonk bnw jong jonk znw o. jong (v.e. dier)

Jonkersvoart (op de -) [Jonkersvoar-ter] Jonkersvaart W

jonkgoud znw o. jongelui

jonkhaid znw jeugd

jonkvolk znw o. jongelui

jonnevoet znw W weinig inbrengend persoon

jorreg bnw N jarig

jou vnw S u

jouker bnw duur; slim

joun vnw uw

joune znw flauw persoon

juchtern ww stoeien

juffraauw znw juffrouw

juggel znw drinken, slecht - (: koffie)

juggelwodder znw o. slechte koffie (e.d.)

jui, aan de - znw aan de zwier

juipies znw St meidoorn vruchten

juk znw o. oppervlaktemaat; bruggetje zonder leuning

Jukkerd (in) [Jukkerder] Jukwerd N

just bw juist

jutjen ww treuzelen

juust bw juist; trouwens

juvver znw juffrouw

juvvern ww netjes staan

 K

 

 k vnw ik

ka znw tamme kraai

kaaibakjen, kaaibakken ww werpspel met stenen

kaaier znw wandeling kaaiern ww O kuieren

kaaikebakjen, kaaikebakken, kaai-keboeren, kaaikegooien

znw o. werp­spel met stenen

kaainen ww stinken, ruiken

kaaizer znw keizer

kaalf znw o. kalf; onnozel persoon

kaalf(d) bnw drachtig (v.e. koe)

kaalfkou znw drachtige koe

kaalf mozes znw stommeling

kaalk(e) znw kalk

kaalm bnw kalm

kaalven ww kalven

kaalverknijen znw met de knieën naar binnen

kaalverproat znw flauwe praat

kaam znw kam

kaambe, kaamp znw stuk grond

kaan znw kan; liter

kaande znw kant

kaans znw kans

kaant(e) znw kant

kaar bw bijna; wankel

kaar znw kar

kaarbenoadje znw karbonade

kaart znw kerf; ring (in koehoren)

kaarmen ww kermen

kaarmenoadje znw karbonade

kaarnen ww karnen

kaarnhoes znw o. deel v.d. boerderij

kaarper znw karper

kaars, kaarze znw kers

kaarven ww kerven

kaarzepikkertje znw o. zangvogeltje (div.)

kaast(e) znw kast

kaauw(e) znw kooi

kaauweln ww kauwen (kleine hap­jes -); onbeduidend praten

kaauwen ww kauwen; vervelend pra­ten

kabbe znw bovenstuk; hoeveelheid; kap

kabbenaalern ww verslinden

kadde znw kat

kaddepokkel znw hoge rug

kaddepokkeln ww z. nederig buigen

kaddepul znw katapult

kaddestaart znw lisdodde; bloem (div.)

kaggel znw kachel

kaibeln ww kwebbelen

kaif, kaiwe znw O kieuw; kaak

kaiweln ww langzaam kauwen

kaizen ww kiezen

kaizer znw kiezer

kakallechie znw soort snoepje

kakheuvel znw wijsneus

kakje, t haile znw o. de hele zwik

kakkenoodje znw o. bang persoon

kakstoul(e) znw kinderstoel

kal kou n znw kalkoen

kalvien znw appelsoort

kam(me)lötten ww smullen

kame; kamme znw kam

kam mei n ww kauwen

kammeroad znw kameraad

kammeroadske znw o. vriendin

kamnet znw o. kabinet

kamp bnw gelijk (bij wedstrijden)

kamp geven ww de strijd opgeven

kamzool znw o. jakje; jas

kane, kanne znw kan; liter

kankouk znw kantkoek

Kannes (In) [Kaanster] Kantens N

kant bnw klaar; net

kant bw bepaald; bijna

kanten en ranten znw hoeken en gaten

kantkouk znw kantkoek

kap(pe) znw kap; bovenstuk; hoeveel­heid

kappeloan znw kapelaan

kapperoal znw korporaal

kaps bnw blut

kapsaaizen ww kapseizen

kapsie znw tegenwerping

kapstok znw kapstok; lang en dun persoon

kaptaain znw kapitein

kaptoal znw o. kapitaal

karbenoade znw karbonade

kare znw kar

karrel znw o. kaasstof (zuivel)

karreln ww bederven (v. melk); schiften

karriefarrie znw O een of ander ding

karro, kokende - znw iets heets

Karsttied znw W,Ww Kerst

kaskenoade znw koude drukte

kastelaain znw kastelein

kat(te) znw kat

kat-achter-kat bw in een lange sliert

kathaalzen ww reikhalzen

katje, t haile - znw o. de hele zwik

katjejacht znw drukte (op straat)

katjeliem znw hars

katjen ww trillen (v.d. lucht)

katjewaai znw klap; oorvijg

kat-oel znw kerkuil

kawalter speulen znw de baas spelen

kaziematten znw bed

kebalter speulen znw de baas spelen

kebèlskop znw masker

keboal znw o. kabaal

kebof znw keuken (in boerderij); bouwvallige woning

kebouter znw kabouter

kedde znw ketting

kedel znw ketel

kedelbuiterij znw drukte

kedetje znw o. kadetje

kedip nemen znw onder handen ne­men

kedonzel znw slag

kedonzels, kedovvels znw aardappels

keduks(ie) znw beheer

Kee eigenn Cornelia

keel znw dik geworden melk

keers, keerze znw kaars

kees znw kaas

keesblommen znw N iluitenkruid

keesbrog(ge), keesbrüg znw roggebrood met kaas

keeskaauwen ww kieskauwen

keesrief znw kaasrasp

kefoor znw o. komfoor

kejak znw cognac

kekajchie, kekajzie znw soort snoepje

kekeln ww babbelen; redetwisten

kèl bnw koud van schrik

keldermot znw pissebed

kelen ww schiften (v. melk)

kèlleghaid znw schrik

kelonie znw hoeveelheid; kolonie

kemizzie znw commissie

kemotter znw klap

kenail znw o. kaneel

kenailduveltje, sokkern - znw o.lieveling

kennen ww kennen • tt: ken-ken vt: kon vdw: kend

kon>kende kepiddel znw o. hoofdstuk

kepot bnw kapot; ziek

keraaiern ww genezen

kerdiet znw o. krediet

kerdoat bnw flink

kerel I znw kerel; handelaar

kerel II znw N man

kerel-el Ie znw stevige vrouw

kerel-op-peerd tussenw tjongejonge

kerel-op-peerd znw ruiter

kerel-trien znw stevige vrouw

kerelachteg bnw flink

keren ww drogen (v. hooi)

kerk(e) znw kerk

kerkvolk znw o. kerkgangers

kernuten znw kornuiten

keroazie znw baldadigheid; moed

kerwaai znw karwij

kerwaai znw o. karwei

kestail znw o. kasteel

kestuutsiekoor znw o. corduroy

ket znw ketting

ket-oet bnw N uitgelaten

ketaaier znw o. kwartier; hoeveelheid

ketaaier-veur-twaalven znw meelkost

ketaar znw o. Vk kwartier

ketoen znw o. katoen

kettermenten ww tekeer gaan

kettikjen ww tikken (met sleep)

keudel znw keutel; dreumes

Keudeldoemke eigenn Klein Duimpje

keudeldoemke znw o. dreumes; lief kind; winterkoninkje

keudelg bnw bekrompen; onhandig

keudein ww drentelen; treuzelen

keugeltente znw ruimte vol prullaria

keukelder znw goochelaar

keukelderij znw kunstenmakerij

keu Ien znw N keutel

keuneg znw koning

keunegin znw koningin

keunek znw koning

keunen ww kennen; kunnen

keunenk znw koning

keur bnw kieskeurig

keur znw keus; overvloed

keuvern ww sparen

keviel znw appelsoort

kevöt, kevört znw o. envelop

keze znw kaas

kezebloumen znw fluitenkruid

kezèrn znw kazerne

kezien znw o. kozijn

kezoan, veur - znw voor de gek

kezoaten znw kameraden

kezoatsie znw catechisatie

kezorten znw kameraden

kibbeg bnw bijdehand

kibbel znw twist

Kibbelgoarn (op) [Kibbelgoarner] Kibbelgaarn O

kibbelsnoet znw ruziezoeker

kibbern ww N tintelen

kidde znw paardje

kiddelg bnw kietelig

kiddeln ww kietelen; prikkelen

kiebeg bnw bijdehand

kiedeln ww kietelen

kieft znw N kievit

kiek znw kijk; soort onkruid

kiek, gele - znw perzikkruid

kiek, oet de - bw buitengewoon

kiek-boven-deur znw meelkost

kiek-in-de-wereld znw groentje
kiek-over-deur znw
meelkost

kieken ww kijken • tt: kiek-kikt vt: keek vdw: keken kikt > kiekt

kiel znw wig

Kiel (in) [Kielster] Kiel winde weer

kieleg bnw kietelig N

kielen ww wigvormig toelopen

kiels bnw gerend

kiemen ww kiemen

kiend znw o. kind N,W

kiep(e) znw vrouwenhoed; rugmand

kiepeg, kieperg bnw bijdehand; bedrijvig

kiepkerel znw marskramer

kiepkörf znw rugmand

kieuw znw kieuw N,W

kieve znw moppers

kieven ww kijven• tt: kief-kift vt: keef vdw: keven kift > kieft > kijft

kieviet, kiewiet znw kievit

kifke znw o. keffer; gelijkhebberig persoon

kifkederij znw bekvechterij; ruzie

kifken ww keffen; kuchen; ruziën

kijf znw kieuw Ww

kijlebruier znw drinkebroer

kikkak znw ruziezoeker

kikkakken ww ruziën

kikker(d) znw kikker; klein ventje

kikkerrit znw kikkerdril

killen ww klapperen; tintelen

kilterkalter znw schiftende melk

kim I znw kim

kim II znw kiem; aardappelpit

kimmen ww kiemen

kin, dubbele - znw onderkin

kind znw o. O kind

kindermaal bnw gesteld op kinderen

kinderpuil, kinderpuut znw op kinde­ren gesteld persoon

kinkel in daarm znw darmkronkel

kinken ww tegen elkaar tikken

kinken, oet de - znw ver weg

kinkhoorn znw huisjesslak

kinkhoust znw kinkhoest

kinkjen ww hinkelen

kinnen ww kunnen • tt: kin-kin vt: N kon vdw: kind

kip(pe) znw soort hoed

kip-kap-kogel znw Sint Maarten; lampion

kippern ww O tintelen; kort trillen

kir(re) znw paardje

kirreln ww doen jeuken

kirrevaalk znw nachtzwaluw

kiskern ww kiskassen

kist(e) znw kist

kitsen ww ketsen; afwijzen

kitsken ww klikklakken

kittjen ww klikklakken

kivveln ww kibbelen

kivven ww keffen; kijven

klaai znw klei

klaaien ww morsen; ontdoen van klei

klaaier znw kleren

klaaieroazie znw kleding

klaaiker znw kleibewoner

klaain bnw klein

klaaipoazer znw kleibewoner (scheldn.)

klaar znw klad (vuiligheid); klit

klaauw znw soort haak; klauw

klaauwen ww uit alle macht lopen; snel schaatsen

klaauwer(d) znw stevig kind

klaauwstern ww klauteren

klabbe znw ophaalbrug

kladder, op - znw aan de haal; in op­spraak

klaid znw o. kleed; japon

klaiden ww kleden • tt: klai-kledt vt: N en O kledde, W

kleedde vdw: N en O kled, W kleed kledt > klaidt; kledde > klaidde; kled > klaid

klaimen ww morsen

klaims(k) bnw klef (v. meelgerecht)

klain znw veen

Klainmeer (in) [Klainmeerster] Kleinemeer O

klamp znw hoeveelheid (klei, hooi)

klandern ww opknappen; glanzend maken (stof)

klap znw klap

klap(pe) znw ophaalbrug

klapscheet, ieder - znw ieder ogen­blik

klapspoan znw klikspaan

klare znw klad (vuiligheid); klit

klariddefikken znw fikken

klas znw klas

klazze znw klas

klebukseln ww flansen

kledder, op - znw op hol, aan de haal

kledderpuut  condoom

kleden ww W kleden (zie klaiden)

klem znw veenmaat

kien holden ww soldij krijgen

klender, op - znw aan de haal

klep(pe) znw klep

klepgat znw o. galmgat; gat (boven schuurdeur)

kleroazje znw W kleding

kletsmaaier znw kletsmajoor

kletter, aan de - znw aan de zwier

klettern ww kletteren; met geweld vallen; met geweld lopen

kleuf znw kloof; scheiding (in haar)

kleum kadde, kleum kat znw kleumig persoon

kleums(k) bnw kleumig

kleun(e) znw huis; bouwvallige wo­ning

kleutern ww hameren; knutselen

kleuven ww kloven; soort ploegen

klevaaiern ww in orde maken

kleveren ww opkomen voor

kleverg bnw kleverig

kleviender znw appelsoort

klibberg bnw kleverig

klidder, aan de - znw aan de zwier

klied znw o. W kleed

klief znw soort sluisje

klien znw veen

kliester znw lijster

kliesterbij znw lijsterbes

klieve znw soort sluisje

klikschulden znw kleine schulden

klikspoan znw klikspaan

klimmer znw klimop

klink znw kling

klink(e) znw deurklink

klins znw melkzeef

klinsbak znw afvoerbak

klinstem ww op beide benen springen

klinze znw melkzeef

klinze znw vergiet

klmzebak znw afvoerbak

kllnzen ww filtreren

klip(pe) znw hoeveelheid; blikken kan;zandhoogte

klipgat znw o. N brievenbus

klis(ter) znw kleefkruid

klit znw kleefkruid

klits(e) znw ongedurig meisje

klitter, aan de - znw aan de haal

kloagen ww klagen • tt: kioag-klagt vt: N kloug, O kluig en klaig,

W kloagde vdw: kloagd klagt > kloagt; kloug/kluig >

kloagde kloar bnw gereed; helder; hersteld

kloar bw louter

kloareghaid znw aanstalten

Kloas eigenn Klaas

kloater znw vuiligheid (in wol)

kloaver znw klaver

kloavers znw klaveren (speelkaarten)

klob(be) znw stukje; hoeveelheid

klóbke znw o. rond stukje hout

klodde znw soort pet

kloddern ww morsen

kloede znw kluit; dik persoon

kloef znw kluifje

kloet znw kluit; klont; brok; hoeveel­heid;

kloeten ww klonteren; morsen

kloetenstamper znw grote en zware vrouw,

kloeterg bnw hobbelig; nors

kloetjebakken ww knoeien; bedisse­len

kloetjen ww klonteren

kloeven ww kluiven

klodderpuutje condoom

klok I znw kloek (kip)

klok II znw slok

klök(ke) znw klok

klökgat znw galmgat

klökhörn znw hoek (v. kamer) met de klok

klokje znw o. borrel; slokje

klokjen ww met teugjes drinken

klokken ww klokken; klotsen

klokkern ww klokkend geluid maken; koesteren (als een kloek)

kloks bnw broeds

klokschoner znw horlogemaker

klombe; klomp znw klomp

klompke znw o. klompje; hoeveelheid

klongel znw concubine

klongeln ww klungelen; overspel ple­gen

klonje znw eau de cologne

klont znw kluit; meelkost; onhandig persoon; hoeveelheid

klonter znw sneeuwbrok

klonter(d) znw lomp persoon

klontern ww onhandig lopen; romme­lig werken

klontjegat znw gevangenis (scherts.)

klontjegroes znw kandijgruis

klontjen ww prutsen; zeuren

kloon znw N kluwen

Kloosterboeren (in) [Kloosterboer­ster] Kloosterburen N

Kloosterholt (in) [Kloosterholtjer] Heiligerlee N

klootvegen ww zaniken

klos znw klos; sneeuwbrok (onder schoeisel)

klöt znw soort pet

klottjen ww morsen

kloug, te -; klouk, te - bw te slim af

klouk bnw bijdehand

kloun(e) znw kluwen; onnozel per­soon

klouwen znw kluwen

klözzen ww klossen

kluit znw boel; hoeveelheid

klumen ww W kleumen

klumpe znw klomp

klunderbeun znw galerij (kerk)

klundern ww stommelen

klunen znw opschik

kluuf znw w kluif

kluun znw bel (v.e. slee)

kluunder znw bel (op slee)

kluundern ww klingelen

kluut znw W kluit

kluzen ww stormen

knaar znw oud ding

knaars, knaarze znw oud persoon

knaarzen ww knarsen

knaauw znw knauw

knaauweln ww knabbelen

knage znw oud persoon

knailen ww fijnmaken

knapbus znw proppenschieter

knappen ww knappen; vuurwerk laten knallen

knapperd znw oud persoon

knappertjes znw soort crackers

knapscheet, ieder - znw ieder ogen­blik

knare znw oud persoon

knarren ww knersen

knarskop znw oud en verzuurd per­soon

knaster znw kraakbeen; oud ding; oud persoon

Kneel eigenn Cornelia

Kneels, Kneles eigenn Cornelis

knepeg bnw nauwsluitend

kneuzen ww kneuzen

knibbel(tje) znw (o.) kleinigheid -

knibbeln ww knibbelen; knabbelen

knibbels znw knieën

knibbeltoond bnw met de knieën naar binnen

kniddervink znw opvliegend persoon

kniebeltoons bnw met de knieën naar binnen

knief(t) znw o. soort mes

knien(e) znw o. konijn

knienevreten znw o. bladeren v.d. paardebloem

knientjesdoagen znw onbezorgde tijd

kniep(e) znw stille kroeg; val (werktuig)

kniepen ww knijpen tt: kniep-knipt vt: kneep vdw: knepen

knipt > kniept knieper znw knijper

knieper(d) znw zuinig persoon; nood

kniepertjes znw soort koekjes

kniephoezen, kniepstuver znw gierig­aard

knieps(k) bnw zuinig

knieptaang, knieptange znw nijptang znw scharnieren

knieterd znw zuinig persoon znw gierigaard; verve­lend persoon

kniezen ww gniffelen; grijnzen •tt: knies-knist vt: knees vdw: knezen

knist > kniest; in O knezen > kniesd

knif znw werkkracht

knij(e) znw knie

knikkebaintjen ww beentjdichten

knip znw knip; stille kroeg; portemon­nee; val (werktuig)

knipnoagels, op - znw op hete kolen

knipper znw knijper; wasknijper

knipsloapke znw o. hazenslaapje

knir(re), knirt znw werkkracht

knirt znw zeer zuinig persoon

knirzel(bonk) znw kraakbeen

knis znw steen

knistern ww knarsen; knetteren

knittern ww knetteren; opscheppen; vloeken

knitterslag znw knetterende donder­slag

knivveln ww gniffelen

knivveltoond, knivveltoons bnw met de knieën naar binnen

knizzel znw kraakbeen

knoagen ww knagen

knoak znw bot

Knoal (op t) [Knoalster] Stadskanaal O

knob znw stomp; stoot

knobbe znw knop

knobben ww stoten

knobe znw knoop

knödde znw knot

knoedel znw bundeltje; slordige klu­wen; gedrongen persoon

knoedeln ww frommelen

knoeien ww W zwoegen

knoeren ww rommelen (v. honger)

knoest znw knuist; hoeveelheid

knoestje znw o. hoeveelheid

knoggeln ww hoesten; kuchen

knöl(le) znw knol; gat (in kous, sok)

knooiboksem znw knoeier

knooien ww zwoegen; knoeien; be­schadigen; bedriegen

knoop znw knoop; vloek

knoopkes znw soort kamille

knoord bnw kortademig

knop znw knop

knopen, glmne - znw politieagent(en)

knor(re) znw kraakbeen; knoest; hoe­veelheid

knorhoan znw knorhaan; mopperaar

knot znw knot

knottjeboas znw knoeier

knottjen ww knoeien

knovvel znw duw; soort handschoen

knovvelachteg bnw onhandig

knovvel kont znw onhandig persoon

knovveln ww onhandig omgaan met; stoten

knubbe znw knoop

knuizen ww W kneuzen

knup(pe) znw knoop; vloek

knuren ww N kneuzen; knijpen

knuterboksem ww knutselaar

knuterg bnw lief; opgewekt

knutern ww knutselen

knuur znw kneuzing

knuustern ww knutselen

knuut znw o. N onweersbeestjes

knuutje znw o. winterkoninkje

knuutjen ww knutselen

knuzen ww kneuzen

koabel znw kabel; kabeltelevisie

koadiek znw binnendijk

koak znw kaak

koakel znw kakelend persoon

koakeln ww kakelen

koal bnw kaal; arm; blut

koalopkaps bnw blut

koamer znw kamer

koan(e) znw kaan

koanzel znw sneeuwbrok (onder schoeisel)

koanzels znw voeten

koap znw meeuw

koapke, koapmeske znw o. aard­appelschilmesje

koar(e) znw eenwielige kruikar

koart znw kaart; speelkaarten

koater znw kater

koaterbèls bnw over z'n toeren

koatsebaal znw kaatsbal

koatsebaaltjen ww kaatsen

koatsken ww doen buitelen

köb(be) znw meeuw

kobbeltjeboideln, kobbeltjebuideln ww koprol maken

koddel-om znw dik en klein kereltje

koe znw W koe

koebloemke znw o. W madeliefje

koedel(gat) znw kort en dik persoon

koedein ww omlaagrollen

koedeltje znw o. bundeltje; propje

koedeltje, in n - znw ineengedoken

koef znw kuif

koegel znw kogel

koegein ww z. snel voortbewegen

koegelsgeweld, mit - znw razendsnel

koekoekspij(e) znw schuimbeestje

koel(e) znw kuil

koeltjen ww knikkeren (in een kuiltje)

koeltjestoiten ww soort knikkeren

koem(e) znw kom

koep znw kuip

koeraaiern ww genezen

koeren ww kirren (duiven in paar­tijd)

koes znw kies

koes kas bnw kriskras

koeskas znw ratjetoe

koeskazzen ww mengen

koeskillen, koespien znw kiespijn

koevört znw envelop

koeze znw kies

koezenropper znw tandarts (scherts.)

koezepreukel znw tandenstoker

kof I znw soort tweemaster

kof II znw soort handschoen

kofje znw W koffie

koggeln, koggen ww kuchen

koier znw wandeling

koierd znw soort knikker

koiern ww O wandelen

kol znw kou

köld bnw koud

kolde znw kou; verkoudheid

Kol ham (op) [Kolhamster] Kolham

kolkje znw o. N binnendijkse kolk

kolske znw o. onnozel persoon

kolsken ww babbelen

kolverd znw lobbes; lomperd

kom(me) znw kom

kombain(er) znw combine

kombooi znw o. zorgen

komdaaiern ww bestellen; comman­deren

komen ww komen

komföttje znw o. envelop

kommen ww komen

kommersjetsen ww commanderen

Kommerziel (in) [Kommerzielster] Kommerzijl W

kommousker znw toilet

kompelment, kompelmmt znw o. compliment

komplöt znw o, complot; hoeveelheid

komzool znw o. jakje; jas

kon de znw achterste

konduksie, onder - znw onder de plak

konkelderij znw gekonkel

konkelfoezelderij znw gekonkel

konkeln ww koffiedrinken; konkelen

konnerstuutsiekoor znw o. corduroy

konsjènzie znw N mond

konstuutsiekoor znw o. corduroy

kont znw achterste

konterboer znw bedrijfsleider (be­perkt bevoegd)

konterstuutsiekoor znw o. corduroy

kontjeloage znw pak slaag

kontjen ww prutsen

kontjeprop znw flesopener

kontrainen znw omgeving

kontrovvel znw uitbrander

konzorten znw kameraden

kooihinken ww hinkelen

kooldörs(k)en ww koolzaaddorsen

koordjebraaien ww punniken

koorns znw kanen

koors, koorze znw koorts

koorzeg bnw koortsig

kootjehinken ww hinkelen

kop znw hoofd; kop; wil; hoeveelheid

kop-akker znw wendakker

kopen ww kopen • tt: koop-kocht vt: kocht vdw: kocht Vooral in O als vt: ook köchte en köchde

kop-en-kont znw gedrongen persoon

koppeltrekker znw voorman

kop-over-haals bw halsoverkop

kopdukertje znw o. tapijtspijkertje

koppel vnw veel

koppel znw aantal

koppeltjeboideln, koppeltjeboien ww koprol maken

kopschraben ww piekeren

kopschraberij znw kopzorg(en)

kopstubber znw ragebol

kopstuk znw onredelijk, onhandelbaar persoon

kopzeerde, kopzeerte znw hoofdpijn; muizenissen

kopzere, schele - znw migraine

korf znw korf; mand

körk(e) znw kurk

korken, körken ww een boer laten

korrel znw dreumes; soort wagentje; wieltje

korrel, korrel znw korrel; pit

korreln ww omlaag rollen

korries znw afval

körst(e), körste znw korst

kort bnw N kort

kort bnw kort; stuk

kort bie bw dicht bij

kort dag bw spoedig

kortbainen znw kinderen

kortdikje znw o. kort en dik persoon

körtens, körtens bw binnenkort; onlangs

kortkop znw driftkop

korts, korts bw binnenkort; onlangs

körtsleden bw onlangs

kortvolk znw o. kinderen

kost, kost znw kost

kosten(s), kösten(s) znw kosten

koster znw koster; meester (scherts.)

köstern ww keuvelen

kosterske znw o. juffrouw (scherts.); vrouw van de meester

kotsebaal, kotsebale znw kaatsbal

kou znw koe; domoor

koubaalk znw koestalzolder

koubaist znw o. koe

koudeel znw o. koestal

Kouert eigenn Koert

kouflare, kouflort, kouflotter znw koeiedrek

kougaang znw koestal

kougroup znw stalgoot (achter koei­en)

kou hut znw koeienstal

kouk mit krenten znw apekool

kouk(e) znw koek

kou ken ww zaniken

koukhaauwen, koukhakken, kouk-sloagen ww koekhakken (spel)

koul bnw koel

kou mak bnw mak als een koe

kou nawel znw stommeling; sul

kou paanzen, koupïnzen znw grote re­genwolken

kouribben znw schaatsen (scherts.)

kouschiet znw koeiendrek

kouschietengruin bnw groen als van koeiendrek

kouschut, koustaai znw koeienstal

Koustaallapper znw slechte timmer-man

kouster - koosjer

kove ztïm schaapskooi

kower zmv koffer

kowie znw koffie

kowieachteg bnw houdend van kof­fie

kowiebred znw o. theeblad

kowielood znw o. koffiemaat

kowieprut znw koffiedik kraab znw krab

kraab-ien-paan, kraab-oet-paan, kraab-om znw meelkost

kraab-op-de-noad znw armoe

kraabhak znw krabbelaar (schaatsen)

kraai znw kraai

kraaikewippen, kraaikewuppen ww koprol maken (getweeën)

kraaite znw waddenslee

kraaizummer znw mooie nazomer

kraal znw kraal; bes

kraande znw krant

kraans znw krans

kraant(e) znw krant znw tuinwerktuig

krabe znw krab

kraben ww krabben; rooien (aardap­pels); wieden (onkruid); krabbelen (schrijven, schaatsen)

kraben, der tegen - ww z. inspannen

kraber znw krabbelaar (schaatsen); tuinwerktuig; aardappelrooier

kraiken, kraiten znw N lijsterbessen

kraivelder znw bedrieger; kibbelaar

kraiveln, kraiweln ww krioelen; vals spelen

Kraiwerd (in) [Kraiwerder] Krewerd N

krale znw kraal; bes; schattebout (baby)

krang bnw verdraaid

krap znw ijzerplaatje (onder schoen, tegen glijden); sluithaak

krap-aan bw bijna

krapmoatjeswaark znw o. zuinig bestek

krazzen ww krassen

krébas znw kwibus

krebenteg bnw niet lekker

kregel bnw ferm

krek(t) bw juist

krekgeliek bw om het even

kremenaaiern ww klagen

krentjebrij znw watergruwel

krep znw o. onkruidgras

kret znw o. laddertje (in boerderij-gracht)

kreude znw jongetje; klein kind

kreupeln ww mank gaan

kreus znw veenbes

kreus znw o. kroos

kreut znw klein persoon

kreuze znw veenbes

kreuze znw o. kroos

kribbelkrabbels znw hanenpoten

kribberij znw ruzie

kriebes znw kwibus

kriegel bnw wat boos; ferm

kriegen ww krijgen; pakken • tt: krieg-krigt vt: kreeg vdw: kregen

krigt > kriegt

kriet znw o. krijt

krietoakster znw vlaamse gaai

krieten ww krijten

krieter(d) znw gierigaard

krieterg bnw gierig; nors; ziekelijk

krieterke znw o. huilerig kind

krieweln ww kriebelen

krije znw kraai

krik znw driftig persoon

krik(keg) bnw lichtgeraakt

krimmeln en wimmeln ww krioelen

krimp znw inspringende hoek; het krimpen

krimphaarteg bnw gierig

krimpkat znw gierigaard; kleumer

krlnde, krint(e) znw krent

krintekakkerij znw kouwe kak

krlntjebrij znw besjesgort

krmtstoet znw krentenbrood

krmzelachteg, krlnzelg bnw zuinig

krinzeln ww zuinig zijn

krioulen ww krioelen

kripsie znw ellende; moeite

kris znw veenbes

kritsezoer bnw erg zuur

kriwwel I znw krabbel

kriwwel ii znw krielaardappel

kriwweln ww krioelen; vals spelen

kro(de) znw het kruien; vracht v.e. kruiwagen

kroag(e) znw kraag

kroagbonk znw sleutelbeen

kroaken ww kraken

kroakstoul znw leunstoel

kroam znw kraam

kroan(e) znw kraan

kroan, n - van n vraauw znw knappe vrouw

kroantjepot znw ouderwetse koffiepot

krob(be) znw kever (diverse soorten -)

krobbe znw krop; wreef

kröd znw N onkruid

krödde znw O onkruid (div. soorten); perzikkruid; gele kiek

kröddeboer znw slordige boer

krode znw kruiwagen

kroden ww kruien

kroeg znw 0,W kroeg

kroek(e) znw kruik

kroem znw ietsje; kruim

kroemel znw kruimel

kroemeln ww kruimelen

kroep-ien-buus, kroep-ien-döb, kroep-ien-heeg znw dreumes

kroep-in znw klein woninkje

kroep-in-de-kroane, kroep-oet-dop, kroep-oetje znw dreumes kroepbeziedjen ww Old verstoppertje spelen

kroepen ww kruipen • tt: kroep-krópt vt: kroop vdw: kropen krópt > kroept kroepen en krimmeln ww krioelen

kroepiewèg speulen,

kroepverzietjen Vk ww verstoppertje spelen

kroes znw rimpel; vouw

kroes bnw kreukelig

krol znw krul

krollen ww krullen

krombekken znw soort bonen

kromjong znw soort schop

krommels znw kruimels

kromschop znw soort schop

kromsprongen znw uitvluchten

kromstoan ww zwoegen

kroodkoar znw kruikar (eenwielige -)

krookje znw o. krokus

krop znw krop; wreef

krör, krör znw onkruid

krör znw perzikkruid

krös znw karos; kleding; lichaam

krösken ww gaan

krot znw o. krot

kroug znw N kroeg

kroun znw kruin

krözze znw karos; kleding; lichaam

krözzen ww z. met geweld voortbe­wegen

krub(be) znw kribbe

krudeldoorn znw kruisbes

kruderg bnw kruiderig; guitig

krudoorn znw kruisbes

krui znw bocht

kruikoar znw kruiwagen

kruk(ke) znw kruk; sukkel

krukkeln ww sukkelen; krabbelen (schaatsen)

krul znw krul

krullen ww krullen

krumel znw kruimel

krumeln ww kruimelen

krummel znw kruimel

krummeln ww kruimelen; beetje voor beetje eten, bestellen e.d.

krummeln en wummeln ww krioelen

krummeltje znw o. kruimeltje; ietsje

krupen ww W kruipen • tt: kruup-krupt vt: kroop vdw: kropen krupt > kruupt

krupsie znw ellende; moeite

kruud znw o. kruid

kruudhof znw bloementuin

kruuk znw kruik

kruul znw o. penis

kruun znw kruin

kruus znw o. kruis

kruusjazzen ww kruisjassen

kruusken ww zwoegen

kruuslam bnw lam (in het kruis);uitgeput

kruuslings, kruusweegs bw kruise­lings

Kruusweg (op) [Kruuswegster] Kruisweg N

kruzen ww kruisen

kub(be) znw deel v.e. fuik

kudeln ww tuimelen; treuzelen; knoei­en; oneffen worden

kugelsgeweld, met - bw W razendsnel

kui(kaalf) znw vaarskalf

kuiern ww N,W kuieren

kuin bw gedeisd

kukeln ww goochelen

kukeispul znw o. goochelarij

kuken znw o. kuiken; grappenmaker

kukenjong bnw piepjong

kul znw penis

kulibas znw grappenmaker

kul kou k znw flauwekul

kullebieter znw loopkever

kullen ww foppen; mislukken; tegenvallen

kulloazie znw flauwekul

kuipers znw grote ogen

kun(de) znw kunde; kennissenkring;kennis

kundeg bnw kundig; bekend

kunnen, ien e - znw W in kennis met

kups bnw blut

kureg bnw grappig; met half toege­knepen ogen,

kuren ww ogen half dichtknijpen; mikken

kurendriever znw grappenmaker

kurken ww een boer laten

kuske znw o. zoen

kutjen ww vals spelen (bij knikkeren)

kutkammeri] znw gezanik

kuuf znw kuif

kuum znw W kom

kuur znw grap; gril

kuurogen ww loeren

kuus! tussenw weg! (tegen dier)

kuut znw kuit

kuutjebuten, kuutjebuutjen, kuut-jen ww ruilen

Kuzemer (op) [Kuzemer] Kuzemer

kuzzen ww kussen

kwaab znw kwab; hoeveelheid

kwaalm znw walm; waas

kwaalmen ww walmen

kwaalmlaamp(e) znw persoon die praat over onbegrepen zaken

kwaalmpot znw kletsmajoor

kwaalster znw fluim; kwalsterijs; vuiligheid; eigenwijs persoon

kwabe znw hoeveelheid; kwab

kwabs(e) znw hoeveelheid; smak

kwak znw plof; hoeveelheid; dokter (scherts.)

kwakje znw o. spuug; hoopje

kwakjen ww spugen

kwakjern ww spuwen

kwakker znw kletskous

kwaksel znw o. vochtige massa

kwakseln ww mengen; morsen

kwanswies bw kwansuis

kwardel, kwartel znw kwartel

kwastjen ww verven

kwattjes bnw van een kwartje

kwedel znw zeurkous

kwedelmesien znw praatgraag per­soon

kwedeln ww babbelen; zaniken

kweek znw onkruid, kweekgras

kweekboer znw slordige boer

kweeksen znw lijsterbessen

kween znw onvruchtbare koe; onvruchtbare vrouw

kweer(s) bnw mierzoet

kweetsekralen, kweetsen znw lijsterbessen

kwekkerd znw kakelend persoon

kweldern ww schapen op de kwelder laten weiden

kwene znw onvruchtbare koe; onvruchtbare vrouw

kwengeln ww morsen

kwestie znw kwestie; ruzie

kwetsebijen, kwetsen znw lijster­bessen

kwezzie znw kwestie

kwezzie, kwezziederij znw ruzie

kwiel(e) znw o. kwijl

kwienen ww kwijnen

kwienskwans bw kwansuis

kwiet bw kwijt

kwiet worden ww kwijt raken

kwiethandeg moaken bw ontfutselen

kwinde znw O bouwvallig huis

kwlngeln ww morsen

kwink znw nuk

kwinskwans bw kwansuis

kwint(e) znw bouwvallig huis,

kwitsebaaien, kwitsekralen znw lijsterbessen

kwittje znw c. hoeveelheid; straaltje spuug

kwittjen ww door de tanden spugen

kwoad bnw kwaad; driftig

kwoade, de - znw duivel

kwoadens, kwoadhaid znw kwaadheid

kwoad kop znw driftkop

kwoaiens znw kwaadheid

kwoajong znw kwajongen

kwoal znw kwaal

kwoalek bnw kwalijk

 L

 

laai bnw O lui

laai znw lei; soort net; soort slee

laaide znw leidsel

laaideg bnw vals vleiend

laaiden ww leiden

laaiden znw leiding

laaidseel znw o. leidsel

laaien ww hijsen (molent.)

laaiern ww O luieren

laaikbeugel znw baggerstok

laaiken ww uitbaggeren

laaip bnw listig; ongezond

laaip znw gemenerik

laaiseel znw o. lijzeil

laaiten ww uitbaggeren

laaiter I znw lang persoon

laaiter II znw schoonmaakmes

laaiter III znw klap(pen)

laaiter, laange - znw middelvinger

laaitern ww slaan

laam znw o. N lam

laambe, laamp(e) znw lamp

laampepoester(d) znw borsteltje; lis; uitgebloeide paardebloem

laand znw o. land

laandgebruker znw huurboer

laandhoud znw grote zonnehoed

laandjebloum(e) znw N,0 madeliefje

laandjer znw plattelander

laandnoabers znw buurboeren

 laandskaande znw Vk landzijde

laandsman znw landgenoot; plattelan­der

laange bw lang

laange zuiten, laange zuren znw appelsoort

laangs vz N langs

laank bnw lang

laank al bw allang

laank nat znw o. 'slap' vocht

laank overlet bw eindelijk

laank-en-benoa-nait bw lang niet

laankachteg bnw vrij lang

laankbaind bnw langbenig

laankbainder(d) znw langpootmug

laankbijnd bnw langbenig

laankbijner znw langpootmug

laankhaals znw lang persoon

laankhaalzen ww verlangen

laankhoard bnw langharig

laankhoes znw o. soort boeren voor­huis

laan kiezer znw o. ploegmes

laankmanstied bw langdurig

laankmanstieden, in - bw lang gele­den

laankmous znw o. boerenkool

laankneersd bnw traag

laan koet bw languit

laankpoot znw langbeen; langpoot­mug

laankpoter(d) znw langpootmug

laankstoald bnw voorzien v.e. lange steel

laankwaarpeg bnw langdradig; langwerpig

laankwams znw lang persoon

laankwieleg bnw langdurig; vervelend

laankziekeg bnw lang en vermoeiend

laankzinneg bnw lankmoedig

laankzuikeg bnw ongeduldig

laans vz langs

laar znw graszode

laarp znw brok; pas; geweldige slag

laarpen ww slaan

Laauw(e) eigenn Louw

Laauwde (in) [Laauwder] Laude O

laauwerd, te - bw loefzijde

laauwgat znw luiaard

laauwloene znw laks persoon

laauwloeneg bnw laks

labaaien ww kwaadspreken

lababbel znw oorvijg

labbe znw lap; oppervlakte

labberaaiern ww lijden aan

labberlötteg bnw ellendig

ladde znw lat

ladderg bnw wee

lade znw graszode

laf bnw laf; zouteloos

lafbek, lafscheet, lafsnoet znw lafaard

laggen, lagen ww lachen

laid bnw leed

laid znw o. lied

laidaanzegger znw aanspreker

laif bnw lief

laif znw O leeuw

iaifhebber znw liefhebber; belangstel­lende

laifhebberij znw liefhebberij; liefde

laifkebloum znw dubbel madeliefje

laifst bnw liefst

laigen ww liegen •tt: N laig-lugt, O laig-lógt, vt: loog

vdw: logen lugt > laigt; logt > laigt

laigenbaist znw leugenaar

laim znw leem

laimen bnw lemen

Iaimeneer, ons - znw onze lieve heer

laimeneerstiekje znw o. lieveheers­beestje

laimeneerstuutje znw o. lieveheers­beestje; lieveling

Lain eigenn Leentje

lain znw leen

Laindert eigenn Leendert

lainen ww lenen

lainen znw lening

Lains (in) [Lainster] Leens N

La int je eigenn Leentje

laip bnw leep; listig; ziekelijk

Laip eigenn Levi

laiperd znw leep persoon

Lais eigenn Elias

laisk(e) znw lies

laist bnw liefst

laist(e) znw leest; lies

Laite (in de) [Laitjeder] De Lethe O

laive znw liefste laiver bw liever

laiverd znw lieveling; mooie (zgn)

laiverlee, van -; laiverloa, van -; laiverloag, van - bw van lieverlee laiw, bonde - znw scholekster

laiwe znw leeuw

laiwebek znw leeuwebekje

laiwerik, laiwerke znw leeuwerik

lak en flak bw zgn. gewoon

lak of smak, gain - znw geheel zonder smaak

lakken ww lachen

lakkeris znw pijpdrop

lakschaauwen ww bespieden

lam znw o. lam

lamlötteg bnw lamlendig

lamlul znw beroerling

lamme(n)taaiern ww lamenteren

lammelötteg bnw lamlendig

lammenoadeg bnw kleingeestig; lam­lendig

lammerkeneuten znw grote hazelno­ten

lammerkommen znw o. voorjaar (rond begin april)

lammerkriegen znw o. lammeren

Lammert eigenn Lambert

lammert znw luiaard; schoffel (met schuine steel)

lammertled znw voorjaar (rond begin april)

lammerzaalern znw lambrisering

lampteern znw lantaren

lamstroal znw ellendeling

lamswaaide znw graasrecht (v.e. lam)

lamswans znw beroerling

lamzak znw ellendeling

land(sd)aauw znw landouw

landbaauw znw landbouw

landjer znw plattelander

landschop znw o. landschap

landzuchteg bnw uit op meer grond­bezit

lange(r)s vz O langs

langemanstieden bw langdurig

langen ww aanreiken; geven

langs, bie - vz langs

langzoam bnw langzaam

langzoam aan bw geleidelijk

langzoamscheet znw treuzelaar(ster)

lanskeboeren ww springend vooruit­gaan

lanteern znw lantaren

lanterg bnw verdrietig; vervelend

lantern ww soort kaarten

lap znw lap; oppervlakte; klap

lap(pe) znw tong

lap-op znw slaag

lapkekoopman znw manufacturier

lapkes znw manufacturen

lapkou k znw kantkoek

laplander znw bedrieger

lappe znw lap; oppervlakte

lappen znw kleren

lappen I ww het 'm leveren; slaan

lappen II ww lappen; breken (scherts.)

lappenlonten znw vodden; manufac­turen

lapperd znw bedrieger

lapperg bnw gemeen; vol lappen; slordig

lapperij znw bedrog; broddelwerk

lappieskoopman znw manufacturier

lapswaans znw beroerling

lapzaalven ww bewimpelen (fig.); kwakzalven

lapzaalver znw kwakzalver

lapzak znw ellendeling

lapzakken ww knoeierig herstellen

lapzakkerij znw smoesjes

lare znw graszode; hoeveelheid

lareg bnw flauw; niet lekker

laren en bellen znw zeer slechte kle­ding; slecht vlees

larreg bnw flauw; niet lekker

larrie znw larie

laren en bellen znw zeer slechte kle­ding; slecht vlees

larreg bnw flauw; niet lekker

larrie znw larie

larriefaks, larriefarrie znw larie

lask znw las; verbindingsstuk

lasteg bnw ongeregeld (opgekomen)

lat znw lat

lat, vrakke - znw soort kantkoek

latdailen znw schroten

latse znw las; verbindingsstuk

latte znw mager meisje

latveerdeg bnw vergeetachtig

lavverd znw lafaard

lavverij znw zottepraat

lawjbes znw W klap, oplawaai

lebabbel znw oorvijg

lebait bnw ziekelijk

lebbe znw oorlel

lebbeg bnw smakeloos

lebendeg bw regelrecht

ledder I znw ladder

ledder II znw N letter

ledderg bnw hangerig; vervelend

ledebreken znw zwaar werk

ledeg bnw goedgebouwd

ledemoaten znw ledematen

leden bw geleden; voorbij

leden znw ledematen

ledenbreken znw zwaar werk

leeftied znw leeftijd

leeg I bnw leeg

leeg II bnw laag

leegstamd bnw laag (van stam)

leegte znw laagte

Leek (op de) [Leekster] Leek W

leerderi] znw studie

leerkoamer znw catechisatiekamer

leer koepen znw leerlooierij

leerlap znw zeem

Leerms (in) [Leermster] Leermens N l

leers, leerze znw laars

leerskes znw dameslaarzen

lieerwaark znw o. le(d)ergoed

leesderij znw gedrukte papieren

leeuwerk, leeuwerk(e) znw leeuwerik

leeuwerken znw o. soort inwijdingsri­tueel

leg(ge) znw stro (v.e. dorsvloer vol)

lege znw o. laagte

legedeuzenwaark bw leeg

legelaand (in t) [Legelandster] La geland O

leger znw o. dorsplaats (v. koolzaad); • : Mzaadhoop

leger znw o. Leger des Heils

legerachteg bnw bedlegerig; liggend graan)

legerg bnw liggend (graan)

leggen ww leggen; liggen

leggen ww W liggen • tt: leg-leit vt: lag vdw: leid leid > legd

legger I znw leggende kip

legger II znw vloerbalk

leggerholtje znw o. gelukstol

legister, leguster znw liguster

leide znw leidsel

lek en brek znw allerlei fouten

lekkeris znw pijpdrop

lekkerij znw lekkage

lekkerroek znw eau de cologne

lekkertje znw o. zgn. mooie; smul­paap

lekkoazie znw lekkage

lekooi znw violier

lèl(le) znw babbelaarster; slordige vrouw

lèlk bnw lelijk; boos

lèlkens znw lelijkheid

lèlkerd znw lelijkerd

lellen ww luid zingen

lellen en bellen znw slecht vlees

Lèlns (in) [Lèlnster] Leilens N

lemperd znw klap; lang persoon

lempers, laange - znw lange benen

lemt znw o. lemmet

len(de) znw lende

lep I znw klep

lep II znw soort schoffel, spade

lepel(tje)blad znw o. herderstasje

lepeldaif znw herderstasje

lepels-en-vörken znw herderstasje

lepien znw lupine

lepken I ww nippen

lepken II ww tennissen (soort -) W

Lepterd (in) [Lepterder] Lettelbert W

lepuun znw lupine

leren ww leren; onderwijzen

leren znw catechisatie

leries znw slungel

lest bw laatst

lest(en)doags bw laatst

leste, op t -; lesten, ten - bw uiteinde­lijk

lesten ww tikken (als laatste)

lestent bw laatst

lesttled bw de laatste tijd

letten ww verzorgen

letterwies bnw ingevoerd (fig.)

leugenbaist, leugender, leugenpuut znw leugenaar

leunen znw leuning

leus, veur de - bw voor de schijn

leuterboksem, leutergat, leuterkoar znw leuteraar

leutje bnw klein(e)

leutjen, bie - bw langzamerhand

leuven ww O geloven

levaaiern ww laveren

leven(t) znw o. leven

leventeg bnw levendig; levend; waar­achtig

ievverd znw speelzieke hond; lafaard

lewaai znw o. lawaai; (pauze)teken

lewaaien ww lawaai maken

lezen ww lezen; voorlezen (preek)

libbe znw lip; uitsteeksel (a.e. balk)

licht bw gemakkelijk; misschien

licht znw o. nageboorte (van koe of paard)

lichten I ww optillen; minder erg wor­den; ged. lossen

lichten II ww bijlichten; licht worden; weerlichten

lichtkans bw wellicht lichtmoan znw lichte maan

lichtschain bw misschien

lichtveerdeg bnw lichtvaardig; losjes; licht hanteerbaar

lid I znw o. lid

lid II znw o. deksel

lidrusk znw paardestaart (plant.)

lie bnw vleiend

lied bnw leed

liedeik bnw toegefelijk

lieden ww pijn lijden; dulden; toe­staan •tt: lie-lidt vt: lee vdw: leden lidt > liedt

Iieder znw lijder; stumper

liederliek bnw liederlijk; mager

liedzoarn bnw geduldig

lief znw o. buik; lichaam

lief vol znw o. zoveel als men op kan

liefzeerte znw buikpijn; bezorgdheid

liegen ww W liegen • W tt: lieg-lugt vt: loog vdw: logen

liek bnw gelijk; quitte; recht

liek moaken ww betalen

liek, nait om - bw ongehoorzaam

liekbendeg bw ronduit

liekdoorn znw likdoorn

lieke bw even

liekedaaiern ww liquideren

lieken ww lijken

lieker znw liniaal

liekewel voegw evenwel

liekholtje, lieklatje znw o. liniaal

liekoet bw rechtuit

liekoet znw rechtuit persoon

liem znw o. lijm

lien(e) znw lijn; touw

lieneg bnw lenig

lienholtje znw o. liniaal

liepbek znw huilebalk

liepen ww huilen

liepenketrien, liepentrien, lieperd znw huilebalk

Iier(e) znw draaiorgel

liere, as n - bw gesmeerd (fig.)

lierken ww langzaam werken

liest(e) znw lijst

liester znw lijster

liester, swaarde - znw merel

liesterbaai, liesterbij, liesterkraal znw lijsterbes

lietjelaauw bnw lauw (eerder koud dan warm)

lietjelaauw znw O lui meisje

lieuw znw scholekster

lieverloa, van - bw van lieverlee

liggen ww liggen • W tt: lig-leit vt: lei vdw: leid (ei > lag

liggerij znw slaapgelegenheid

ligoam znw lichaam

lij bnw luw; zacht

ijaanzegger znw aanspreker

Lijas eigenn Elias

lijen ww luwen

lijmeneerstiektje, lijmeneerstuutken ww o. lieveheersbeestje

lijmeneertieke znw lieveheersbeestje

lijte znw luwte

Iinioal znw liniaal

linnenrik znw linnenrek; mager per­soon

lins bnw droog; vrij

linterij znw garen en band

ip znw lip; uitsteeksel (a.e. balk)

lipken ww nippen

liplapperij znw Mafjes

lippen ww lassen (v. hout)

 

lipzuit bnw zeer zoet

lits(e) znw lus; bretel

litsen, de - znw lichaam

liwer(ke) znw W leeuwerik

liwerbek znw leeuwebekje

loa znw la(de)

loaden ww laden

loaden znw lading

loag znw N la(de)

loag(e) znw laag; aantal

loaken znw o. laken

loakens bnw van laken

loan(e) znw menpad; laan

loat bnw laat

loatachteg bnw nogal laat

loaten ww laten • tt: loat-let vt: N lait, O luit, W liet  dw: loaten let > loat lobbaai,

lobbale znw O zuurtje

lobbe znw lel

lobbeg bnw dik (v. vloeistof)

locht znw O lucht

lochtbaal znw zuurtje

lod znw lel

lodde znw uitwas

lodder(d) znw sufferd

lodderaain, lödderaain, lödderin znw eau de cologne

loddern ww liggen luieren

lodeg bnw zwaar

loebes znw lobbes; lummel

loek bnw bedaard; slim

loek znw o. luik; gat

Loeks eigenn Lucas

loender znw o. bed

loenen ww passen; schikken

loens(k) bnw luimig

loer znw het loeren; mispunt; poets

loerangel znw mispunt

loeren ww loeren; dreigen

loes znw luis

loeter bw louter

loeter(d) znw lummel

loezebadje znw o. bad (goedkoop -)

loezebos znw persoon met ongedier­te; landloper

loezekaam znw stofkam

loggem znw hoge vlam; walm

loggemen ww walmen

loi bnw O lui

loieghaid znw luiheid

loiern ww luieren

loiterd znw lang persoon

loiwievenkost znw O meelkost

lok I znw o. gat; spleet

lok(ke) II znw o. wollegras

lok-mle-de-vent znw eau de cologne (scherts.)

lokkebrood znw o. lokmiddel

lokken ww O lukken

lollemansstip znw mosterd

lommerken ww eierspel (met pasen)

lompend bnw lomp

longern ww verlangend wachten

lood znw o. lood; schietlood; koffie-maat

loodzaand znw o. donkere zandgrond

looien ww hijsen (molent.)

looike znw o. arreslee

loop znw loop; diarree

loop-bie-de-huzen znw nieuwsgierige vrouw

loop-bie-de-weg znw hondsdraf

loopachteg bnw graag uitgaand

loophek znw box

loopke znw o. wandeling

loops(k) bnw loops; graag uitgaand

loopschoet, loopschuut znw praat­grage vrouw

loopsel znw o. loot

loopstaai znw schuilplaats in weiland

loopswien znw o. jong varken

loopswieze bw in het voorbijgaan

loopvraauw znw uitgaanstype (vr.)

loos bnw slim; ingenomen; eigenwijs

looske znw o. wijsneus

lopeldag znw uitgaansdag

lopen ww lopen; stromen; z. snel voortbewegen • tt: loop-löpt vt:

N laip O luip W liep vdw: lopen löpt > loopt

lopend(s) bnw lopend; stromend

loper znw schaatsenrijder

loperij znw schaatswedstrijd; verke­ring

lopiesvot, lopiesweg bw O in de loop; terloops

Loppersom (in) [Lopster] Lopper-sum N

lor I znw vod

lor II znw lel

lork znw O lange jongen

lort I znw oude lap; brok vuil

lort II znw sukkel

lorteg bnw sukkelig

lorten ww lenen

lorten en bellen, lorten en florten znw slecht vlees

lortjen ww lenen; zeuren

lös bnw los; vrolijk

lösachteg bnw vrij los

lösbandeg bnw los(bandig); vrij

Losdorp (in) [Lösdörpster] Losdorp N

löslieveg bnw in diarree

lot I znw o. lot (de fortuin)

lot II znw uitwas

lót znw fopspeen; domkop

löt znw o. lot (uit loterij); lot (de for­tuin)

lotje znw o. oorlel

lotjestip znw saus (op meelkost)

lotten ww loten

lötterij znw loterij

loug znw o. dorp, (kom v.h. -)

Loug, Groot - eigenn Groningen (stad)

lougen ww vlijen

loug ijver znw St flauwerik

lougslu znw dorpsgenoten

lougster znw dorpeling

lovelbaaier znw o. verlovingsbier

loven ww N,W geloven

lovverd znw lobbes; lomperd

lozaaiern ww logeren

lozeghaid znw eigenwijsheid; slim­heid

lözzen ww lossen

lu znw lieden; lui

lub(be) znw grote snee

lubbaal znw zuurtje

lubben ww snijden; castreren

lubbern, lubken ww nippen

lucht bnw licht

lucht znw N,W lucht

luchteg bnw vrolijk; koel

luchten ww bijlichten; branden (v. stro

luchter znw stro vuur

luddek bnw N klein; bedremmeld

Luddeweer (in) [Luddeweerster]Ludde weer O

luden ww luiden• tt. lu-ludt vt: N en O ludde W luudde

vdw: N en O lud W luud ludt > luudt; ludde > luudde; lud > luud

lui bnw N,W lui

luien ww hijsen (molent.)

luiens znw luiheid

luierken ww luieren

luierman znw soort schop

luiter znw lange vent

luitern ww talmen

luivraauwlu-eten znw meelkost

luk bnw klein; bedremmeld

lukken ww N,W lukken

lulbruier znw kletsmajoor

lulderij, lulkouk znw geklets

lullemanstip znw mosterd

lulmaaier znw kletsmajoor

luns, lunze znw spie

luppen ww snijden; castreren

lurpen ww lurken

lusterachteg bnw stil (in de natuur)

lustern I ww luisteren

lustern II ww fluisteren

lut bnw N,W klein

lut(t)ek bnw klein

lutje bnw klein(e)

lutje znw o. de jongste

lutje knecht znw jongste boeren­knecht

lutje maaid znw jongste meid

Lutje Oldambt eigenn Klei-Oldambt

lutje vent znw jongste boerenknecht

lutje vinger znw pink

lutjeke znw o. baby; iets kleins

lutjen, bie - bw langzamerhand

lutteg bnw klein; ziekelijk

lutters bnw blut

Lutters eigenn Luthers

luudruchteg bnw luidruchtig

Luuks eigenn Lucas

Luukswolle (in) [Luukswolmer] Lukaswolde W

luus en pluus znw klein ongedierte; vuil

luustern I ww luisteren

luustern II ww fluisteren

luutk bnw W klein

luwerke znw W leeuwerik

luzivèr znw lucifer

luzzen ww lusten

 M

 

maag bnw broeierig

maai znw mei

maai, nij znw 1 mei

maai, ol znw 12 mei

maaibloumpie(n) znw o. Vk madelief­je

maaid znw dienstmeid; meisje

maaier znw beklemde grondbezitter; huurboer

maaiern ww mieren

maaierske znw beklemde grondbezitster

maai knollen znw soort knollen

maaimoand znw mei

Maaindert eigenn Meindert

maaitied znw voorjaar

maaitieds bw in het voorjaar

maaivuur znw o. strovuur

maal bnw mal; boos; driftig; gek; ge­steld op; slecht

maal bw erg; zeer

maal znw o. gekte

maal appie znw zonderling persoon

maaldaarten bnw brooddronken

maalderd znw aansteller

maalfots(e) znw aanstelster

maalqeboren znw dwaas

maal hebbel, maalhibbel znw raar per­soon

maal hoede znw gekscherende vrouw

maaljoagen ww stoeien; gekheid ma­ken

maaljoagerij znw gekheid, scherts

maal kinds bnw gesteld op kinderen;kinderlievend

maal kop znw driftkop

maalkopt bnw driftig; humeurig

maalmeulen znw draaimolen

maalpeerd znw o. jong persoon

maalstoatsies znw aanstellerij

maaltweren ww gekheid uithalen

maalvreten bnw dwaas

maan, maande znw gemeensch. bezit

maan je znw o. N kereltje (vleinaam)

maank vz/bw tussen

maans bnw N rijk; sterk

maarg bnw broeierig

maark I znw O markt

maark II znw o. merk

maark III znw o. merg

maarken ww merken; opmerken

maart znw N markt

maauw(e) znw mouw

maauwen ww miauwen

maauwhemd znw o. T-shirt

machtspreuken znw bluf

madde znw mand; tas

maf bnw loom

magen ww N mogen; houden van; kunnen

maggei znw krabbel

maggeln ww slecht schrijven

maggen ww 0,W mogen; houden van; kunnen

maiden znw laag grasland

Maiden (op de) [Maidemer] Meeden O

maif znw O meeuw

mainen ww menen; bedoelen

mainen znw mening

mainen(, z.) ww z. verbeelden

mainscheer, mainschoar znw o. on­verdeelde wei

mainst bw meest

mainstekaans bw waarschijnlijk

mainsttied bw meestal

maintgeut znw grote greppel

maintjenaaiern, z. ww z. redden

Mais eigenn Meeuwis

maist bw meest

maitgeut znw grote greppel

maive; maiwe znw meeuw

maizeg bnw mat

makkelder bw makkelijker

makke brannekkel znw witte dovenetel

makkelk bnw gemakkelijk

maleghaid znw gekheid

malemeuien znw draaimolem

maien ww stoeien

malteraaiern ww pesten

man voegw/bw Ww maar

mandaileg bnw gemeenschappelijk

mandegoud znw gemeensch. bezit

mandei I znw mantel

mandel II znw amandel

mane znw gemeensch. bezit

manen ww samenwerken

mangel znw amandel

mangs bw O misschien

mank vz/bw W tussen

mankeliek bnw zwaarmoedig

manlu (volk) znw mannen

manmensk znw manspersoon

manne(goud) znw gemeensch. Bezit

mannekeperen znw soort peren

mannekop znw papaver

mannelk bnw sterk

mannelkte znw grootte

mans bnw rijk; sterk

Mans eigenn Herman(nus)

manskerel znw man

mantel znw amandel

mantje znw o. mannetje

mantjes znw grimassen

Martje eigenn Martha

martjen ww markten

Martini eigenn Martinitoren

masken, masten znw mazen

Mat eigenn Martha

mat znw O mand; tas

mat znw o. halve hectare

mats(k), matseg bnw loom

medde, eelske - znw Vk aanstelster

meder bw O sterker

meed lieden znw medelijden

meelderg bnw melig

meel ie znw o. medelijden

meeliedeg bnw medelevend; meelij­wekkend

meel klont znw meelkost

meel koekje znw o. biscuit

meer znw merrie

meerder bnw sterker

meerderman znw meerdere

meerlam znw o. nachtzwaluw

meert I znw bunzing

meert II, meertmoand znw maart

Meerten(t) eigenn Maarten

meetjen ww haasje-over-springen

meeuw znw meeuw

megoggel znw dikke vrouw

mei znw W mei

meid znw W meisje

mekaaiern ww mankeren

Mekkoa's raaize znw moeilijke tocht

mekrail znw makreel

mèl znw N melde

melaifke znw o. Old madeliefje

melerg bnw melig

meleur znw o. ongeval

melk bnw afgekalfd

melkenbrij znw brij van melk

melkentwijbak znw Jan Salie; melk en beschuit

melkoavend znw melkenstijd

melkvaaier, melkvaal, melkvoart znw melkplaats

melkwaarm bnw warm (als pas ge­molken melk); gunstig

melkzoeger znw dovenetel; kamper­foelie

mellen ww onnauwkeurig werken

mem znw W moeder

menaaier znw manier

menaar znw Vk manier

menailtjepeer znw soort peren

meneer znw borgheer; meneer

meneertuutje znw o. lieveheersbeestje

menèr znw St manier

meneuvels znw gebaren; uitvluchten; aanstellerij

mengen ww mengen • tt: meng-mengt vt: N en O mong, W

mengde vdw: N en O mongen, W

mengd menistenwitje znw o. scheefkelk; sneeuwklokje

Menne eigenn Menno

menneg vnw menig; veel

mennegsten znw datum (vragend)

mennen ww de teugels houden; ver­voeren; de oogst binnenhalen mennen znw menpad

mens(k) znw mens

mensk znw o. vrouw

menskeg bnw gesteld op mensen (v. dieren)

mensken znw men; mensen

Menskeweer (in) [Menskeweerster] Mensingeweer N

ment, as de - bw erg; vlug

Menze eigenn Menzo

mere znw merrie

meree znw o. moiré

meroakel bnw buitengewoon

meroakel znw o. mirakel

meroakelderij znw scherts

meroakels znw praatjes

mès znw o. mes

meschain, meschien bw misschien

mesester znw o. manchesterstof

mesien znw o. machine

mesjedde, mesjet znw manchet

mèsk, mest znw o. mes

mesk znw o. messing

messelswien znw o. mestvarken

mester znw meester

mester haarm znw toilet

mesterabt znw de baas

mestern ww breken; dokteren

mestvölder znw mesthoop

met vz mee; met

met znw o. gehakt varkensvlees

met, eelske - znw N aanstelster

meterbred znw o. dashboard

metérie znw etter

Metini eigenn Martinitoren

mette, eelske - znw Old aanstelster

mettereghaid, metterij znw aanstelle­rij

meu znw tante

meubel znw o. meubel; onhandelbaar persoon

meug(e) znw maat (etens-); smaak (zin)

meugelk bnw mogelijk

meugelkhaid znw mogelijkheid

meugen ww mogen

meuje, meuke znw tante

meuker znw moker

meukerg bnw verteerd

meulen znw molen

meu len hoes znw o. molenaars woning

meulenhörn znw wijk met de molen

meulenrou znw molenwiek

meulensloot znw molentocht

meulentje znw o. dagkoekoeksbloem

meulenwiek znw molentocht

meun znw soort voorn

meur bnw half vergaan

meurbroa znw lendenstuk (v.e. rund)

meuren znw eigenschappen

mevaaiern ww plagen; slaan

mezze znw mest

mezzebult znw mesthoop

mezzeln ww metselen

mezzels znw mazelen

mezzelswien znw o. mestvarken

middag znw middageten

middeg znw middag

middel bw midden

middelhoes znw o. deel v.e. boerderij

middelkerwies bw redelijkerwijs; waarschijnlijk

middel post znw sluitbalk

middelschot znw o. middenrif

middelsloot znw grote greppel

Middelsom (in) [Middelsommer] Middelstum N

middelste znw boerenknecht

middelsteek znw miltsteek

middelsukker znw basterdsuiker

middel vent znw boerenknecht

midden bw midden

midden maank vz te midden van

Midhoezen (in) [Midhoester] Meedhuizen O

midwilleg bnw dartel

midwilleghaid znw brooddronkenheid

Midwinter znw Kerst

Midwolle (in) [Midwolmer] Midwolda O

Midwolle (in) [Midwolmer] Midwolde W

miede znw Vk onweersbeestjes

mieden znw laag grasland

mieden, z. ww mijden; z. ontzien    tt: N en O

mie-midt, W mie-miedt vt: mee vdw: meden midt >

miedt mieds(k) bnw bescheiden

miedzoam bnw terughoudend

mieg znw urine

miegaimer znw mier

miegappel znw zeurpiet

miegein ww W motregenen

miegen ww urineren  tt: mieg-migt vt: meeg vdw: megen mieger, mieghommel znw mier

mieghummel znw mier; klein mans­persoon; rakker

miemern ww denken

mien vnw mijn

mienen ww mijnen (veiling)

mienen ww W menen, bedoelen

mienen(t) vnw de/het mijne

mier I znw afkeer

mier II znw muur (plant)

mier(e) znw ereprijs (plant); murik (onkruid)

mies bnw afkerig; boos

miesderd znw zeurpiet

miesderg znw troosteloos

miesgaster znw mispunt

miest bw W meestal

miet znw 0,W mijt; onweersbeestjes

mieter(d) znw valsaard

mieterg bnw niet lekker; slecht

mietern ww gooien; vallen; schelen

mieteroal tussenw tjongejonge

mieters bnw beroerd

mieters bw zeer

miethans znw valsaard

mietje znw aarzelaar

mietjefoek znw muggenzifter

mietoor znw valsaard

miezeg bnw onfris; ongezond; triest

miezeln, miezen ww motregenen

miezerg bnw onfris; triest

miggein ww motregenen

mij znw grasland

Mij (op) [Mijster] Uithuizermeeden N

mijden znw laag grasland

mijnst bw W meest

mik znw soort bolletje

mikmak znw rotzooi; ratjetoe

Milbert (in) [Milberder] Middelbert O

min bnw slecht; vervelend; ernstig ziek

minderman znw de mindere

minderzaaiern ww verminderen

 min hoed znw slechtaard

Minne eigenn Menno

minne znw slecht ding; slecht persoon

minnelk bnw tenger

minnen ww de oogst binnenhalen

mms(k) znw mens

minske znw o. oude vrouw

Minze eigenn Menzo

minzent, te - bw tenminste

mirreg znw N middag

mis znw mest, mestvaalt

misbrudsel znw o. misbaksel

misbult, misdöbbe znw mesthoop

mishebben, z. ww z. vergissen

mishotken, mishottjen, mishottjern ww mislukken

misken ww bemesten

miskennen ww niet goed kennen

miskielen ww mislukken

miskleureg bnw slecht geverfd; ver­kleurd

miskomen ww slecht bekomen

miskullen ww mislukken

miskwoam bnw dronken

mismasserij znw onenigheid; twist

mismoal znw ziekte-aanval

mismoudeg bnw mismoedig

misschain bw N misschien

misscheer, misschere znw grote mestschop

missen ww missen; verliezen

mistiek(e) znw mestkever

misvaal znw misstap; lager wal

miszain, z. ww vergissen,z.

miszetten, ain - ww iem. in verlegen­heid brengen

miszinnen, z. ww z. vergissen

mit bw mee

mit vz met

mit dat voegw doordat

mitte znw bed

mitterlichten bw 's ochtends vroeg

mitweren ww mee zitten (door 't weer)

miw znw N meeuw

mizze I znw mest; mestvaalt

mizze II znw miskraam; slechtaard

mizzelk bnw misselijk; onpasselijk; walgelijk

mizzem znw mesthoop

mizzen I ww missen; verliezen

mizzen II ww bemesten; uitmesten

mizzenk znw mesthoop

moa znw grasland

moade znw made (insect)

moagdje znw o. meisje

moager bnw koud (bij zoekspel); mager

moagerns znw magerheid

moager Oarend znw mager persoon

moakelder, moakeloar znw makelaar

moaken ww maken; opbrengen • tt: moak-moakt vt: N mouk,

O muik en maik, W moakte vdw: moakt mouk, muik, maik > moakte

moal znw o. hoeveelheid; maal

moalderg bnw malend; mul

moalen I ww fijn malen

moalen II ww zeuren

moan(e) I znw maan

moan(e) II znw manen

moand znw maand

moandag znw maandag

moanekop znw papaver

moanen ww aanmanen

moansedel znw aanmaning

moanzoad znw o. blauwmaanzaad

moar voegw maar

moar I znw o. natuurlijke waterloop

moar II znw o. grasland

moar III znw made (insect)

moaren ww kirren (duiven in paar­tijd); paren (v. vogels)

Moarhoezen (op) [Moarhoester] Maarhuizen N

moars znw achterste

Moarum (in) [Moarumer] Marum W

moarze znw achterste

moat I znw afmeting; maat

moat II znw makker

moat III znw made (insect)

moatje-aingoal bw gelijk

moatske znw maat (vr.)

modde znw zeug

moddeln ww morrelen

modder znw aarde (zwarte -), slijk

modderbeer znw vuilak

moddern ww modderen; zaniken

modderproeksel znw o. slijk

modderreuster, modderzeef znw aardappelrooster

mode znw mode

moe znw moeder

moed bnw W moe

moedens znw moeheid

moeien ww lastig vallen; spijten

moek, moeke znw moeder

moenen ww W moeten

moes I znw W boerenkool

moes II znw muis

moeskevoal bnw muiskleurig

moet znw indruk; merk

moet, ien e - bw W tegemoet

moeten ww W moeten

moetje znw o. moeder

moezenusten znw muizenissen

mof bnw muf

möf znw mond

mogelk bnw mogelijk

moi(en) tussenw goeiedag

moien ww lastig vallen

mok znw duif

mokkel(tje) znw lief kind; dik vrouws­persoon

mol(ie) znw mol

molboon znw paardeboon (ontkiemd en geroosterd)

molbult znw molshoop

mollebone, molleboon znw paarde-boon (ontkiemd en geroosterd); Stad-jer

mollen znw W molen

molt znw mout

molvanger znw jek

molverd znw lobbes

mommel znw mond; tand

mommeln ww met tegenzin eten; mompelen

mond-op-mond-poesten znw mond-op-mond-beademing

monden ww praten

mondgaauw, mondjegaauw bnw gebekt

mondjen ww goed bevallen; goed smaken

monkeln ww mompelen

monnen ww N moeten

monster znw o. knaap

monsterachteg bnw o. uitstekend (fig.)

mooi bnw mooi; netjes

mooi bw behoorlijk; nogal

mooichie znw o. Vk iets moois

mooie laifkes znw madeliefjes

mooieghaid znw moois

mooike znw o. N iets moois

moor znw o. moeras

moorden, z. ww z. afbeulen

moorder znw harde werker; wreed­aard (t.o. dieren)

moorke znw o. wollegras

mopperderij znw gemopper

mopperkoar znw mopperaar

mor voegw maar

mor znw moed; verstand

mor even bw nauwelijks

morgen znw morgen

mörgeneten znw o. ontbijt

mörgenglorie znw gele en blauwe morgenster; gele ganzebloem

mörgenman znw ochtendmens

mörgenvroug znw morgenochtend

mork znw slijk

mörn znw morgen

mörnvro znw N morgenochtend

morreln ww morrelen

morries znw moed

mosdoare(n) znw soort hommel

mosterdstip znw mosterdsaus

mot znw turfmolm; veegsel

mot I znw zeug

mot II znw pissebed

motblik znw o. stofblik

motblik en veger znw stoffer en blik

motgat, mötjeder znw mopperaar

mötjen ww mopperen

motschoet znw soort schort

motschop znw o. stofblik

motstaine, motte znw pissebed

motte-mit-biggen znw salomonszegel (plant)

motten I ww motregenen

motten II ww morsen

motten III ww mopperen

motterd znw mopperaar

motterg bnw regenachtig

mottern ww mopperen

motters znw O moppers

mottje bnw dood (scherts.); ervandoor

moud I znw moed; lust

moud II znw N mode

moude znw merkteken

mouder znw moeder

moudveren znw hanenstaartveren

moudveren (fig.) znw moed

mouer I znw vr. dier; moeder

mouer li znw moer

mouerg bnw humusrijk

mouke znw moeder

moureg bnw veenachteg

mous znw o. boerenkool

mousker znw groenboer

mouskerij znw moestuin

mout znw merkteken

mouten ww moeten • tt: mout-möt vt: mos vdw: mouten/móst

mout > mot;mouten > mötten/mónnen

moutwaark znw o. verplichting

movveg bnw muf

movveghaid znw mufheid

movveln ww moffelen

mozes znw boerenkool (scherts.)

mozzelgoud znw o. klein grut

mud znw N bunzing

mud(de) znw o. mud; landmaat (oude)

mudden ww opleveren (mudden -)

mug(ge) znw vlieg

mui bnw moe

muichie(n) znw Vk tante

muid, muide bnw moe

muide, in de - bw tegemoet

muideg bnw vermoeiend

muidelk bnw spijtig

muidens znw moeheid

muidzoam bnw vermoeiend

muie znw tante

muieg bnw spijtig

muieik bnw bedroefd; jammer; spijtig

muien ww lastig vallen; spijten

muike znw tante

muilek bnw moeilijk

muilen znw molen

muit, in de - bw tegemoet

muite znw moeite

muiten ww spijten; tegenhouden

muiten, z. ww z. spijten

muive znw mond

mukjes, te veul - hebben znw zeuren

mulder znw molenaar

mulderske znw molenaarsvrouw

mummeln ww mompelen

munnek znw monnik

munster znw o. monster

mure znw muur

muren ww metselen

murre znw o. mud

musk(e) znw mus

muur znw muur

muurbroa znw lendestuk (v.e. rund)

muurloes znw pissebed

Muzzel, De - (in) [MuzzelkerJ Mussel O

Muzzelknoal (op) [Muzzelknoalster] Musselkanaal O

 N

 

n lidw een

n Hoag pin Den Haag

na tussenw nou

naacht znw N nacht

naai znw naald

Naandel (in) [Naanster] Den Andel N

naanje znw wieg naanjen ww wiegen

naarboksem znw knorrepot

naarf znw nerf

naargens, naarms, naarns, naarnt bw nergens

naarpot znw knorrepot

Naarsie eigenn Bernard(us)

naarsk bnw N,W lichtgeraakt

naauw bnw nauw

naauw bw nauwelijks

naauwborsteg bnw kortademig

naauwnemend bnw lichtgeraakt

nacht(e) znw nacht

nachtbidder znw bedelaar

nachtendagke znw o. viooltje (plant.)

nachtkaarvel znw zwarte nachtschade (plant.)

Nachtmoal znw o. Avondmaal

nai bw niet

naichien znw o. nieuwtje

naichies znw Vk nieuwtjes

nai mand vnw niemand

nais bw straks

nais znw o. O nieuws

naisblad znw o. nieuwsgierige vrouw

nait bw niet

nak(ke) znw nek

nale znw naald

nander vnw O elkaar

nanen ww wiegen

nareg bnw O brommerig; humeurig; lastig; vervelend

naren ww plagen; vervelend schreien

naro znw mopperaar

narreg bnw N,W vervelend; knorrig

nasjen, nasken, nastern ww stelen

nathaals znw drinkebroer

natjen ww steeds regenen

nats(k) bnw vochtig

natte, natten znw natheid

natten ww steeds regenen

nattens znw natheid

na wel znw navel

neb(be) znw snavel; schaatspunt (over nèb pootje over schaatsen) neddel- voorv netel-

nedevreter znw gierigaard

neef ke znw o. steekmug

neerkaauwen ww herkauwen

neerloag znw nederlaag

neerloag, in - bw aan lager wal

neers, neerze znw aars

neetnek znw onaangenaam persoon

neetoor znw lichtgeraakt persoon

nefie znw o. Vk steekmug

negenoog znw steenpuist; dwarskij­ker

negern ww plagen

nek(ke) znw nek

nekjen ww N nekken

nekkebreker znw stroef plekje op glij­baan

nekken znw nek

nemen ww nemen• tt: neem-nemt vt: nam vdw: nomen

nemt > neemt nemen, z. ww z. gedragen; handelen

nemmen ww W nemen

neppen ww stelen; bedriegen

nereg bnw vlug

neren znw nering

netfing znw lusje (aan paardenhalsand)

netfinke znw maas (v.e. net)

netgeliek bw om het even

nettel- voorv netel-

neude I znw noot (vrucht)

neude II znw risico

neudeg bnw nodig

neudegen ww uitnodigen

neudelg bnw humeurig

neudeln ww brommen

neuden, van - bw nodig

neudzoak znw noodzaak

neugen ww uitnodigen

neukerg bnw klein

neuleg bnw humeurig

neulen ww O mopperen; zacht geluid maken

neulerg bnw humeurig

neumen ww N noemen

 neuren ww brommen; mopperen

neus znw neus

neusken ww rondneuzen

neut znw noot (vrucht)

neuteln ww brommen

neutenschaiten ww notenschieten

neutjen ww notenschieten

neuze znw neus

nevven vz naast; vergeleken met

nibbel I bnw bijtlustig

nibbel II bnw netjes

nibbeln ww knabbelen

nibbeitoons bnw met de knieën naar binnen; met de tenen naar binnen

nich bw Ww niet

nicht(e) znw nicht

niddel bnw lichtgeraakt

nied znw nijd

niedeg bnw ferm; nijdig

nieds(k) bnw afgunstig; driftig; kwaad; ijverig

niet bw W niet

nietjeboksem, nietjeder, nietjegat znw plaaggeest

nietjen ww plagen

nieveln ww inpikken

nievelteund, nieveltoond bnw met de tenen naar binnen

nij bnw nieuw; benieuwd

nijachteg bnw nieuw lijkend

nijachteg bw kortgeleden

Nijbert (in) [Nijberter] Niebert W

nijchie znw o. Vk nieuwtje

nijen ww benieuwen

Nij hoof (in) [Nijhoofster] Niehove W

nij-joar znw o. nieuwjaar

Nijkerk (in) [Nijkerker] Niekerk W

Nijkomnij (in) |Nijkomnijster] Nieuwe-Compagnie O

nijlaand znw o. omgeploegd grasland

Nijlaand (int) | Nij kindster] Westernieland N

Nijlaand (op t) [Nijlaandster] Oosternieland N

njjloatje znw o. nieuwheid

njjlootje znw o. nieuwheid; nieuwtje

nijmèlk(t) bnw pas gekalfd; nieuwmelks

nijmoods. nijmouds bnw modern

njjneers, Oagje - znw nieuwsgierig Aagje

nijs bw onlangs; straks

nijs znw o. nieuws

Nijsblad znw o. Nieuwsblad van het Noorden

nijsdoags bw binnenkort; onlangs

nijsies bw Vk pas

nijske znw o. nieuwtje

nijskes bw onlangs; pas

nijskesopheurder znw nieuwsgierig persoon

nijster znw naaister

Nijziel (in) [Nijzielster] Niezijl W

nikken ww knikken

nikkenakke znw O rug

nikkoppen ww knikkebollen

niknak znw lichaamsdeel (onbepaald-)

niknakkoekje znw o. soort chocolade­koekje

niksen ww niets doen

niksnut znw nietsnut

nip znw tik

nipjen, nipken ww nippen

nippel I bnw bijtlustig

nippel II bnw netjes

nippen ww plagen

nirt znw brompot

nirteg bnw knorrig

nirten ww plagen

nitterg bnw lichtgeraakt

nittjen ww N plagen

nivveltoond bnw met de tenen naar binnen

nkander vnw N,W elkaar

noa vz na; naar

noabaauweln ww imiteren

noaber znw buurman

noabergeliek bnw normaal

noabern ww buren zijn

noaberschop znw buurt

noaberske znw o. buurvrouw

noabranden ww herkauwen (fig.)

noad znw naad

noadail znw o. nadeel

noadat voegw nadat

noader bw nader

noagel znw nagel

noagelholt znw o. rookvlees

noagel n, deroet - ww vluchten

noageltjes znw appelsoort

noagoan ww nagaan; achter zijn

noagoand bnw gierig

noagras znw o. etgroen

noakend bnw naakt; arm

noakende wiefkes znw sneeuwklokjes

noakieken ww nakijken; nazien

noalopen ww nalopen; letten op

noam znw naam

noamelk bw namelijk

noamiddag znw middag

noanemend bnw fijngevoelig; zwaar­tillend

noar vz naar

noasnuustern ww doorzoeken

noast bnw/vz naast

noatied bw later

noaturelk bnw natuurlijk

noaturen ww aarden

noatuurlek bnw natuurlijk

noawoaren ww nazien

noazeggen ww nazeggen; beweren van

nobbel, op - bw ervandoor

nocht znw genoegen

nöchtern bnw nuchter; zonder erva­ring

nodeg bnw W nodig

noe bw W nou

noedel znw schatje (vleinaam)

noek znw luim; nuk

noekeghaid znw nukkigheid

noemen ww W noemen -of lek bnw W aangenaam, gezellig

noga znw noga; stamppot bonen -cherts.)

nok znw nuk

nokje znw o. duwtje

nokkeghaid znw nukkigheid

nokken ww voorzichtig schokken

nokkern ww geluiden laten horen (zacht)

nommerdag znw middag

non bw N nou; nu

noodweg znw landweg

noodziend(e), noodzijnd(e) bw :e>noods

noodzoak znw noodzaak

noodzoakelk bnw noodzakelijk

noor bnw noord(elijk)

noor znw o. het noorden

noord bnw noord(elijk)

Noordbrouk (in) [Noordbroukster] rdbroek O

Noorddiek (in) [Noorddiekster] Noorddijk N

Noordhörn (in) [Noordhörner]Noordhorn W

'oordloaren (in) [Noordloarder] Noordlaren O

Soordwiek (in) [Noordwiekmer] Noord wijk W

Noordwöl (in) [Noordwolder] Noordwolde N

noppen (op aarms) znw kippevel

norelk bnw noordelijk

nork znw onaangenaam persoon

norreg bnw brommig

norrel bnw brommerig

nosk bnw doodstil (i.d. natuur)

nöst znw o. nest, hoeveelheid

nöster znw neusgat

nosterd znw neus

nou bw nu

nözzeln ww nestelen

nucht znw W genoegen

nuf ken ww treuzelen

nuigen ww uitnodigen

nuigen znw uitnodiging

nuimen ww noemen

nuk znw nuk

nukken ww voorzichtig schokken

nukkern ww geluiden laten horen (zacht)

nulholtje znw o. gelukstol

numeg bnw schrander

numen ww W noemen

numen znw nukken

nummen ww W noemen

nums vnw niemand

nun znw non

nunen ww N neuriën

nuner znw kinderfluitje; soort schelp­je

nunern ww neuriën

nust znw o. nest; hoeveelheid

nustaai znw o. nestei; spaargeld; na­komertje

nustdotje znw o. nakomertje

nusterg bnw humeurig; verdrietig; verward

nusterpot znw knorrepot

nustjeschieter znw zeurpiet

nut bnw nuttig; waard

nutloane znw landweg

nutten ww baten

nutweg znw landweg

nuun, nuunder znw soort schelpje

nuunhoorn znw hoornschelp

nuuntjen ww neuriën

Nuus (in) [Nuusmer] Nuis W

nuver bnw N,0 aardig; flink; mooi; W raar

nu wel n ww treuzelen

nuzzelderij znw get reuzel

nuzzeln ww nestelen; treuzelen

 O

 

oabe znw aap

Oabel eigenn Abel

oabeldoedas znw klap; slag

oaber voegw evenwel; maar

Oabram eigenn Abraham

oadam-en-evoa znw witte dovenetel; monnikskap (plant)

oadel znw adel

oader znw ader; nerf

Oadòrp (in) [Oadòrper] Adorp N

oafrikoanen znw afrikaantje (plant)

Oagje nijneers znw nieuwsgierige vrouw

oak(e) znw aak

oakelk bnw akelig

oaker znw aker (emmer)

oakster znw ekster; schavuit

oal I znw els (instr.)

oal II znw paling

oalias znw plaaggeest

oaliazzen ww gekscheren

oalkopòftrekkeri] znw palingtrekkerij

oalraaiger, oaltoeker znw reiger

oam znw adem

oam, achter - znw buiten adem

oameg bnw kortademig

oamel znw emelt

oamen tussenw amen

oamen ww ademen

oam ias bnw manchesterstof

oanen ww vermoeden

oap(e) znw aap

oapeding znw o. prul

oapedriller znw opscheppertje

oar I znw aar

oar II znw ader

oard bw aardig

oard znw (o.) aard; genoegen; soort

oardeg bnw aardig

oardeg bw O, W tamelijk

oardeghaid znw genoegen

oarden ww aarden; welig groeien

oardzoam bnw groeizaam

oarend I znw adelaar

oarend II znw doffer

oart znw wilde haver

oas znw o. aas (in kaartspel); aas (prooi); lastig meisje

oasnek znw rakker

oast bw bijna

oavend znw avond

oavend, n oetgespierde - znw lange avond

oavends bnw 's avonds

oavensaaiern ww opschieten

oaventuraaier znw avonturier

oaventuren ww wagen

oaventuur znw o. avontuur; bezig­heid; hobby; kans oazem znw adem

oazem, gain - znw geen levensteken

obsternoat, obstinoat bnw driftig

odde znw domoor

odde, veur d' - znw voor het lapje

odder znw orde; order

oddernoatsie znw regeling

oef znw de laatste; overschot

oel(e) znw uil

oei bord, oelbred znw o. uilenbord

oelepetoet znw aanstelster; tegen­draads persoon

oelgevel znw uilenbord

oepke, n mooi - znw o. buitenkansje; verzetje

oest znw W knoest (in hout)

oet vz/bw N, Old uit

oet bw afgelopen

oet best bw om bestwil

oet de kiek bw uitmuntend

oet en deur bw door en door; gewoonlijk

oet gouder best bw om bestwil

oet orde(r) bw niet lekker

oet stuur bw overstuur

oet t stok bw uitmuntend

oet tied bnw overleden

oet zied bw opzij

oetbaauwen ww uitputten (v. grond)

oetbageln ww uitbaggeren

oetbedenken ww bedenken

oetbedenkseltje znw o. verzinsel

oetblieken ww blijken

oetboeken ww bol staan

oetbòien, z. ww z. uitkleden

oetboudeln ww in de kleren zetten

oetbozzeln ww uitborstelen; in de kle­ren zetten

oetbulen ww bol staan

oetbulen, der - ww ertussenuit gaan

oetdolen ww uit zich zelf genezen

oetdrift znw laan

oetduden ww uitleggen

oeterniedsken bw buitengewoon

oeterstee bw volstrekt

oetfietern, der - ww er hard vandoor gaan

oetfigelaaiern ww bedenken

oetgoan ww uitgaan; overlijden

oetham znw uithoek

oethoalen ww uithalen; uitlokken

Oethoezen (in) [Oethoester] Uithuizen N

oetholen ww uithollen

oetkiek znw uitkijk; gezicht

oetkielen, der -; oetklaaien, der -; oetklaauwen, der - ww er snel van­door gaan

oetkniepen, der - ww overlijden (pl;

oetkniezen ww stiekem uitlachen

oetlangen ww uitreiken

oetloopgoud znw o. uitgaanskleren

oetlopen ww uitlopen, kiemen

oetloper znw toonbaar kledingstuk

oetlopersboksem znw zondagse broek

oetmiender znw uitveiler

oetmienen ww veilen

oetnaaien, der - ww er snel vandoor gaan

oetoarder znw buitenbeentje

oetpoesten ww uitblazen

oetpoeten ww naar buiten sijpelen

oetragen ww uitschelden

oetrakken ww opruimen

oetredden ww uitkammen

oetree znw laan

oetrieten, der - ww er snel vandoor gaan

oetrooien ww uit zichzelf genezen; uitroeien

oetschaiten ww uitschieten; voor­schieten

oetscheren, z. ter - ww opgeven (spel)

oetscheuren ww uitscheuren

oetscheuren, der - ww er aan over­houden

oetschottern ww uitschateren

oetsen ww plagen

oetsiepeln ww uitsijpelen

oetslag znw uitslag; vakantie

oetsliepen ww uitjouwen

oetsloapen (, z.) ww uitslapen

oetslupen ww wegglijden; wegglip­pen

oetsnieden, der - ww er snel vandoor gaan

oetsnoeven, oetsnuden, oetsnutenww snuiten

oetspaiken ww scheuren (door droogte)

oetspieren ww uitspruiten

oetspringen, z. ww z. uitleven

oetsteken ww leeg drinken; uitsteken

oetstokken ww uitleggen; vertellen

oetstokseln ww vertellen

oetstubben ww afstoffen; in de kleren zetten

oettrekken, z. ww z. uitkleden

oetvetern ww uitschelden

oetvige/aaiern ww uitdenken

oetvoart znw laan

oetvòskern ww uitvissen

oetwaiden ww uitwieden

oetwazen ww uitspruiten; volwassen worden

Oetwier (in) [Oetwierder] Uitwierde O

oefwieren ww luchten

oetwiezen, z. ww blijken

oetwozzen bnw volgroeid; volwassen

oetzudeln ww venten

oetzudeltjen ww prakkiseren

òf bw versleten

of voegw of

òf vz af

òf- voorv af-

òfbuien ww opklaren

òfdraai znw bocht (in kanaal)

offrontaafern ww slecht behandelen

òfgerakkerd bw buitengewoon

òfgeschaaiden bnw afgescheiden; gereformeerd

òfgetrokken bnw teruggetrokken

òfgeval znw o. afval

òf geven ww afgeven; veroorzaken òf geven, z. ww opgeven (spel) òf gries znw afgrijzen

òfgruwelk znw afschuwelijk òf gunst znw afgunst

òfhaandjen ww verzoenen

òfhoedjen ww onthuiden

òfjacht znw standje

òfkaalven ww aflopen

òf keer znw afkeer

èfklounen ww afwinden (v.e. kluwen)

òflangen ww bezorgen

òflopen ww aflopen

òflopen bnw afgelopen

òfmoaken ww uitmaken

òfnaasken, òfnasjen ww ontfutselen

òfnieveln ww inpikken

òfpaarten ww verdelen

òfproaten ww afspreken

òfraais znw vertrek

 

òfraaizen ww vertrekken

òfravveJn ww afraffelen òf redden, der -;

òfreupen, der - ww er aan overhouden

òfriggeln ww omheinen

òfrovveln ww afraffelen; afsnauwen

òfsaaiern ww geen melk meer geven

òfsakkedaaiern ww weggaan

òf scheren, z. ww opgeven (spel)

ofschoon (aal -) voegw ofschoon

òfschunen ww schuin maken; hellen

òfstand znw afstand

òfsteker znw stekje òfstubben ww afstoffen

òftak znw splitsing (v. wegen), aftak­king òf takken ww verminderen; zakken (met eisen); splitsing van wegen

òfteppen ww W plukken

òftiggeln ww afranselen

òftjoenen, òftjoeren ww afpakken

òftoeken, òftokken ww aftroggelen

òftraauwen ww scheiden (v. huwelijk)

òftreden ww meten

òftrekken ww aftrekken, masturberen

óftroeveln ww afranselen

òftroggeln ww aftroggelen

òfvaargen ww eisen

òfval znw o. afval

òfvalen ww afvallen; tegenvallen

òfwalen ww afsteken (v.e. wal)

òf zetsel, òfzetter znw (o.) stekje

òfzetter znw afzetter

òfzolten, òfzoltjen ww afschepen

oge znw o. kiem (in aardappel); oog

ogelk bnw netjes

ogenbekeukelderij znw goochelarij

ogenblik(ken), aal - bw telkens

ogendainder znw vertederend kind (door oogopslag); vleier

ogen kost bnw mooi om te zien

ogenslag, ogenstond znw o. ogenblik

ogen verkeu kelderij znw goochelarij

ok voegw W ook

okse znw domoor

okster znw N ekster

òl znw o. kind (vleinaam); moedertje (vleinaam); Old ouwe (aanspr.)

old bnw oud; vervelend

olden znw ouders

olden tot kolden, van - bw eindeloos

Oldenziel (in) [Oldenzielster] Oldenzijl N

older znw o. (hoge -) leeftijd

olderliek bnw ouderlijk

olders znw ouders

olderwereldsk bnw ouderwets

olderwets bnw ouderwets; vroegwijs

oldgeborentje znw o. vroegwijs kind

olds(k) bnw ouwelijk

oldske znw o. moeder; oudje (vlei­naam)

oidvoeld bnw vroegwijs

ol heer znw vader

Ol hoof (in) [Olhoofster] Oldehove W

oljoar znw o. oudejaar

Ollekerk (in) [Ollekerker] Oldekerk W

ollen tot kollen, van - bw onafgebro­ken

Ollerom (in) [Ollerommer] Ulrum N

ollu znw ouders

olmèlk bnw oudmelks

ol Pait znw duivel

Olschanze (in) [Olschansker] Oudeschans O

Olschip, t - (op) [Olschipster] Oudeschip N

Olsde (in) [Olsder] Ulsda 0

ol vint znw duivel

olwiefkenijs znw o. familieberichten

olwieveknup znw slechte knoop

olwievenais znw o. familieberichten

olwievetonen znw tuinbonen

om voegw want

om vz om; om ... te halen; rond

om en bie bw ongeveer

om roak bw geducht

omaandern ww ruilen

ombaalgen znw ballast; onkruid; rotzooi; vuil

ombakkeln ww zeuren

om batterijen ww van gedachten ver­anderen

omboeien ww W verkleden

omboeren ww voorbereidend uitdelen (v. kaarten)

ombòien ww verkleden

omdauweln ww rondslenteren

omdeel, omdèl bw omlaag; naar be­neden

omdenken ww nadenken

omdenken znw medelijden

omdiedeldaantjen ww flierefluiten

omdoameln ww lanterfanten

omdraai znw bocht (in kanaal e.d.)

omdrlft znw ploeggang (vice versa)

omgeven ww ronddelen

omgeven znw omgeving

omgeven, z. ww z. bekeren; z. om­draaien

omgooien ww slopen

omgroaven ww spitten

omheuren ww informatie inwinnen

omhoal znw omhaal

omke znw o. oompje

omklaiden, z. ww z. verkleden

omklokkern ww vertroetelen

omkoereln ww liefdevol verzorgen

omkontjen ww onhandig zijn (met iets); zeuren

Omkool eigenn Dinges

ommaans hebben ww doen, mee be­zig zijn

ommejas, ommejès bnw manchester-stof

ommeneden bw omlaag, naar bene­den

ommeroak bw W geducht

ommevruten ww W omwroeten

omreden (dat) voegw omdat

omrezelvaaiern ww van plan verande­ren

omroak(s) bw geducht

omschutter znw sluismeester

omstel znw o. drukke voorbereidingen

omstellen ww een plan veranderen

omstoan leren ww leren te gehoorza­men

ompie znw o. Vk oompje

omraais bw op de terugreis

omraais znw terugreis

omstok znw o. (hele -) snee rogge­brood

omsunt bw gratis

omswinden ww rondzwerven

omswinder znw landloper, zwerver

omseren ww W opschieten

omsnee znw (hele -) snee roggebrood

omstalen leren ww leren te gehoorza­men

omtiggeln ww afranselen

ompaailen mit ww liefdevol verzor­gen

ompaarten ww ronddelen

ompapmelen mit, ompelen mit ww .iefdevol verzorgen

omtocht znw ploeggang (vice

omnaiten ww afranselen versa); rondreis

ommoi, ommui znw ruzie

omtrekken, z. ww z. verkleden, z.

omzeumen ww afranselen

omzwiener znw,W landloper

on bnw oneven

onbegripzoam bnw hardleers

on beleerd bnw ongeoefend

onbeschoft znw onbeschaafde

on bestekkelk bnw onbesuisd

onder... weg bw gedurende

onder tied dat voegw terwijl

Onderndaam (in) [Onderndamster] Onderdendam N

ondersloagen ww verduisteren achterhouden)

ondertied bw inmiddels

onderwegens bw onderweg

ondeude znw kattenkwaad; ondeu­gend kind

ondeugd(e) znw ondeugend kind

onduchteg bnw onklaar

onfersounlek bnw onfatsoenlijk

ongeaargd bnw argeloos

ongedoan bnw niet in orde; onge­daan; ontdaan

ongeduld znw ongeduldig persoon

ongel znw rundvet

ongeliek bnw wisselend

ongelieke  bw niet even –

ongemak znw o. ongemak; ongedier­te; vuiligheid

ongetroost bnw onverrichterzake

ongeveer(t) bw ongeveer

Ongkool eigenn Dinges

ongoadelk bnw onvoordelig

ongoal bnw oneffen

ongoarlek bnw onvoordelig

ongoud znw o. ongedierte

onhebbeg bnw smerig

onhuur bnw vuil

onkroed, onkruud znw o. onkruid

onliedelk bnw slecht

onmak bnw wild (druk)

onmeugelk bnw onmogelijk

onmeugelk nait bw volstrekt niet

onmeugend bnw onfatsoenlijk

onmis bnw verkeerd

onmooi znw onenigheid

onnaaiern ww overwegen

onnask bnw inhalig

Onnen (in) [Onner] Onnen O

onnen(t) vnw de/het onze

onneren ww W overwegen

onneude bnw onnodig

onneuzel bnw onnozel; buitenge­woon; klein; treurig

onneuzelhaid, onneuzelns znw onnozelheid

onnibus znw autobus

onnut bnw nutteloos; verkwistend

onnut znw nietsnut

onnuur bnw vuil; slecht; enorm

onoabel znw slechterik

onrecht bw averechts

onredzoam bnw niet zelfredzaam

onroadjen ww verstoppertje spelen

ons lai meneer znw onze lieve heer

onsjoch, onsjuch bnw W slordig

onstumeg, onstuum bnw onstuimig

onstuur, in - bw onstuimig

onthold znw o. geheugen

ontholden ww onthouden

ontholdsk bnw goed onthoudend

ontjonterg bnw lomp; ongemakkelijk

ontkomen ww ontkomen; mislukken; ontglippen (uit de mond); vergeten

ontong znw bladeren v.d. paarde­bloem

ontproaten ww uit het hoofd praten

ontront(e) znw onding; onmens; lomp persoon

ontronteg bnw onbehaaglijk; onbe­schaafd

ontsloagen ww ontslaan

onverdachts bw onverwacht

onverdrutzoam bnw onverdroten

onverneuden bnw onnodig

onverstand znw o. domoor

onverzains bw ongezien; onvoorzien

onverzeddelk, onverzettelk bnw onverzettelijk onvoeg,

onvoug bw erg

onweerstuutjes znw W onweersbeest­jes

onweersvogel znw meeuw

onwereg bnw onstuimig

onwieze znw dwaas

onwis bnw onzeker

onzen(t) vnw de/het onze

onzuit bnw onaangenaam

onzuun bnw vuil

oog znw o. kiem (in aardappel); oog

Oog eigenn Rottumeroog

oogdoppen znw oogkleppen; oogle­den

ooggroot, gain - znw niets

ooghoar znw o. wimpers

oogmaark znw o. doel; inzicht

oogvol bnw ogend

oogwaaide znw iets opvallends

ooi znw N,W ooi

ooievoar znw ooievaar

oom Kool eigenn Dinges

oord znw o. uiteinde

oordail znw o. oordeel(svermogen)

oorspinze znw vervelende vrouw

oortiek, oorwurm znw oorworm

oorzaip znw oorsmeer

oorzoak znw oorzaak

oost znw o. het oosten

Oost-èn, t - (op) [Oost-ènster] Oosteinde N

Oost-lnje (op) [Oost-Injer] Oost-Indië W

oosten znw o. het oosten

oosterd znw oostereind

Oosterhogebrug (op) [Oosterhogebrugster] Oosterhoogebrug O

Oosterwiewerd (in) [Oosterwiewerder] Oosterwijtwerd N

Oostum (op) [Oostumer] Oostum W

Oostwold (in) [Oostwolmer]Oostwold 0,W

ootje znw oma

ootjezegger znw kleinkind

op vz na; op; te (bij sommige plaatsn.)

op ... aan vz naar

op haand, op slag, op stond(s) bw direct

op tied bw op tijd; vroeg

op zied bw aan de kant

op-ain-noa-leste znw voorlaatste

opaarbaiden ww harder werken

opakkern ww ophoepelen

opbaargen ww opbergen

opbaargen, z. ww gaan slapen

opbedenken ww bedenken

opbedenksel znw o. verzinsel

opbewoaren ww bewaren

opbòien ww netjes aankleden

opborstjen ww wedijveren

opbozzeln tegen ain ww wedijveren met iem.

opbrengen ww opbrengen; opvoeden

opdienen ww dik worden

opdoun, z. ww z. mooi voordoen

open ww openen

opens, opente znw ruimte

opflikken ww opknappen (maken)

ophemmeln ww schoonmaken

opheuren ww vragen naar aanwe­zigheid van

opins bw O opeens

opkeren ww tegenhouden

opklaiden ww netjes kleden

opklandern, opklundern ww opknap­pen (maken); herstellen (v. ziekte)

opkraben ww herstellen; opkrabbe­len

opkròzzen ww afnokken; opkrassen

oplappen ww opknappen (maken)

oplebabbel znw slag

opleggen ww schaatsen in gelid

opleksen ww vertellen

oplichten, oplochten ww doen of gaan branden

oplontjen ww O in brand steken

oplopen ww collecteren; vlug lopen; oplopen

opluchten ww doen of gaan branden

opmis bw misschien; soms

opmuiten ww opwachten; tegenhou­den

oppeerdjen ww stimuleren

opree znw weg (naar boerderij)

opregen ww flink regenen

opreukeln ww oprakelen

oprit znw weg (naar boerderij)

opsaaiern ww grootbrengen (zonder moedermelk)

opschieren ww verfraaien

opschoavern ww opeten (vnl. van fruit)

opschoustern ww verzamelen

opschuddeld bnw opgescheept

opschunen ww opstoken

opsloagen ww opslaan; groeien (zonder zaaien of poten); opgieten (v. koffie)

opsmieten ww opbrengen

opsniddern, opsnittern ww opbakken

opstaauwen ww opstuwen

opsteukeln ww opstoken

opstrekkend bnw z. in volle lengte uitstrekkend (heerd)

opstupen ww opstoken

optakken ww beteren; toenemen (in aantal)

opterpoe bnw opgetogen

optugen ww optuigen; netjes aankle­den; wedijveren

opvòrken ww opsteken; opstoken

opvouden ww opvoeden

opwaiten loaten ww bericht v. verhin­dering sturen

opweren ww opklaren (weer)

Opwier (in) [Opwierder] Opwierde O or I znw o. O meisje or II znw o. oer

oraanje bnw oranje

orbedor znw ruig en opvliegend per­soon; helleveeg

ordelk bnw ordelijk

ordentelk bnw netjes

ordern ww regelen

orgel znw o. orgel

orgelist, òrgenist znw organist

ork znw onaangenaam persoon

orke znw o. klein kind; meisje

orkebeer znw gesneden beer

orre znw o. meisje (vervelend -)

orreg bnw N aardig

ort znw kwajongen

òrt znw o. etensrest

ortbeer znw gesneden beer

òrten ww restjes maken

ortjebeer znw gesneden beer

os znw os

Oskerd (in) [Oskerder] Usquert N

otte znw domoor

òttje znw o. etensrest

òttjen ww restjes maken

oust(e) znw knoest (in hout); kiem (in

aardappel)

ousterd znw lelijkerd

oustje znw o. borrel

ou zeg bnw vuil

ovent znw oven

over zied bw opzij

overaal bw overal

overbaauw znw extra('s)

overbetern ww overgaan

overdag bw bij dag; door de week

overeerstjen ww verdringen v. eerste plaats (iets of iem.)

overgeven ww opgeven (plannen);

overhoal znw ongeluk

overkomen ww bezoeken

overkomen ww overkomen

overlieden ww overlijden

overlopen ww op heterdaad betrappen

overlopen ww overlopen

overloper znw luis (scherts.)

overoameg bnw buiten adem

overoameg bw overhaast

overschaiter znw soort jakje

oversnoever znw betweter

overtou komen ww op het juiste moment komen

overver, van - bw van ver

overzjed bw scheef

ovver znw o. offer

ozze znw os ozzeg bnw dom; nors

 P

 

paaien ww kieskauwen

paai jakken ww rondsjouwen

paail znw o. peil

paailen ww peilen; zorg besteden aan

Paalmpoask(e) znw Palmpasen

paan znw pan; dakpan

paandekt bnw bedekt met dakpannen

paardie, paardij telw sommige

paark znw o. park; perk

paarkhinken, paarkjehinken ww hinkelen

paars bnw paars

paars znw pers (apparaat)

paart znw o. deel

paarten ww gelijkelijk delen

paarze znw pers (apparaat)

paarzek znw perzik

paarzen ww persen

paauw(e) znw pauw

paauwen ww stappen (met grote passen)

Paauwen (op) [Paauwster] De Paauwen O

pabbe znw papa; vader

pad znw o. pad; weg

paddestoul znw paddestoel

padliggers znw soort snijbonen

pad loper znw kuifleeuwerik

padschieter znw strontje

padschovvel znw soort tuinschoffel

padstoul znw paddestoel

paf ken ww roken

Paider eigenn Pieter

Paiderboeren (in) [Paiderboerster] Pieterburen

paik znw piek

Pait eigenn Piet

Pait lut znw onnozele hals

Paiter eigenn Pieter

Paiter, dreuge - znw vervelend persoon

Paiter, zunege - znw zuinig persoon

paitereulie znw petroleum

Pafterke eigenn Pietje (vr.)

Paitje eigenn Pietje

Paitje veuraan znw haantje de voorste

pak iepe, pak-op-pins, pak haauw(e) znw pak slaag

pakdaarm znw endeldarm

pakdouk znw luier

pakjederij znw bagage

pakjedroager znw bagagedrager

pakjeleggen ww soort kaartspel

pakkedaarm znw endeldarm

pakkelarrie znw rommel

pakkeloazie, pakkerij, pakkoazie znw bagage

pait znw oud lap; vod

palteraksie znw rommel; wildernis

palterg bnw haveloos

palternaksie znw rommel; wildernis

pampier znw o. papier

pand znw o. pand; onderhoudsdeel

pandiezen ww razen

pandiggel znw scherf (v. pan)

pane znw pan

pangelder znw sjacheraar

pangeln ww handelen; ruilen

pan kou k znw pannenkoek

pankoukspaan znw koekenpan

pantovvel znw pantoffel

pappe znw papa

pappegoai(e) znw papegaai

papperg, paps(k) bnw papperig

parredies znw o. paradijs

parrediezen znw appelsoort

pas, te - bw van pas

Pasop (op de ) [Pasopster] Pasop W

passezier znw passagier

pastelaain I znw o. porselein

pastelaain II znw o. postelein

pasteri] znw pastorie

pazen ww passen

pazzipant znw kameraad; makker

pebaaier, op - znw op proef

pebaaiern, peberen ww proberen

pedde znw pet

pedoal znw o. pedaal

peer znw peer

peerbieter znw soort insect

peerblom znw paardebloem

peerboon znw paardeboon

peerd znw o. paard

peerdebloum(e) znw paardebloem

peerdenbaisten znw paarden en koeien

peerdenseeske znw o. monnikskap plant.)

peerdewaark znw o. zwaar werk

peerdjen, peerdken ww aansporen; omgaan met paarden,

peerdmantje znw o. libel

peerdokter znw veearts

peerheer znw nachtzwaluw

peeriezer znw o. hoefijzer

peerkerel znw paardenhandelaar; p aardenliefhebber

peerstaal znw paardenstal

pefester znw professor

pegel znw o. peil

pegeln ww onderzoeken

pen ui znw drukte (leven)

pehuimoaker znw druktemaker

Pekel, Nij- (in) [Nij-Pekelder] Nieuwe Pekela O

Pekel, 01- (in) [01-PekelderJ Oude Pekela O

Pekelder Hollands znw halfbakken Nederlands

pelzaaier znw o. plezier

pendoal znw o. pedaal

pengeln ww morsen

Penne, De - (in) [Penjemer] Opende W

pennenzestien znw gierigaard

pens znw lichaam (plat)

penzioun znw o. pensioen

peraaiern ww z. voordoen

perboat bnw probaat

pere I znw o. paard

pere II znw peer

perfester znw professor

perfiedelk bnw voordelig

perfiet znw o. profijt

perförs bw volstrekt

permizje(W), permizzie znw toestemming

permoters znw heerschappij

perooi bw geregeld

persès znw o, bekeuring

persies bnw precies

persieske znw o. precies persoon

pertansie znw belang

pertij znw partij

pervisie znw provisie

pestoorske znw domineesvrouw

pestuur znw postuur

pestuur, oet - bw niet in orde

pet 1 znw pet

pet II znw W gegraven veenplas

petatter, petetter znw optater

petjemaart znw o. avond vóór kermis

petoater znw optater

petret znw o. raar mens; portret

petries znw patrijs

petreu I ie, petrol ie znw petroleum

petuur znw deel; gelijke partij

peuk znw klein ventje

peukelg bnw pukkelig

peukeitje znw o. pukkeltje

peul(e) znw kussen

peulings znw Old handen

peune znw O schop (handeling); slag, mep

peuter znw klap; hoeveelheid

peutern ww iets intensief doen

pidde znw pit

piebe znw pijp; fluit

piebezjedjen ww N verstoppertje spelen

piek znw o. kuiken; kip

piel(e) znw pijl

pielebooq znw boog (schietwapen)

pielk znw kuif, lok

pielken ww tevoorschijn komen

pielkerg bnw opstaand (v. haar)

pielkevanger znw schuifje (in het haar); haarspeld

piemel znw kleine

piemeln ww langzaam werken; slecht eten

pien(e) znw pijn

pienappel znw gierigaard

pienlek bnw pijnlijk; zuinig

piep(e) znw pijp; fluit

piepen ww piepen; verstoppertje spelen

pieperke znw o. N,W teer kind

piepeschoft znw korte pauze

piepkaan znw zuigfles

piepke znw o. oostindische kers

piepken ww pijproken

piepkenail znw o. kaneelstok

pieppreukel, pieppreukelder, piep-reukel znw pijpuithaler