Gronings - Nederlands
Dit is ingescand met "OCR " dus daar kunnen wat kleine foutjen in zitten!
E-mail mij even als er fouten in zitten.
|
aacht(e) telw acht aai znw o. ei aaiber(d) znw ooievaar; lang en dun persoon aaiberbek znw gele lis aaiberbloum(e) znw gele lis aaid bw altijd aaid(e) 7.nw egge aaiden vw eggen aaidoor znw eierdooier aaierjong zwn'jongste knecht aaierproem(e) znw grote pruim Aailaand eigenn Schiermonnikoog aailaand znw o. eiland; land tussen 'wieken' (Vk.) aailoof znw o. klimop aais(k) znw eis aaisen, aaisken ww eisen aal bw voortdurend; wel aal vnw al(les); ieder; iedereen aal znw o. het al aal hou voegw hoe ... ook aalaan bw voortdurend aalbaaiden(t) vnw allebei aalbeer(n) znw rode-, witte-, zwartebes aalbegeer znw hebzuchtig persoon Aalbert eigenn Albert aalbert znw kikker Aalbert, maal znw raar persoon aalbestel znw bemoeial aalder- voorv aller- aalderwegens bw overal aaldeur bw voortdurend aaldoags bnw gewoon aalgedureg bw voortdurend aalgemain bnw algemeen aalhouwel voegw alhoewel aalman vnw allemaal aalmeugend bw erg aalmoal, aaipmoal vnw allemaal aals bw veel aals, in - geval bnw in ieder geval aaltemet(s) bw misschien; soms aaltemit bw misschien; soms aaltemoal vnw allemaal aaltenbliksem vnw allemaal (grof) aaltendonder vnw allemaal (grof) aaltenduvel vnw allemaal (grof) aaltied(en), aaltieten bw altijd aalvot, aalweg bw voortdurend aan vz. aan; bij; bijna; tot; voortdurend aan ... tou vz tot aan tou bw bijna zover aanaarbaiden ww doorwerken (tot 't einde toe); vlugger werken aanaargern ww verergeren aanbakken ww kleven aanbegun ww o. het eerste begin aanbelanden ww belanden aanbelangen ww betreffen aanbetern ww langzaam beteren aanbetraauwen ww toevertrouwen aanbieten ww beginnen te bijten aanboeien W, aanböien ww aankleden aanbougen ww zwaar lopen aanbrengen ww aanbrengen; opleveren aander bnw ander; tweede; volgend aanderdoags bw de volgende dag aanderkaant vz aan de andere kant aanderman, n - um een ander (persoon) aanders bnw ontroerd aanders bw anders; echter aandij znw groei aandoan bnw ziek aandoeken ww knuffelen aandoenen ww dronken maken aandoun ww treffen (fig.) aandroager ww verklikker aaneerden ww aarde brengen over aanfietern ww opschieten aangoan ww beginnen; doorgaan; tekeer gaan aanhemmeln ww schoonmaken aanhold znw gezellige omgang aanjuk znw o. zwaarste last aankeuvern ww sparen (geld -) aankiek ww uiterlijk aankieken ww afwachten aankittjen ww aansporen; klikkIakken aanklaiden ww aankleden (dagelijks, in O ook voor bijzondere gelegenheden) aankomen ww aanraken; beginnen; getroffen worden (fig.) aankomend bnw nog niet volwassen aankrummeln ww erbij aantikken aanlaaiden znw aanleiding aanlangen ww geven aanlopen ww aantikken (fig.); gedekt worden (schapen) aanloper um zwerfkat; luis (scherts.) aanmoaken ww opschieten aannemelk bnw aannemelijk; leergierig; plezierig (in omgang) aanpeerdjen ww stimuleren aanpoken ww besmetten; opstoken (fig.) aanpoten ww besmetten aanprietjen ww opdringerig aanprijzen; opdringen aanrandjen ww aanklampen aanredden ww aankleden aanrekomdaaiern ww aanbevelen aanroaken ww iets overeenkomen aans bw anders aans voegw als aans om bw op de andere zij aanscheren, de gek ww voor de gek-houden aanschrieven ww aansporen (schrift.); opschrijven aanslag znw nieuwe buitendijkse grond; werk aanslimmern ww verergeren aansteken ww aansteken; aandoen; besmetten aanstel znw aanstellerig persoon aanstellen ww aanstellen; aanschaffen aanstoken bnw licht bedorven; tipsy aantelen ww z. vermenigvuldigen aanteppen loaten ww laten zwoegen aantielen ww N,W z. vermenigvuldigen aantoalen ww aanspreken aantrekken ww aankleden (dagelijks) aanveerden ww aanvaarden aanvertraauwen ww toevertrouwen |
aanvoarden ww aanvaarden aanvurgen ww beginnen te ploegen; hard lopen / fietsen aanwaaisel ww o. oorvijg aanwies um aanv/ijzing aanwinnen ww beteren aanzet znw kleine moeite aanzetten ww groeien aanzuiten ww aanprijzen; verlekkeren aarbaid znw arbeid aarbaiden ww werken aarde ww erwt aarf ww o. erf aarf(dail) znw o. erfdeel aarfies ww slaboontjes aarfte ww Old erwt aarg bw erg aarg ww erg aargens bw ergens aargens(woar) vnw ergens aargern (, z.) HW ergeren (, z.) aargernis znw ergernis aargewaaiern ww druk bewegen;drukte maken; zwoegen aark ww gereedschap aarkenail ww o. dakkapel aarm bnw arm; ongelukkig aarm ww arm aarmhaart ww gierig persoon; ongezond persoon aarmhaarteg bnw mager; meelijwekkend;zuinig aarmhaarten ww aanhoudend klagen aarmou, aarmoud(e) ww armoede aarms(woar), aarns(woar), aarnt vnw ergens aart(e) ww erwt aartpoulen ww peultjes aarven ww erven aask(e) ww as aaskebak ww asbak abbe, veur de - ww voor het lapje abbedoedas ww slag abbel ww appel abbeldoedas ww slag abbesoezerd ww klap absörd bw afzonderlijk abt en voogd ww de baas abuus ww o. vergissing achte telw acht achtentwintegsten, n - ww 28 augustus achteraan bnw achterlijk achteraan bw achteraan achteraansteken ww verliezen (geld) achterborst ww achterste achterdeel ww o. vloer achter de koe stallen achterdeuren ww schuurdeuren achterheer, der - bw er achteraan achterhoes ww o. achterste deel v.h.huis; schuur en stal achterkestail ww o. achterste achterliek bnw achterlijk achterling ww soort brood(je) achtern, in t - bw achterop achteroet bnw achterlijk achteroet bw achteraf (van de weg af) achteroet bw achteruit; (te -) laat achteroet, Pait - ww laatkomer achteroetboerken ww N achteruit-gaan achteroetkraben ww achteruitgaan (ondanks inspanning) achterrad bw snel aaneen achterrad ww o. achterwiel; rijks-daalder achtertou, der - bw er achteraan achteruut bnw achterlijk achterweeg(s), achteroegens bw achtenvege achterwegens bw achter(aan) adinlek bnw behoorlijk admis bw soms adrillen ww allerheiligen affeer, affere ww o. beroep aggeln ww eten (gulzig -) aggewaaiern ww tekeer gaan, druk bewegen aibals, aibeis bw zeer aibals, aibeis bnw verdraaid aibeis ww ruzie; tratsen aibeltjen ww soort notenschieten aid ww eed aigen vnw eigen aigenbaauw ww zelf verbouwd gewas aigender ww eigenaar aigenheden ww eigenaardigheden aigenhereg bnw eigengereid aigenikkeg hnw egocentrisch; eigen- wijs; inhalig aigenliek bw eigenlijk aigenmaal ww raar en dom persoon aigenred bnw zelfgemaakt aigenschop ww eigenschap aigenst bw eigenlijk aigenste vnw zelfde aigentliek bw eigenlijk aigenwies bnw eigenwijs aigenzinneg bnw eigenzinnig aigliek(s) bw eigenlijk aik ww vlek (in wasgoed) Aikamp (in) [Aikamper] Ekamp O aikeg. aikerg bnw met bijsmaak aiken bnw eiken aikenboom ww eik aimeke ww o. kakkerlak; huiskrekel aimel ww zeurend persoon aimeln ww zeuren Aimen (in) [Ainmer] Eenum N aimerke ww o. kakkerlak; huiskrekel ain vnw zich ain ww de een ain över twij bw wanordelijk ain(e) telw een ain(e) vnw iemand ain-noa-leste ww voorlaatste ainaarm znw persoon met een arm ainbaintjen ww scheef schaatsen ainboar bnw ongehuwd aind ww N,W eend aindebek ww lisdodde ainder vnw dezeifde ainderwegens bw ergens aindoadeg bnw eenzelvig; ge'l'soleerd levend aindoar(e) ww eenzelvig persoon aindvogel ww geschoten eend |
aineg bw eens(gezind) aineghaid ww eenzaamheid ainegst bnw enig ainen, ien -; ainen, in - bw ineens ainen, op - zetten ww uitdunnen van jonge planten aines vnw iemand z'n aingoal bnw effen; gelijk; suffig aingoal bw onafgebroken aings, ainks bw eigenlijk ainhandse ww eenhandig ding (: met een hand vast te houden) ainlieks bw eigenlijk ainlopend bnw ongehuwd ainmoud bnw serieus ainmoud ww ernst (innige -) ainnoa- voorv op een na - ainpoareg bnw eenstemmig; onveranderlijk Ainrom (in) [Ainrommer] Eenrum N ains bw eens(gezind) ains vnw iemands ainspaanjer ww helft (van een –te verwachten- tweetal); vrijgezel ainuurd bnw met een tepel ainvoud ww eenvoud ainwonend bnw alleen wonend ais (weens (: 'es) aits bw even(tjes) aive ww eeuw aiveg bnw eeuwig aivege bw verschrikkelijk aiveghaid znw eeuwigheid aiw znw eeuw aiweg bnw eeuwig aiweg bw zeer Aizing (in) [Aizinger] Ezinge W akkedaaiern ww opschieten (met iem.); passen; een akkoord sluiten akkederen ww W opschieten (met iem.); passen akkedemie znw universiteit akkefietjederij znw wissewasjes akkelaai znw scholekster akkenail znw o. dakkapel akkermantje znw o. N kwikstaart akkoordjen ww een akkoord sluiten akkroat zo ... bw precies zo ... akse(biele) znw O grote bijl aksies znw problemen akwa znw O restje (groente e.d.) al bw al alaarmschure znw kapschuur albaster znw knikker alder- voorv aller- alderdeegs bw zelfs alderduvelst bw buitengewoon aldergekst bw verschrikkelijk aldernoarst bw verschrikkelijk aldervrezelkst bw afschuwelijk aleer bw vroeger aleer voegw voordat alens vnw alles alewel voegw hoewel allaank, allaank al bw allang aliain, allaint bw alleen allaintjes, op zien - znw O in z'n eentje allemachies tussenw Vk allemachtig allènt bw alleen aller-, alder- voorv aller allerbedruifdst bnw meer dan bedroefd allerbenaauwdst bw verschrikkelijk allergloependst bw verschrikkelijk allergodsbenaauwdst bw vreselijk allerhemelst bw vreselijk alleriezelkst bw verschrikkelijk allernoast bw buitengewoon allewel voegw alhoewel alliekeveul bw even veel alliekewel bw evengoed allinneg bw alleen allozie znw o. horloge almeugend bw verbazend altemoal znw gelukstol alterkwalter bw kriskras alteroatsie znw ontzetting Alteveer (op t) [Alteveerster] Alteveer O altmangs, altmets bw misschien; soms altmoal vnw allemaal ambolt znw o. aambeeld ampaart bnw apart amtam znw vervelend persoon; ongezeglijk kind anders bw anders andievie znw andijvie ang znw angel; kafnaald angel znw angel; kafnaald; hengel angelgare znw hengel angeln ww hengelen; treuren ankom bnw aanstaande annaaiern ww overwegen; redeneren annoarie weg bw zoals gewoonlijk antam znw ongezeglijk kind antammeg bnw ongezeglijk apaart bnw apart; afzonderlijk apmoal vnw allemaal appeboesjeude znw O boeman appel znw appel appelbrij znw appelmoes appel kool kwint znw apekool appellat, aan - znw failliet appelsien(e) znw sinaasappel appelsmots znw appelmoes apperoat znw o. apparaat april znw april apsepteren ww accepteren apstendie znw fistel aptaik znw apotheek arom vz Old rond ars kars mars tussenw vooruit as voegw als; dan; indien; of; behalve as znw as (draai-) as dat voegw dat asmangs, asmis, assmis bw soms astemoat bw erg; zeer astrant bnw bijdehand; brutaal attern ww etteren Auwerd (in) [Auwerder] Aduard W Auwerderziel (op) [Auwerderzielster] Aduarderzijl W avvekoat znw advocaat (beroep) avvekoatske znw o. goed pratende vrouw avvezeren ww opschieten azze znw as (draai -) |
|
baag bnw broeierig baai znw bes baaid Vnw beide(n) baaide bnw beide baaidegoar Vnw beide(n) baaidel Znw beitel baaiden(t) vnw beide(n) baaier, aan de - znw aan de zwier baaier, ien de - znw in de war Baaierm (in) [Baaiermer] Bierum baaister Znw wildebras baaistern WW hollen en draven baaitel znw beitel baai Znw bal baalg znw doodlopende geul baalgern ww 0 woest ravotten baalk(e) znw balk; zolder (in boeren-schuur) baalkeduuster bnw pikdonker baalken WW schreeuwen baaikje znw o. N smal en hoog bruggetje baaltje Znw 0. snoepje baand znw band; bindstro baander(deur) znw achterdeur (van boerderij) baandjen, der om -; baandjern 0, der om - WW er om spannen baang(e) bnw bang; niet houdend van baangeghaid znw bangheid baangschieter(d) znw bangerik baank(e) znw bank baansder(deur) znw achterdeur (van boerderij) baarg znw gesneden varken baarg(e) Znw berg Baarge (in) [Baarger] Wolfsbarge 0 baargen WW bergen .tt: baarg- baargt vt: burg vdvv:N burgen, 0 bôrgen baark 1 znw berk baark II znw bark baarkenboom znw berk baarm znw berm baauw Znw bouw (van huis en land); bebouwd land; gebouwtje baauwboer Znw landbouwer baauwen WW bouwen baauwmantje znw o. kwikstaart baauwploats znw boerderij voor landbouw baauwte znw 0 omgeploegd land; tuingrond (buiten kom) baauwvaal znw bouwvallig huis babbeleguuchies, babbelguuchies znw 0 grappen badde znw 0 bep. brug(getje); plankier badje, badjerd, badkerd znw knikker bage bnw broeierig bagel Znw bagger; bep. turf bagelbak Znw turfinstrument; koekje (voor schaatsers) bagein WW baggeren baggel znw bagger; turfsoort bal vz St bij baiden WW bieden tt: bai-budt vt: bo vdW: boden budt> baidt, bo> bood bain Znw 0. been bainbonk znw scheenbeen bainderd znw langbenig persoon baineg bnw op de been bainen, takse - znw o-benen baintjewippen ww beentjelichten baist bnw gewonnen (- gegeven) baist znw o. beest; koe baistemaart znw veemarkt baistemelk znw biest baistje, old - znw o. oud (en verbruikt) ding bait znw biet bak znw beschuit bakemmer znv~’ grote emmer bakjegooien ww werpspel met stenen bakkeg bnw kleverig bakkeln WW heen en weer bewegen bakken WW bakken; kleven; onderhandelen (over prijs) tt: bak-bakt vt: bakte (0 ook bakde) vdw: bakt vdw: bakt> bakken bakkenbrùg znw roggebrood met beschuit bakkerg bnw kleverig bakkersiempien znw o. St kakkerlak; huiskrekel bakkerske znw o. bakkersvrouw bakkerstiek(e) znw kakkerlak; huiskrekel bakpannen WW leuteren baks, bakseg bnw kleverig bakstaf bnw zat (moe) bakstainen, as - bW uitmuntend bakstalleg bnw weerspannig bald hier, bald doar bw nu eens hier, dan weer daar balderachteg bnw onstuimig batdern WW bulderen; bluffen; tieren bale znw bal baljoaren wsv drukte maken ballast znw ballast; onkruid Ballege (op) [Balleger] Barlage 0 baloor znw losbrekend dier; ongezeglijk kind; druktemaker bambeer, bambere znvv fors persoon; wildebras bambereg bnw heetgebakerd; luidruchtig bamboes Znw schrobber bamboeze ZNW ruig persoon bamzen ww slaan bamzoeze ZNW ruige kerel bandeg bnw druk; gebonden bandevout, op algen - znw op eigen houtje bandiezen WW razen; tieren bandrekel znw kwajongen bange bnw bang bangeschieterd znw bangerik bargen znw W bergen • tt: barg-bargt vt: burg vdw.° burgen barm znw berm barrebiesies, noar de - znw naar de maan barrel znw boel barries Znw grote hond; stevige jongen; fors persoon barsten ww barsten • tt: barst-barst vt: bórst vdw: bórsten barstendevol bnw stampvol basterd znw knikker bastje, dik - znw o. klein en dik persoon bat(ten) znw bep. brug(getje); plankier bats znw klap; hoeveelheid bats(k) bnw zwierig batse znw soort schop batseg bnw trots batseghaid znw opschepperj batsen WW slaan; smijten batterij, blode - znw achterste batterij, op - Znw te berde Bavvelt (in) [Bavvelder] Baflo N bedaarven WW bederven; verwennen bedappern, z. ww z. inhouden bedegend bnw geslaagd bedellapke znw o. vragend kind bedèlte znw diepte beden WW 0 bidden beder bnw beter beder znw bidder bedèsd bnw bedeesd bedie vnw St beetje bedoan bnw vuil bedoard bnw kalm bedoesd, bedoezeld bnw versuft bedoulen ww bedoelen bedoulen znw bedoeling bedraaigen ww bedreigen bedraigen WW bedriegen • tt: N bedraig-bedrugt 0 bedraigbedrogt vt: bedroog vdw: bedrogen bedreugen WW drogen bedriet znw o. bedrijf bedriegen WW W bedriegen • II: bedrieg-bedrugt vr: bedroog vdW: bedrogen bedrugt> bedriegt bedruifd bnw bedroefd bedruifd bsv erg; verschrikkelijk beduden WW betekenen; uitleggen • tt: bedu-bedudt vt: bedudde vdW: bedud bedudt> beduudt bedudde> beduudde bedud > beduud beduzzeln WW bedisselen; sussen Beem (in) [Bemer] Bedum N beer znw beer; ruwe man; wild persoon; grof gebouwd persoon Beerte (in) [Beester] Beerta 0 beet znw beet befoesd, befoezeld bnw beteuterd befoezeln Ww N overdonderen begereg bnw begerig begèst bnw 0 slim begieren en begroapen WW zeer zui nig zijn begleren ww besmeuren begoazie znw bagage begoazje znw W bagage begozzeld bnw slim; geblancheerd begraffenis, begraftenis znw begrafenis begriepen WW begrijpen tt:begriep-begript Vt: begreep vdw: begrepen begript> begriept begripzoam bnw schrander begroafenis znw begrafenis begrodelk bnw spijtig begroten WW spijten; te duur vinden begugein WW voor de gek houden begun Znw o. begin begunnen WW beginnen II: begun-begunt VI: begon vdsv: begonnen (vr: begunde en vdw: begund komen nauwelijks meer voor) behaalven bw behalve behandjen WW behappen behaspein WW met moeite regelen behelstern WW halsteren; ontgroenei beholdzoam bnw zuinig behuifte znw behoefte; gebrek behulpzoam bnw behulpzaam; hulpbehoevend bftk-open Znw schreeuwlelijk bekaaien WW ertussen nemen bekbounder znw tandenborstel bekeetjes znw soort snoepje bekeukein Ww betoveren bekind bnw bekend bekje znw o. zoen bekjegaauw bnw snel sprekend bekjegaauw znw flapuit beklaaien ww klei brengen over; bekladden beklaren ww bekladden bekleumen WW afkoelen beklinken WW kleiner worden beklokkern ww koesteren beknepen bnw benepen; zuinig beknottjen ww (wat onhandig) regelen bekomst~ goie - tussenw wel bekome het u bekonkelfoezen WW bekonkelen bekonkeln WW bekonkelen bekörten WW ontrieven beknnzeln WW beknibbelen op bekroepken WW Old verstoppertje spelen bekstok znw 0, bekstuk Znw N, W kakelend persoon; persoon met scherpe tong bekukelderij znw bedrog bekweem(kes) bnw bescheiden; rustig; schijnheilig bèl(le) znw bel; vod; slordige vrouw bela znw mooie vrouw belakschaauwen WW bespieden belang hebben bie WW zin hebben in belappen en benaaien WW verzorgen (w.b. kledij) belasten Znw belasting bel~ren WW africhten; afgericht worden belhoamel, belhoamer znw belhamel bèlken WW N schreeuwen bèlktaiken znw o. uitroepteken beloa ZNW mooie vrouw belokken WW lukken beloop znw 0. vorm belopen WW belopen; vochtig worden (met kringen) belotjed bnw getikt belotjen ww bedriegen belslee Znw arreslee belukken WW lukken belutjen WW ontrieven; tekort doen; tegenvallen; bemeuren(s) znw drukte bemieterd bnw beroerd bemietern ww bedriegen beminder ZNW liefhebber bemoaken WW nalaten bemuien, Z. WW Z. bemoeien ben(de) Z,ZW hoeveelheid ben(ne) znw mand Benaars eigenn Bernard(us) benaauwd bnw benauwd; zuinig benaauwd bw erg bendel ZNW bundel bengel znw oorbel benieden WW benijden benijd bnw benieuwd benijen WW benieuwen Bennewolle (in) [Bennewolster] Bellingwolde 0 benoam bw vooral benoasten (bie) bw bijna benoastenbie vz naast bentern ww 0 dol rennen benuzzein WW treuzelen bep(pe) znw oma bepke znw 0. oma; ouwelijk meisje bepoalen, z. Ww z. bepalen; kiezen beppie znw o. oma bèr(re) Znw o. bed beraauw znw o. berouw berabbein ww afraffelen berèd bnw behept bereiken WW bereiken (fig.) berek znw 0. bereik berekken WW bereiken (ltk) beren WW schreeuwen berenust znw o. troep bèrgoanstied Znw bedtijd berichten znw radionieuws berieken WW bereiken (fig.) beroamen WW beramen; bespringen; snel doen beroup WW o. beroep (op dominee) bèrregangerstied znw bedtijd beruden, z. WW z. vastwerken beruiern WW beroeren berzie znw soort schuit; troep beschaaid Znw o. antwoord beschaaiden bnw bescheiden beschaarmen WW beschermen bescharreln WW regelen bescharrein, Z. WW Z. redden beschoaclegen WW beschadigen beschoustern WW voor elkaar krijgen beschuut Znw beschuit besjaggeln WW besjoemelen beslaintjen WW 0 bemorsen beslintern, 2. WW z. bevuilen besloagen WW beslaan; eindigen besloeten WW besluiten beslofken WW beredderen beslovven WW beredderen besluten WW besluiten besmeddelk, besmettelk bnw besmettelijk; snel vuil besnibbeln WW snoeien besoaksemd bnsv getikt besouwen, Z. WW Z. kwaadmaken besroen Znw 0. overhemd bestèl Znw 0. opdracht bestendeg bnw bedaard besteuten WW vlug afdoen |
bestoppen WW verstoppen bestöt bnw af; verloren besturven bnw bestorven bestuur znw 0. postuur beswiemachteg bnw bijna bezwijmend betaiken WW betekenen betaistern WW toetakelen beter bnw beter beterkoop bnw goedkoper betern WW genezen betoalen WW betalen'• tt: betoal-betoalt vt: N betoul, O betoul en betail, W betoalde vdw: betoald betoul, betuil, betail > betoalde betoefd bnw getikt; slim betunteld bnw in de war betuun bW schaars beudel znw knaapje beuker(ke) znw (o.) knaapje beulde, n - Vnw Old veel beulen WW Ww loeien beun van mond znw gehemelte beun(e) Znw zolder beunsk bnw muf beus bnw kwaad beus bW fiks beuterij znw bijgebouwtje (bij boerd~ rij) beuze bnw kwaad beuzebelder Znw boeman bevelen WW bevelen tt: beveel-beveelt vt: N en 0 bevooi vdW: bevolen bevertien(en) znw o. soort stof beveuren bw tevoren bewaarkelk bnw bewerkelijk bewoarschOul znw kleuterschool bezied bnw opzij; verborgen beziedjen ww N verstoppertje spelen bezoen znW o. overhemd bezuik znw o. bezoek bezuiken WW bezoeken; proberen bezuun znw bazuin bezuvern ww schoonmaken bezwieken WW bezwijken tt: bezwiek-bezwikt vt: bezweek vdW: bezweken bezwikt> bezwiekt bezwoar Znw o. bezwaar bezwoar znw o. hypotheek bezzem znw bezem bezzemschoon bnW ruw schoon bezzemstoal, bezzemstok Znw bezemsteel bichten WW biechten bid-aarm bnW straatarm biddelkaars znsv oostindische kers bidden WW bidden tt: bid-bidt vt: N bee, 0 beedde vdw: beden beedde> bad bie vz bij; volgens bie om vz in de omgeving van bie om of bW vrijwel bie weg bw uit de omgeving van bie laangs, bie laans, bie langes vz langs bie stok bnW in orde bie tou bw bovendien bie tou bW overtollig bie zetten bW zo nu en dan bie-pad-loper znw ordinair persoon biebeer znw drukte; ophemelarij biebel znw bijbel biebereg bnW haantje de voorste; luidruchtig; ongeduldig bieden WW W bieden tt: bie-budt vt: bo vdW: boden budt > biedt, bo> bood biederhaand bnW bijdehand; vlug biederhandje znw o. bijdehand kind biegoantje (t is mor n -) znw 0. kleinigheid biel(e) znW bijl bien znw o. W been bienden 55W N,W binden biester bnW bijster biester bW zeer biester, in de - bw in de war biesterboan(e) Znw dwaalspoor biesterboarliek bW zeer biesterweg znw dwaalweg biet znw W beet (vissen) biet(je) znw (o.) W beetje bieten WW bijten tt: biet-bit vt: beet vdW: beten bit> biet bieterg bnw wormstekig bietit Znw vijfde tepel biets(k) bnW bijtiustig biezunder bw bijzonder big(ge) znw big bus moaken znw drukte maken; op-scheppen bikboord WW stuurboord bikkeiknikker znw soort knikker bikken ww bikken; gooien biksein WW smullen; z. inspannen bil(Ie) znW dij bilder bnW wild (uitgelaten); in de war bilder Znw dartel meisje bulder, op - znw aan de zwier bildern WW gejaagd lopen; langs de straat lopen bilwipper znw onecht kind bin znw soort touw binden WW 0 binden ww o binden binhoes znW o. voorkamer; vroegere winter-woonkamer binkje zon’ o. kniestuk ve. varken binnen vz binnen innen deur bw thuis binnenbeurtje znW o. buitenkansje binnenkoors Znw malaria binzein WW met geweld lopen; met geweld wegjagen birsken WW hard werken birzein WW snel lopen birzen WW banjeren; snel lopen birzie znW hoeveelheid bit znw o. bijt; gebit (v. paardetoom) bittelkaars, bitterkaars Znw oostindische kers, bitterliek(e) bW erg blaaien 1 WW 0 bloeien blaaien II WW puffen blaaisterg bnw gezwollen; warm (v. weer); weelderig blaank bnw blank blaauw bnW blauw blauwbragel Znw bodemslijk, knik blaauwkomziel Znw blauwe werkmanskiel, blauwkop znw soort worm blaauwkoppen znw kwajongens blaauwmaiske Znw 0. pimpelmees blaauwmier(e) znw ereprijs (plant) blaauwvaalk Znw sperwer blaauwwintermaiske Znw 0. pimpelmees bladjegoud znw o. onkruid bladjen WW bladeren bladseg bnW slap(achtig) bladziede Znw bladzij blaik bnw bleek blaik(e) znw bleekveld blaiken ww bleken blaisterg bnW warm (v. weer) blaiven WW believen blak(stil) bnw bladstil blas znw opschepper blas(t) znw opgezetheid blaskont(erd) Znw bluffer blavven WW blaffen blazzeg bnw gezwollen blebbe(rd) znw tong blebberd Znw schreeuwlelijk bledder znw tong; schreeuwlelijk bleddern WW gauw en veel praten; zaniken bleggen WW hijgen (v.e. hond) blentern WW steigeren blèr(re) Znw huilebalk; tong blèrder(d) WW huilebalk blèrren WW hiaten; aanhoudend huilen blèrsnoet WW schreeuwleiijk blets znW slib blezzen WW een bles dragen; een overhemd dragen blibbe znw wijsneus blibben WW pruilen bliebel, eelske- znw 0 aansteister blied(e) bnw blij bliedeg bnW blij bliedschop znw blijdschap bliek bnW bleek blieken WW blijken blieken WW bleken bliekveld Znw 0. W bleekveld blier bnW N bleek; verschoten; wazig blieven ww believen; blijven tt: blief-blift vt: bleef vdW: bleven blift>blieft Blijham (in) [Blijhamster] Blijham 0 blijsterg bnW Ww warm (v. weer) blik bnW blikkerend; open bliksem, blaauwe - Znw meelkost bliksie(koater) tussenW bliksems blikspeldje Znw o. button blin(ne) Znw blind (vensterluik) blinddoukjen ww blindemannetje spelen bunder tussenw allemachtig blink znw dorpsplein; binnenplaats bloadern, bloadjen WW bladeren bloar(e) znw blaar; blaarkop bloarebieter Znw soort kever bloas znW blaas bloasbaalk(e) Znw blaasbalg bloasken WW pochen bloaze Znw blaas; pocher bloazen WW blazen; opscheppen (fig.), pochen • tt: N en 0 bloas-blast, W bloas-bloast vt: N blous, 0 bluis, W bloasde vdW: bloazen blast> bloast; blous en bluis > bloasde bloeden WW W bloeden • tt: bloe-bludt vt: bloedde vdW: bloed bloe > bloed; bludt> bloedt blok znW o. blok; land tussen ‘wieken’ Blokum (op) [Blokumer] Blokum 0 blom Znw N bloem blomkeder Znw N bloemist blootpootjen WW pootjebaden bloots bw 0 slechts, alleen blös Znw bbs bloten uw onthuiden bloud Znw o. bloed blouden WW bloeden tt: N blou-bludt, 0 blou-blödt, vt: N bludte, 0 blodde vdw: N blud, 0 blöd bludt en blödt> bloudt; bludte en blödde > bloudde; blud en blöd > bloud bloudse bW zeer bloudvin Znw steenpuist bloudworst Znw bloedworst; sul bloum(e) Znw 0 bloem bloumd bnW gebloemd bloumen ww bloem worden bloumked bnw gebboemd bloumkeder Znw 0 bloemist bloumkederij Znw het geheel van bloemen; bloemenkwekerij bloumken WW bloemen kweken blözzem Znw bloesem blui znw bloei; bloesem bluiden WW 0 bloeden bluien WW bloeien; opzetten; rood zijn bluierg bnw hoogrood bluiknop Znw bloemknop bluister Znw lauwe wind bluisterg bnW warm en winderig; gezwollen; hoogrood; weelderig bluizem Znw bloesem bluvven WW bluffen bluzzen WW blussen boaien WW baden boak(en) Znw baken boal(e) ZnW baal boalie Znw balie, ronde kuip boaliemoarze Znw huisvrouw (scheldw.) boan(e) znw baan boantje Znw o. overhemd boar bnw vol boar Znw golf boar(e) Znw draagbaar board Znw baard boardscheerder Znw kapper boare znw soort boeman; forse man Boareveld (op) [Boarevelder]Bareveld 0 boas Znw baas boaskerel znw stevige vent boaswicht Znw 0. stevige meid boazen WW ijlen bobbekop znw dikkop (scheldn.); dik en dom gezicht; stug persoon bobbel Znw waterbel; puist bobbelkop znw dikkop (scheldn.) bobbeltjebloazen WW bellen blazen bocht(e) Znw bocht bocht, oet de - Znw uitstekend bod Znw o. bod; keer bod(de) Znw soort slee bodde bW zeer bodde znw bot bôdder Znw 0. N boter bodjevoaren WW z. laten glijden op schaatsen bodschop Znw boodschap boegen WW buigen boek Znw buik (v. potten e.d.) boeke, op - ; boekebakke, op - Znw O op de hurken, boeken WW bukken; bol uitstaan boekou Znw koe boekzaik bnW beurs boel(e) Znw buil; hult Boer, Ten - (in) [Boerster ( , Ten -)J Ten Boer N Boerakker (op de) [Boerakkerderi (mw) [Boerakkeri (bnW) Boerakker W boeren WW boeren boerenploats(e), boerenspul Znw 0.boerderij boerentonen Znw tuinbonen boerke Znw 0. N keuterboer boerken WW N boeren boerknecht WW eerste knecht boers bnw boers Boers Znw 0. N Gronings (taal) Boertang (in) [Boertanger] Bourtange 0 boertje Znw 0. 0,W keuterboer boes znw schrik; hoeveelheid boesapperd Znw boeman; schrik boesjeude Znw boeman boeskool znw rode of witte kool boeskwanteg bnw stormachtig boeskwanter Znw forse vent boesmansvarken Znw o. onkruid (in de aardappelen) boesroen Znw o. overhemd boestern WW lopen met forse stappen; razen (v.d. storm); het huis schoonmaken boet znw deuk boete Znw boete boeten; boetendeur(e) vz/bW buiten boeten, ien - vz/bw N buiten boetenbainder Znw buitenbeentje boetendat, boetendes bW bovendien boetenlougsters Znw buitenlui boetenofster Znw iem. van buitenaf boetenom bW aan de buitenzijde boetenslag znw misslag boeze znw 0 schrik; hoeveelheid boezebelder znw boeman boezroen Znw overhemd boge Znw 0 boog; soort brug bogerd Znw boom v.e. vent
|
boggel Znw bochel; bocht; oneffenheid boggelg bnW oneffen boggein ww oneffen zijn boi znw jongen (vleinaam) boidein WW 0 buitelen boien WW kleden bok znw N geit bok znw geitenbok; nukkig persoon bôk znw honger bokachteg bnW nukkig bokhok znw geitenstal bokhut znw geitenstal bok(je) stoan WW helpen bokje stoan WW iemand omhoog laten klimmen; haasje-over; borg staan bokjen WW haasje-over; z. inspannen; moeite doen; stoten bokjespringen znw haasje-over bokkeblad znw o. lokaal blad bokkeg bnW nukkig bokkekraant Znw lokaal blad bokkemelk Znw geitenmelk bokken WW 0 bukken bokken znW bokking bokkenis znW onaangenaam persoon bokkeraam Znw bok boklam znW 0. geitje bokram Znw bok bokseln WW hard lopen; slecht schaatsen; zwoegen; z. inspannen boksem Znw broek boksembuus Znw broekzak boksemen WW hard lopen boksempovverd Znw klein uitgevallen persoon boksemvent Znw waardeloos persoon boksemwams, in ain - deur bw onafgebroken bôl(le) Znw bol (broodsoort); kadetje bol(le) Znw stier; vrouwenjager bolbaaisie Znw o. poffertje bolde :nw bout (ijzer-) bolderbak Znw bulderbast bolderboksem znw bulderbast boldern WW luidruchtig gaan; rommelen (lawaai maken) bölken WW 0 schreeuwen; een boer laten; loeien bollepies znw lisdodde bollern WW rommelen (lawaai maken) bolproam Znw soort vrachtschip bols(k) Znw verlangend naar de stier bolschiet Znw mosterdsaus bolschip Znw o. soort vrachtschip bôlstaart znW stompe staart bolster, mit bèr en - Znw met de noorderzon bolt znw bout (ijzer-) böltern WW buitelen bom Znw bom; soort glas; kanjer; soort knikker; hoeveelheid; bome 1 Znw boom; stuk hout bome II znW bodem bomelies znw bomijs bomke Znw o. soort knikkertje bommel znw soort knikker bommel, aan de - ZNW aan de zwier bomzaaierfl WW dobbelen bomzen WW bonzen bone znW boon boneklont Znw stamppot bonen bonen WW N boenen bonen, n beste - Znw uitbrander bonen, waalske -; bonen, waalze -znW tuinbonen bongel Z0W dwarsdrjver bongel znw eind hout; knuppel (stok) bongelderij znw dwarsdrijverij bongeljoaren znw vlegeljaren bongeln WW bungelen bonk znW bot bonk znw ruw persoon bonk(erd) znw mager beest bonkies znw 0. bomijs bontjer Znw manufacturier boog znw boog; soort brug boom 1 znsr’ boom; stuk hout boom II Znw bodem boomke, boompie znw o. rondje (bij kaartspel) boon znw boon boonstok znw lang en dun persoon boontjedroaden WW bonen afhalen boontjenat Znw 0. bonensoep boor 1 Znw hoor; soort spade boor II Znw boord boorden WW zomen boornstevol bnw boordevol bore 1 znw boor; soort spade bore II znw boord boren WW boren börg znw burcht börg(e) znw borg börgen WW verkopen op krediet; lenen börger znw burger börgmeester znw burgemeester Börgsweer (in) [Börgsweerster] Borgsweer 0 Börkomnij (in) [Börkomnijster] Borgercompagnie 0 borre znw soort slee borrel mit kloeten znw vruchten met slagroom borries znw spookfiguur borstjen WW zwoegen borstrok znw gebreien hemd bos(k) znw o. bos boskerij znw bosschage bosschop znw boodschap bosterd znw soort knikker bot bw erg bot Znw o. ruimte botter znw W,0 boter botterbloemke znw 0. madeliefje botterbloum(e) znw boterbloem botterdruppen znw grote druppels botterfabriek znw zuivelfabriek bottertjen WW kiskassen bottervogel znw vlinder boudel znw bedrijf; inboedel; rommel; hoeveelheid boug Znw boeg; voorzijde bouk Znw 0. boek boukerij znw verzameling boeken boukstoaven ww opsnijden boukwaaide, boukwaait znw boekweit boukwaaiten Jaantje znw N boekwei. tegort; pitloze vrouw boukwaaiten- bnW boekweit boulen Znw N inboedel; hoeveelheid bounder znw boender boundern WW Z. snel voortbewegen bounen ww boenen bourel Znw hoeveelheid; inboedel boute Znw boete boven(hoes), bovenspul znw voorhuis (in boerderij) bovven WW boffen bozzel Znw borstel bozzeln WW borstelen; z. haasten; hard lopen; zwoegen bozzem znw schoorsteenmantel braaien ww breien braaien znw 0. breiwerk braand Znw brand; brandstof; ziekte (in koren) braandlap Znw ongeduldig persoon; harde werker braauwen WW brouwen; broeien brabbelkouk znw gebak (al of niet mislukt -) bragel znw slijk brageig bnw modderig braid bnw breed braidvoudeg bnw breedvoerig braif znw brief brakje znw o. bouwvallig huis branderg bnw branderig; vurig; zeer werkzaam brandhaals znw workaholic brandlabbe znw ongeduldig persoon brandvos znw paard met lichtrood haar branneddel, brannekkel znw brandnetel branneddel -, brannekkel, dove - znw witte dovenetel branwien znw brandewijn bred znw o. houten bord; plank bredje znw 0. presenteerblad bredte znw breedte breggel znw 0 aanstellerig persoon breken ww breken; braken tt: breek-brekt vt: N brook, o en W brak vdw: broken brekt> breekt brekvalleg bnw bouwvallig bremmen ww de keel schrapen bremster Znw horzel; bazige vrouw bremsterg bnW boos; schor brengen WW brengen tt: breng-brengt vt: brocht vdW: brocht naast vt: brocht ook brochte, brochde ed. breuk Znw boete bried bnW W breed briek bnW N,W bijzonder; zwak (van constructie) brij Znw pap Brij (op) ~Brijster1 Breede N brijen WW brouwen (de r -); lastig spreken brijtied Znw ontbijt (op boerderij) Bril (op) [Brilster] Briltil W bril(le) znw bril; neusklem voor paarden brillen WW een bril dragen; opzien tegen briliesteern znw brildrager bringen WW brengen broaden WW braden broaderg bnw aangebrand; driftig broadschol Znw bakschol broak bnw braak broak znw braakliggend land broaskeachteg bnW opschepperig broaskeder Znw opschepper broaskemoaker Znw praatjesmaker broasken WW 0 snoeven broasker Znw pocher broazem 1 Znw brasem broazem II Znw schuim brobbel Znw luchtbel brobbein WW bellen blazen; borrelen bröd Znw 0 hoopje; rommel bröd Znw 0. broedsel bröddellap Znw broddellap bröddeln WW broddelen bröds(k) bnW broeds broeden WW W broeden tt: broe-brudt vt: broedde vdW: brud brudt> broedt; brud > broed broek Znw broek broeken WW 0 gebruiken broen bnW bruin broes, broezem Znw schuim broezen WW bruisen; met geweld tevoorschijn komen brog(ge) 1 Znw 0 brug brog(ge) II znw 0 boterham brokkel bnW brooddronken; lichtgeraakt; bros brokkel (in hoed) bnW onzeker brolbek Znw huilebalk broilen WW huilen; brullen; loeien brom Znw grote hoeveelheid brommel Znw braambes brommelbos znw braamstrujk brommer znw bromvlieg brommer, bromster znw hommel bromsterg bnW boos brood Znw roggebrood broodeten Znw o. ontbijt, lunch broodkrummels Znw brooddronkenheid brös bnW bros; lichtgeraakt brös Znw broche brösken WW 0 snoeven brouden WW broeden tt: N brou-brudt 0 brou-brödt vt: N brudte, 0 brödde vdW: N brud, 0 bröd brudt en brödt> broudt; brudte en brödde> broudde; brud en bröd > broud In 0 hiernaast ook vormen gebaseerd op bruiden brouk Znw laag grasland brud Znw N rommel bruddein WW broddelen brudegom Znw bruidegom brudeman Znw bruidegom brudje, t haile - Znw 0. N de hele zwik bruds(k) bnW broeds brudseg bnW broeierig brudsel Znw 0. broedsel br~ig Znw N,W boterham brug Znw N,W brug bruiden WW 0 broeden bruieg bnW broeierig bruien WW broeien bruier Znw broer bruierg bnW broeierig bruil bnW N overmoedig bruisk bnw broeierig bruken WW N,W gebruiken brullen WW brullen brulof(t) znw bruiloft brummel Znw braambes bruun bnW W bruin bruur Znw W broer budder Znw W boter bugen WW W buigen bui(e) znw bui; jongen (vleinaam) buikenboom znw beuk buit znw jongen (vleinaam) buite Znw 0 boete buiten WW vuur aansteken buiterij Znw haard buizeg bnW bang; onstuimig buizen WW opwaaien (v. zeewater) bukken Znw bokking; jongen (vleinaam); standje bulde Znw bult (hoop) bule Znw zakje buien WW hard lopen; te ruim zitten bullen Znw bezit buit Znw hoop, stapel buit, n - Vnw veel bulten WW ophopen bulterg bnW oneffen; (dreigend -) bewolkt; bun(ne) Znw bewaarplaats voor vis bundel Znw bundel bunder Znw hectare bunen Znw verhoging bungel znw dwarsdrjVer knuppel (stok) bunzel znw bunzing; kwajongen bunzetachteg bnw bang; schichtig bunzeig bnw bang; schichtig bunzein WW hard lopen bus znw bus buten bw buiten buten WW ruilen butendien bW bovendien butenschop znw ruil butje t znW o. schippersbakje butje II znw o. imbeciel; halve gare butter znw W boter butterbloem znw W boterbloem buuk Znw buik buul znw zakje; kerkzakje buuls bnw blut; in de war buus znw N zak (broek-) buuscenten znw zakgeld buusdOUk znw zakdoek buusgeld znW o. zakgeld buuts(e) Znw O,W zak (broek-) buvvet znW duffel buvvelfl WW gulzig eten buzze znw bus (trommeltje |
|
cement znw o. stamppot bonen; cement Cramweer (in) [Cramweerster] Crangeweer N |
|
dlidw 0 de daag znw N dag daaier znw (o.) dier(en) daaier znw o. paard daaimt znw o. 0 oppervlaktemaat daalt znw 0 duit daal(grond) znw 0 daigrond daaiploatse znw boerderij op dal-grond daam znw N dam; stevige laag eten Daam, n - (in) [Damster] Appingedam 0 daanje tussenw dank (u) daanzen ww N dansen daard, daarde(rt), daarders bnW derde daarg(e) znW o. soort veengrond daarm znW darm daarmslinger znw darmkronkel daarsken WW W dorsen daarteg telw 0 dertig daartel, daarten bnW dartel daas znw N das daauw znW dauw daauwel znW traag persoon daauweln WW slenteren daauwen ww dauwen; sterk zweten daauwneddel znw dovenetel dadde vnw dat (zelfst.) dag znW dag dag en deur bw gewoonlijk daghuur Znw loon (dag-) dagkiald znw o. dorskieed dagleggen WW waarschuwen dagwaark znW o. dagwerk; hoeveelheid dal vnw St die; jou daif znw dief daig(e) znW 0. deeg dail znW o. deel daimt znW 0 halve hectare dainen WW dienen daiflst znW dienst; militaire dienst; dienstbetrekking dainstjong znw beginnend knechtje daip bnw diep daip znw o. diep daipswaal, daipswale znw berm daiterd znw 0 stugge dikkerd daldern WW daveren Dale (op) [Daalster] Wildervanksterdallen 0 dam znW dam dammee, dammeet bW straks dankboar bnW dankbaar dansen WW dansen dareg telw N dertig darsken WW W dorsen das znw das dat wat is bW van belang dat - voegw met andere woorden datteg telsv dertig dattien telsv dertien daze, dazze znw das de lidW de de vnw die dè tussenW asjeblieft, daar dan december znw december deeg bnw in orde deeg bW erg; terdege deel bW omlaag deel ZNW vloer aeelgeven, z. ww ~ deelleggen ww neerleggen deelsdeur znw schuurdeur deengsdag, deensdag znw N dinsdag dege bnW in orde deksels, dekselze bW drommels dèl bw N,W omlaag dèl(le) 1 znw laagte; litteken dèl(Je) II Znw slet dele znw vloer Delfziel (in) [Delfzielster] Delfzijl 0 dèlloop Znw helling dèlte Znw N,W diepte dempe(r)g bnw kortademig den bW dan den voegw 0 want denk znw denkbeeld; gedachte; Wat n denk! Gek idee denken WW denken tt: denk-denkt vt: docht vdw: docht naast vt: docht ook dochte, dochde e.d. der bw er dèr tussenW asjeblieft der Vnw N,W ie (hij) destieds bw destijds deu bnw/znw dooi deuen WW dooien deugel Znw soort pin deugennait znw deugniet deugennaits bnw ondeugend deuk(s) Znw deuk deun bie bw dichtbij deup znw doop deup(ke), deupie znw (o.) dreumes deupen WW dopen deur bw opengegaan; versleten deur vz door deur(e) Znw deur deur-in bw buitengewoon deurdat voegw doordat deuren WW N durven deurentied bw gewoonlijk, doorgaant deurgang znw diarree; doorgang deurhin bw door en door; door heen deurhinnat bnw kletsnat deurhoalder znw pijpdoorhaler deurjazzen, deurjoagen, deurlappen WW verkwjsten deurnaaien WW afranselen deurnat bnw doomat deurpoeiern WW volhouden deurslag znw vergiet; verkwister deursloeken ww inslikken deursneeweg bw gewoonlijk deursteken ww doorsteken; schudden (v. kaarten) deurtoavein WW doorzetten deurtoeren WW volhouden deurweren WW constant weer houden deurzajk bnW doodziek deurzetten WW doorzetten; beëindigen deurzicht znw o. doorzicht; vooruitzichten deus Znw doos; toilet deutel znw 0 dooier deuze znw doos dezember, -moand znw december dicht(e) bnW dicht; toegevroren dichthoed Znw onverwacht sterk persoon didde vnw dit (zelfst.) die vnw jou diedel znw klap diedeldaantjen, diedeldomdaantjen, diedelomdattjen ww flierefluiten diek znw dijk dien Vnw jouw dienderg bnW opgezet (dik) dieneddel znw dovenetel dieneg bnw opgezet (dik) dienen ww opzetten dienen(t) vnw de/het jouwe dievendaaiern, Z. ww z. vermaken dievendoatsie, dieverdoatsie znw tijdverdrijf diezeg bnw licht mistig diezel znw bladen v.d. paardebloem diezel, schaarbe - znw distel diggel znw aardewerk; scherf diggelgoud ZnW o. aardewerk diggein ww stuk gooien; stuk vallen dij vnw die dii vnw jou dij znW groei dij znw/bnw N,W dooi diie vnw die (zelfst.) dijen ww groeien dijen(t) vnw dergelijke(n); die dijer 7)2W groeizaam dier; groeizaam persoon dik bw erg dik bnW dik; groot; dronken dik en doen bnw stomdronken dik-doun-in-toen ww barbecuen dikdakken, diketen, dikkedakken ww overvloedig eten dikkop(t) how met een dikke kop dikmès znw o. broodmes dikmoals bw vaak diknek zrnv gezet persoon, gezet; rijkaard dikste znW o. het ergste; het voornaamste
|
dikstinzat bnw geheel verzadigd dikvreter znw slokop dikzoepen znw o. wrongel din bw dan dingerais znw een of ander ding dingsdag znw dinsdag dingzegheden znw bezigheden dinken ww denken dinsdag znw dinsdag dioak znw diaken dioakenraif znsv slecht gereedschap dis-, dizze vnw deze dizzen(t) vnw deze(n) dè tussenw daag doadelk bw direct doage~ks bnw dagelijks doagen w~v dag worden doage(n), aal -; doaglieks bnw dagelijks doags bnw daags; elke dag doalders bnw eersteklas doale bw 0 omlaag doalek, doalkies, doals, doaltjes bw direct doamel bnw lusteloos doamein ww slenteren; treuzelen doan bnW af; afgelopen doar bw daar doarom bw daarom; desalniettemin doaromtou bw daaromtrent doarvan bnw wat dat betreft doarvan bw daarvan doarzo(ot) bW daar(zo) doatum znw datum Doaved, Doavied eigenn David doavied znw grote (in zo soort) dôb(be) znw kuil dobbel znw dobber dobbein WW dobbelen; dobberen dobber Znw dobber dobbern l WW dobberen dobbern II u~a~ dof dreunen dèbstee znw 0. vuilnisbelt doch bw toch dochs bW toch es docht(e) Znw soort plank dodde znsv 0 log en dik ding doddeg bnW suf doddel l znw hoeveelheid doddel II znsv stuiter; klein en dik persoon doddeltjen WW knikkeren dodderd znw sufferd dodderg bnW dom ogend doddern ww 0 sluimeren; soezen dodgat znsv dik en log persoon dodjer(d) znw stuiter doe bw W toen doe vnW jij doedel zn’w stuiter doedeig bnw suf doedelkop znw sufferd doeden WWjijen doef Znw duif doehoe tussenw daag doeken WW N duiken doeken, z. wsv z. verschuilen tt: doek-dókt vt: dook vdW: doken dókt > doekt doeknekjed bnsv gebogen doeknekken ww bukken doeknekt bnW met ingetrokken hoofd; gebogen doem(e) znw duim doem-oet-haanske znsv dreumes doemken ww oneerlijk knikkeren doemkruud znw o. geld doen bnw dronken doen WW W doen II: doe-dut vt: dee vdW: doan dut > doet doeneg bnW een beetje dronken doenen ww dronken maken does bnw boos does l znw douche does II Znw slaapjc doeske(r)n ww sluimeren doeskern WW dommelen doeskoarde znsv lisdodde doeskop znsv krullebol doesnakke Znw 0 onaangenaam persoon doest znw dichte bos; hoeveelheid doesterd ZNW mopperaar doethoamel Znw 0 lisdodde doetje Znw o. N zoen doetjebakken, doetjen WW kussen doeve znw duif doezeg bnW duizelig; koppig doezelg bnW duizelig doezein WW duizelen; sluimeren doezend telw duizend doezendbainder, doezendpoter znw duizendpoot doft(e) znw soort plank dog ZNW hond doit Znw 0 duit dokeg bnw mistig doken WW misten dokerg bnW mistig dol bnw dol; vreemd dolbijen Z/IW lijsterbessen dole Znw 0 dooier dolen WW 0 aardappels poten dollen WW W aardappels poten; aard-appels rooien domdaantjen WW flierefluiten domie ZNW N dominee dommedaantjen WW flierefluiten dommee, domment, dommet, dommit bw straks domnee, domnij znw W,0 dominee domneeske Znw domineesvrouw domp, over - ZNW over het dode punt domp(e) znw stoot dompeg bnw nevelig dompdeurnat bnw kletsnat domt bw straks donde znw kluwen dondermieger znw vandaal dong znw mest dongbuit znW mesthoop donker(fl) znw duisternis dons znw stoot dont znw kluwen; verwarde hoop; hoeveelheid donzen ww dreunen doodgeiukkeg bnw zielsgelukkig doodieven znw saai persoon doodlid znw flauw persoon doodschoonverleggen bnw zeer verlegen doodstaarvenwoar bnW echt waar doodwoar bnw echt waar doodzaik bnw doodziek doof bnW gevoelloos doofekkel znw dovenetel dooi bnw/znW W dooi dook znw mist dook, as - bw zeer veel dooi bnw duizelig; slaperig doomdie, doomnee znw dominee door znW 0 dooier Doord (op) [Doorderi Toomwerd doornstiekei znW distel dop bnw blut dop znw schaal (v. ei of garnaal); peul doppenropper znw flesopener dör bW daar done, de - znw het probleem dories bw erg; verdraaid Dörkwerd (op) [Dörkwerder] Dorkwerd W dörm znW zeurkous; dikke jongen, dar dörmen WW zeuren dörmS bnW gek (beetje -) dörp Znw o. dorp dorrei znw N stuiter dörschen, dörsen, dörsken WW dorsen vt: N durs vdw: dursen durs > dörste; dursen > dörst dörsklaid znW o. dorskleed dörst znW dorst dort znW N sullige jongen dosterd znW onvriendelijk persoon dosterg bnW nijdig dôttern WW sluimeren dou bw/voegW toen dou Znw St jij doudestieds bw toentertijd douk znw o. doek doul ZNW o. doel doun ww doen; geven; opbrengen tt: dou-dut vt: dee vdW: doan dou > du’/duch doun, t ter tou - WW overlijden douterkoeZe Znw 0 lisdodde dovenekkel, dovenettel znw dovenetel dovvei znw lummel; stomp dovver(d) Znw doffer; lummel draai znw bocht; draaibrug |
draaige znw 0 kort en breed persoon draaigen WW dreigen draails bnW met plooien draaineerZen WW heupwiegen draais(k) bnw met plooien draai bnW N parmantig draank znW drank draanksteern znw drinkebroer draans bnw dwingerig draanzen ww drenzen draauwefl WW treuzelen draf(t) znw draf drai telw W drie drai zessen, drai zeuvens bW onafgebroken draig bnw gedrongen drans, dranzerg bnw drammerig dreeg bnw gedrongen drèje telw Vk drie drekschop znw mestschop; vuilnis-blik drekstoup(e) znw vuilnisbelt drèl znw kronkeling (ltk) drèi(d) bnw met plooien drèiien ww shagje draaien drèis(k) bnw draaiend Drent znw Drent Drents bnw N Drents drenzein WW drammen dreudel znw kabouter; klein persoon; keutel; treuzelaar dreudeiboksem Znw zeurkous dreudein WW treuzelen dreudeltje znw o. hoeveelheid dreug(e) bnw droog; geen melk meer gevend dreugbluier znw kinderloos blijvende vrouw dreugen WW drogen dreugerd, dreugproemer, dreugstoalzuide Znw saai persoon dreuni znw droom dreumerd znw dromer dreutjegat Znw treuzelaar dreve znw laan driest bnw driest; vrijmoedig driesteghaid znw durf drieven ww drijven; planken aaneensluiten; ploegen tt: drief-drift vt:dreef vdW: dreven drift > drieft driezei znw stevige slag arm znw uuR; ~ drift znw ‘t ploegen (of ‘t hooien) driggein WW dribbelen drij(e) telw drie Drijbörg (op) [Drijbörgster] Drieborg 0 drijen(t) telw drie(ën) (zelfst.) drijkieurd bnW driekleurig Dnint eigenn Drenthe Drint znw Drent Dnints bnw 0 Drents drizzen WW dreigen droad znw braam (op schaatsen); draad droaden ww bonen afhalen droagelk bnw dragelijk droagen WW dragen tt: droag-dragt vt: N droug 0 druig W droeg vdw: droagen droager znw drager; bromvlieg droak(e) znw vlieger (speeltuig) droaven ww draven droaver znw draver; bromvlieg drobbeltje znW o. hoeveelheid droef znw druif droes bnw stevig droestje Znw o. hoeveelheid droet(gat) znw dik kind droeve znw druif drôk bnw druk drôk znw 0 druk drokken ww 0 drukken drokker znw aarzelend persoon; plakker (fig.); steek onder water drokkertje znw o. zoen drokte znW drukte; ruzie drol(n - boske) bnw met veel zijtakken drömpei znw 0 drempel drong aan bw dichtbij dronken(d) bnw dronken droppeltje znw o. hoeveelheid drouden WW dreigen; van plan zijn drous(t) znW bep. paardenziekte drubbel znw N drempel drubbeltje znw 0. drempeltje; druppeltje; hoeveelheid drubbeltjen WW met gesloten voeten druddeln WW aarzelen druieln WW draaien (bij geluidmaken) drukken WW drukken druljen, drullen WW aarzelen drumpel znw drempel drumpelmaaid znw te vaak op bezoek komende vrouw drumpeltjen WW met gesloten voeten springen drundeltje znw o. bakje koffie druntjen WW treuzelen drupke znW 0. drupje; borrel druppel znw drempel drutjeder znw treuzelaar drutjen, drutten WW aarzelen druut znw W druif dubbel(d) bnW dubbel; gezet dudelk bnw duidelijk duden WW wijzen dui bnW/znW W dooi dulen WW W dooien duize znW Ww doos duken ww O,W duiken ii: duuk-duukt vt: dook vdW: doken Hiernaast 0 ook doeken duker 1 znw duiker duker II Znw punaise; spijkertje duker(s) tussenW verdraaid dulek bnW duidelijk dun-eggen, dun-ekken znW slapen dundaarm Znw mager meisje dunder znw donder dunderdag znW donderdag dunderket znW bliksemafleider dunderknuut znw 0. onweersbeestjes dunderkoppen znW onweerswolken dunderkruut znw 0. onweersbeestjes dundern WW donderen dundertuutjeS znW onweersbeestjes dunsloaperg bnW lichtslapend duren WW durven tt: duur-duurt vt: N en W duurde, 0 dus vdw: N en 0 duurd, W durfd duur > duurf/durf, duurt > duurft/durft; dus > duurfde, duurde > durfde; duurd > durfd duroabel bnW kostbaar dus(t) znw afval duthoamer Znw lisdodde duudiek bnW duidelijk duufker tussenw. verdraaid duum znW W duim duun znW 0. duin duup znW deuk duurbloud Znw bangerik duurgelder Znw duur ding duurven WW 0 durven. Zie duren. duust znW afval duuster bnW duister; boos duuthoamer znW 0 lisdodde Duuts bnw Duits Duutser Znw Duitser duvekoater Znw soort broodje duvel znw duivel duvelderij Znw gedonder duvels bnW/bW duivels duvelsnaaigoaren znW 0. kleefkruid duveltje znW o. klein kacheltje duzelg bnW duizelig duzzel(boOm) znW dissel(boom) dwaars bnW dwars; onvriendelijk dwaarsbongel, dwaarsbungel Znw dwarsdrijver dwaarsdeurnat bnW kletsnat dwaarsgeut znw slootje dwaarshakt bnw met de tenen naar buiten dwaarshelgen znW overdwarse scheepshelling dwaarshoes znW 0. soort boerderij; tegendraads persoon dwaarsholt znw 0. dwarsdrijver dwaarskop ZNW dwarsdrijver dwaarste, ien - znw overdwars dwaddel znW haarwervel dwaddeln WW dwarrelen dwarrel WW haarwervel; kwast (in hout) dwarreln WW dwarrelen dwelen WW dwalen dwèlm Znw sufferd dwelmachteg bnW suf dwelmen WW zaniken dwelmerg bnW suf dwingerd znW dwingend kind dwirrel znw wervelwind dwirreln WW dwarrelen; draaien dwoalen WW dwalen dwoas bnw dwaas |
|
e lidw W de e vnw ie (hij) eb(be) znw eb echtgruin znw o. etgroen eddelkeudeltje, eddelkeunenkje znw o. winterkoninkje eder bw eerder edik znw azijn eed znw eed eefkes bw eventjes Eekste (in) [Eekster] Eexta O eekster znw Ww ekster eelsk bnw aanstellerig; speels (v.paarden) eelskerd znw aanstellerig persoon eendebit znw o. bijt eendekreus znw kroos eendevet znw dunne saus eent znw O gele lis eer bw eerder eer voegw voordat eer znw aarde (stofn.) eerabbei, eerappel znw aardappel eerappelschilder znw schilmesje voor aardappelen eerappelzummer znw fraaie nazomer eerbaai(e), eerbi] znw aardbei eerbultjen ww aarde over 't land brengen eerde znw aarde (planeet) eerdeg bnw flets eerden bnw aarden eerdjebij znw Old aardbei eerdmantje znw o. kabouter; klein mannetje eerdoags bw binnenkort eerdröt znw veldrat eergiereg bnw eergevoelig eerguster bw eergisteren eerkaauwen ww herkauwen eerlek, eerliek bnw eerlijk eerliek bw echt eerlieks bnw flink eerlieks bw zeker, werkelijk eermlnnen ww aarde over 't land brengen eerns znw ernst eernsachteg bnw serieus eerstdoags bw binnenkort eerste bnw aarts- eerste tied bw voorlopig eersten, n - bw de eerste v.d. maand eersterd znw eerste eerstkans bw binnenkort; voorlopig eertuutje znw o. lieveheersbeestje eeuw znw eeuw
|
eeuweg bnw eeuwig effies, efkes znw pruimensoort efkes bw eventjes eg(ge) znw scherpe kant; rand; zelfkant egelkouerte znw stekelvarken ei znw o. W ei eierdeudel znw eierdooier ekkel znw eikel ekkelboom znw eik ekkelmot, ekkelmouer, ekkeltiek znwmeikever ekse, eksebiele znw aks ekseteroa bw etcetera èl znw el eiboog znw elleboog eldern bnw elzen- eldernboom znw els elektries znw o. elektriciteit elastiek znw elastiek elf telw elf elfde, elfte bnw elfde elf rib znw vrouw elibij znw W wesp elkain vnw ieder(een) elkenain vnw iedereen elks vnw ieder èlle znw el el Ie- znw spel- elleboge znw elleboog ellén znw ellende Ellerhoezen (in) [Ellerhoester] Ellerhuizen N elpenbain znw langbenige vrouw els znw els (instr.) elsgoud znw o. stof v.e. el breed elske, maal - znw rare vrouw elster znw o. halster elven telw O elf elze znw els (instr.) elzenboom znw els emeln ww zeuren èn znw o. eind(e) en om bw in de omgeving van ènd, ènde znw o. eind(e) endeik bw eindelijk enkel(d) bw soms; slechts en neg bnw tamelijk goed èns bw eens enter znw ongehoorzaam kind; eenjarig paard enter-en-twenter; enter-over-twenter bw doorelkaar entern ww slaan |
enzowathln bw enzovoort Eppenhoezen (in) [Eppenhoester] Eppenhuizen er vnw W, N ie (hij) eren en veren, in - bw voetstoots (jur.) erk znw W woerd ers bw eens ervoaren ww ervaren ervoaren znw ervaring es bw eens es, in - bw in orde eskenblad znw essenblad eskenboom znw es (boom) eskentuutjes znw esdoornvruchten espres bw expres estermantje znw o. dwerg; kabouter esterstain znw estrik eten ww eten • tt: eet-et vt: at vdw: eten et > eet etendrinken znw o. eten en drinken etens znw o. het eten eter znw mee-eter; eetaardappel eterij znw maaltijd; voedsel etfing znw lusje (v. paardenhalsband) etgras, etgruin znw o. etgras eu znw O ooi eulie znw olie euliebloemke znw o. boterbloem euliebosterd znw soort stuiter eulieflot znw oliebol (scherts.) euliekouk(e) znw oliebol eulifant znw olifant eulje znw W olie euljen ww oliën eure znw Ww aar euvel bnw slecht euvelmoud znw moedeloosheid; zorgen evenkes bw eventjes evenölders znw leeftijdgenoten evenpies bw eventjes evenredeg bnw evenredig; gelijkmatig evens bw zoeven eventoarie znw o. inventaris evertaaske znw hagedis; salamander evertaske znw o. pinnig meisje Evoa eigenn Eva evven bnw effen; proper evven znw pruimensoort evventredje znw o. proper meisje expres bw expres extroa bw extr |
|
faaiel, faail(e) znw dweil faailen ww dweilen Faarmsom (in) [Faarmsommer] Farmsum O faggeln ww flansen faggelraive znw slecht gereedschap fai tussenw foei faitlieks bw feitelijk fakkeln ww flakkeren faksaaiern ww forceren fale znw dweil fam(ke) znw W meisje fatteg telw veertig feberwoarie, feberwoariemoand znw februari febriek znw (o.) fabriek feduutsie znw fiducie feerteg telw W veertig feesteik bnw feestelijk feestjen ww feesten fekke znw feeks fel iet bnw failliet femilie bnw/znw familie (buiten gezin) femilie znw geslachtsdeel fenaaiern ww verdragen feng bnw scherp ferduutsie znw fiducie fermik znw o. apparaat; een of ander ding fermikke znw ding (waardeloos -) fermikken ww in elkaar zetten fermikkie znw technisch handigheidje fersoun znw o. fatsoen fersoun lek, fersoun Mek bnw fatsoenlijk fersounshaalven bw fatsoenshalve fertuun znw o. fortuin fertuut znw o. vreemd ding; krul; versiering; grimas ferwail znw o. fluweel fesoenlek bnw W fatsoenlijk fezant znw fazant fiebeldekwinten, fiebelkwinten znwfratsen fiedeln ww vioolspelen fiedeitoppen znw hoefhaar fiefteg telw vijftig fiekelfakkel, de haile - znw santekliek fieken ww neuken; hakken; snijden fiemel znw kwezelaar fiemelachteg bnw schijnheilig fiemelder znw kwezelaar fiemelderij znw femelarij fiemelekwinken, fiemel kwinten znw fratsen fiemeln ww zeuren fien bnw fijn fieneghaid znw fijnheid fiengeef bnw geheel gaaf fies bnw vies fiet znw fijt; poets fieter znw sterke groei fieterlok znw hoefhaar fietern ww neuken; beuzelen; snel aan fietjeboksem znw zeurkous fietjederij znw getreuzel fietjegat znw treuzelaar fietjen ww beuzelen fiets(e) znw fiets fievelekwinten znw fratsen figelaaiern ww letten op fij tussenw foei fik(ke) znw zak fikke znw feeks filaain bnw gemeen filaain bw erg filaainebieter znw loopkever; valsaard filaaineg bnw gemeen filedde znw anjelier filesetaaiern ww feliciteren filet znw anjelier |
filo znw gauwdief filo, noar de - znw naar de filistijnen finail bnw gehaaid finansies znw financiën fing bnw scherp Finnerwold (in) [Finnerwolmer] Finsterwolde O finoal bw geheel fioel, fioul(e) znw o. viool fits of foazel, gain - znw helemaal niets fitteg telw W veertig Fiwwerd (in) [Fiwwerder] Feerwerd W fizelemie, fizenemie znw gelaat fizzel znw o. fistel flaaide znw fluit flaaisterg bnw warm en fel (v.d. wind) flaaistern ww O fluisteren flaaiten ww O fluiten flaaitpiepen znw gekheid (uitroep) flaans znw losse lap; snee (snijwond) flaar znw flard; koeiehoop; slet flaauw bnw flauw; misselijk flaauwmoudeg bnw moedeloos flaauwmous znw melig persoon fladderak znw soort brandewijn fladderg bnw slecht (niet goed) fladdergat znw babbelkous flak bnw vlak flamboos znw framboos flap znw val f lapkoar znw klikspaan flappen ww klikken flapperd, flapscheet, flapsnoet znw klikspaan flare znw flard; slet flaregoud znw o. slecht goed flatterg bnw slecht (niet goed) fledder znw vlier fledderbaai, fledderbij znw vlierbes fleddermoes znw vleermuis fleddern- bnw vlieren- fleeg bnw flink fleer znw slag; smeer (streek) fleerder znw klikspaan; mooiprater fleerpuut znw kletsmajoor flepsjijker znw ouwehoer fleren ww aaien; besmeuren; slaan;klikken flemen ww flikflooien fliemstrieken ww vleien flier(e), flik znw slag flikken ww slaan; verstellen flikken znw slaag flikkerd znw vleier (liefkozend) flikkerij, goie znw goede zaak flikkerstaintje znw kiskassteentje flinken znw fratsen flinter znw flard flitseboge, flitseboog znw boog(schietwapen) flitter znw dunne reep flitter, aan de - znw aan de zwier flitterg bnw dun flittern ww drentelen; kiskassen flittertje znw o. lapje (stof) floater znw flater flod(de) znw vleiend kind; goedige vrouw flodden ww vleien flodder znw flard flodder-elsie znw jongensgek flodderboksem znw slordig persoon flodderg bnw flodderend floddergat znw slordige vrouw floddern ww fladderen; ploeteren (in water); vleien floeken ww W vloeken flöide znw O fluit flöien ww flikflooien |
flöister znw O opflikkering flöit znw O fluit flöiten ww fluiten flök znw o. wollegras flonk bnw Old levenslustig flont znw vod flonterg bnw voddig f lontje znw vaatdoekje flontjen ww knoeien flooien ww flikflooien florren ww aanhalen flort znw koeienhoop; scheut; vod flortje znw o. een beetje flotseg bnw slap (- hangend) flotter, flotterkedoes znw jongensgek flotter, aan de - znw aan de zwier flottermedam znw opgedirkt meisje flottern ww fladderen flottje znw o. een beetje; misbaksel flottjebaarg znw achterste flottjen ww bij beetjes opschieten flozze, in de - znw in de prak fluister znw opflikkering fluisterg bnw warm en fel (v.d. wind) fluit znw fluit flustern ww fluisteren fluusterg bnw stil (in de natuur) fluustern ww fluisteren foabel znw fabel foam I znw faam foam II znw achternaam foam III znw steel Foan, t - (op) [Foanster] Faan W foas znw kleinigheid foatsie znw gelaat foazel znw rafel foebel znw mispas foegeln ww slordig ineenzetten; wegmoffelen foek(e) znw fuik foek(s) bnw terneergeslagen foekelichter znw stroper foekeln ww matsen foeken ww slecht naaien; ophitsen (om iets te laten mislukken) foekepot znw rommelpot foekseln ww inspannen, z. foemeln ww wegmoffelen foestern ww in elkaar flansen; snel en onnauwkeurig werken foeterkoar(e) znw mopperaar foevel znw mispas foeveln ww wegmoffelen foggeln ww moeite doen; slecht naaien foi tussenw O foei fok(ke) znw bril fokkeln ww flakkeren foks(e) znw schaats slag fokse znw rooie fokseln ww z. inspannen; ploeterend schaatsen; banjeren fommelötte znw op jongens gesteld meisje forsie znw kracht foske, fosse znw bosje fotse znw achterste; goedige vrouw;niets Foxhol (in) [Foxholster] Foxhol O Fraans znw o. Frans Fraansum (op) [Fraansumer] Fran-sum N Frankriek znw Frankrijk Frans znw o. Frans franterg bnw knorrig franterd, frantpot, franterpot znw knorrepot Frederk, Freerk eigenn Frederik Freerkje, Freerktje eigenn Frederika frensken ww hinniken frik, de haile - znw de hele santenkraam frokseln ww z. inspannen f ronder znw o. vooronder Froombos (in) [Froombosker] Froom-bosch O |
|
gaaie znw slim persoon gaail bnw geil; vet en dik; vruchtbaar gaal bnw geil gaal znw gal gaalderi] znw galziekte gaalg(e) znw galg gaalgestrop znw kwajongen gaalmen ww galmen gaalpen ww huilen (hard -) gaalpen ww schreeuwen gaalperd znw schreeuwer gaalsterd znw gemenerik gaalsterg bnw bedorven; ranzig; gemeen gaang znw N gang; hoeveelheid gaans bw tamelijk veel gaans znw N gans gaansoarend znw sperwer gaanzebredjen ww ganzenbord spelen gaar znw stokje Gaarmt eigenn Gerbrand Gaarmwol (in) [Gaarmwolder] Garmerwolde N gaarst znw gerst gaasp znw gesp gaast(e) znw zandhoogte gaauw bnw gauw, spoedig gaauwachteg bnw vrij spoedig gaauweghaid, gaauwens, gaauwte znw haast gabbeln ww giebelen gadder, aan de - znw aan de zwier gaddern I ww verzamelen gaddern II ww lawaaierig lopen gain lidw geen gainen(t) vnw geen; niemand gaist znw geest; schim gaiten ww gieten• tt: gait-gut vt: goot vdw: gotengut > gait; in O gut > gót gale znw gal gal leen ie znw o. puntbroodje galleg bnw bedorven; gemeen; ziek galliballi znw soort hoed gammel bnw hongerig; versleten gammelte znw flauwte gangeln ww drentelen gans, ganze znw gans ganzebord, ganzebred znw o. ganzenbord Ganzediek (op) [Ganzediekster] Gan-zedijk O ganzegat znw sukkel gap(s) bnw los zittend gappen ww geeuwen; open staan; loeren; stelen gapperd znw gaper; mond gapperg bnw open gaps bw open gaps(e), gapsel znw handvol gapstok znw geeuwer; geeuwend persoon; nieuwsgierig persoon gare znw stokje Garrelsweer (in) [Garrelsweerster] Garrelsweer N Garsthoezen (in) [Garsthoester] Garsthuizen N Garwerd (in) [Garwerder] Garnwerd W gastjen ww W bezoeken gat znw o. gat; steeg gat, om - znw van huis gatjepaan znw vergiet gebaauw znw o. gebouw gebe znw geep (vis); lang en dun persoon gebeer znw o. misbaar gebèlk znw o. N geschreeuw gebèlskop znw N masker geberebjet znw o. ruzie gebeurlek bnw gewoon gebelschop znw masker gebirs, gebirzel znw o. gedraaf gebölk znw o. O geschreeuw gebradje znw o. gebraden vlees gebroaske znw o. opschepperij gebroek znw o. O gebruik gebroeken ww gebruiken gebrukelk bnw gebruikelijk gebruken ww gebruiken gebruuk znw o. N, W gebruik gedailte znw o. gedeelte gedoante znw o. gedaante; uiterlijk gedou znw o. gedoe gedounte znw o. gedoe; moeite; rommel gedrutje znw o. gezeur gedwèlm znw o. aanhoudend gezeur geef bnw gaaf; gezond geefkoop bnw spotgoedkoop geehonger znw geeuwhonger geel door znw N dooier geep znw geep (vis) geern, geernt bw graag geest znw geest gehaaim znw o. geheim gehail znw o. geheel gehak znw o. gehakt gehavvel znw o. ruzie geheur(eg) bnw gehorig geheurzoam bnw gehoorzaam gehiem znw o. W geheim gejeuzel znw o. geklaag gejutje znw o. getreuzel gek bnw gek; wild gek(ke) bw verbazend gekhald znw scherts gekjoagen ww stoeien gekkens znw gekheid gekkenspul znw o. dwaze boel geklaauwster znw o. geklauter gekmanswaark znw o. gekkenwerk geknapper znw o. geknisper gekoop bnw goedkoop gekruus znw o. langdurige moeite gekude! znw o. N gepruts gekverdikke tussenw verdorie gekwedel znw o. vervelend gepraat gèl bnw niet drachtig; leeg geldpong, geldpuil, geldpuut znw geldzak geleuf znw o. O geloof; mening geleuven ww geloven geliek bnw gelijk; effen geliek(e) bw even geliek(s) bw direct gelok znw o. O geluk geloof znw o. geloof geloven ww N,W geloven geluk znw o. geluk geluud znw o. geluid gemain bnw gemeen gemainte znw gemeente gemak znw o. gemak; toilet gemakkelk bnw gemakkelijk gemarrei en gesparrel znw moeiten gemestiek znw gymnastiek gemien bnw gemeen gemietje znw o. gezeur gemoak znw o. opbrengst gemoakelk bnw winstgevend gemoedeik bnw W doodgemoedereerd gemoud znw o. gemoed gemoudegd bnw rustig gemoudelk bnw doodgemoedereerd gen gel znw lanterfanter gen gein ww slenteren geniks znw o. niets doen genoat znw garnaal genoatjen ww garnalen vissen genoavend tussenw goeienavond genog(t) bw genoeg; gemakkelijk gen otter n ww stil genieten genougen znw o. genoegen genougen, z. ww z. vergenoegen genougzoam bw vrijwel genut 1 znw o. genot genut II znw o. O onweersbeestjes gepe znw geep; lang en dun persoon gepiemel znw o. getreuzel geporrelmorrel znw o. pijn (in het gebit) geprommel znw o. gemopper gepruddel znw o. gepruttel geps(e) znw gesp geraag znw o. gescheld geraaid(e) znw o. paardentuig geraidschop znw o. gereedschap gerak znw o. het nodige gerdien znw o. gordijn gerechteghaid znw rechtvaardigheid gerechteghaid, goude - tussenw lieve help geredder en geregel znw georganiseer gereedschap znw o. gereedschap gereer znw o. geschreeuw (huilend-) gereg bnw gerend gereudel znw o. geroddel gerezelvaaierd bnw resoluut
|
geribte znw o. geraamte geriddel znw o. gestoei gerief znw o. het nodige gerizzelveerd bnw W kloek geroaden bnw geraden gerotter znw o. geronk geroup znw o. geroep; roep Gerriet eigenn Gerrit gerust bw stellig geruzzei znw o. geritsel geschatter znw o. geschater; ekstergeluid; geschèl znw o. gescheld geschotter znw o. geschater geschrip znw o. gezwoeg geschuddeld bnw opgescheept gesister znw o. gesis gesjank znw o. gezeur geslons znw o. onnutte opschik; rommel gesnor znw o. prullaria gespaddel, gespartel znw o. gespartel; inspanning gespuus znw o. gespuis gèst(e) znw gist gèst, op - znw aan de zwier gèsten ww gisten gestiekeld en gespoord bw geheel gereed (om te vertrekken) getabberd en gekoefd bnw uitgedost getakt bnw gehumeurd getiepel znw o. geduldwerk getjaauwel znw o. geroddel getoefd en getabberd, getopt en getoefd bnw uitgedost getroost bw goedsmoeds getudel znw o. geknutsel; gepeuter getuge znw getuige getugen ww getuigen geude znw goot; slootje geut znw greppel; afscheidingsslootje geut(e) znwgoot\ geutjen ww graven (sloten) geutstain(e) znw gootsteen geutstien znw W gootsteen gevaal, geval znw o. geval gevaleghaid znw genoegen geve bnw gaaf geven ww geven; melk geven • tt: geef-geft vt: gaf vdw: geven geft > geeft geven, z. ww schikken, z. geven koop bnw spotgoedkoop gevoarelk, gevoarlek bnw gevaarlijk gevolgen, van dij - voegw zodat gevret znw o. het eten gevricht znw o. gewricht gevrotje znw o. het eten gevruzzel znw o. gewroet gevuil znw o. gevoel gewaaid(e) znw o. ingewand (v.e. slachtbeest) gewamsd bnw uit de kluiten gewassen geweld, van - bw verbazend gewelf(te) znw o. gewelf gewént, gewlnd znw o. N, W stuk land; afstandsmaat gewulf znw o. gewelf gewurg znw o. gezwoeg geze, geze-goze znw domme vrouw gezelschop znw o. gezelschap; luizen (scherts.) gezelschopzuit bnw gezellig (van aard) gezicht znw maat (zover als oog reikt) gezicht(e) znw o. gezicht gezoes znw o. gezeur; gesuis gezond bnw gezond gezondhaid znw gezondheid gidder znw Ww uier giebel, giebeljet, giebelketrien, gie-beltoet znw giechelaarster giegemegugel, noar de -; giegom. noar de - znw naar de maan gien lidw W geen gier znw gil gier, aan de - znw aan de zwier gieren en groapen ww schrapen gierplnze znw gierigaard giesp(er) znw regenbui, striemende slag gieten ww W gieten • tt: giet-gut vt: goot vdw: goten gut > giet giezeln I ww geselen giezel n II ww gijzelen giezeln Hl ww ronddraaien giezeltöp(pe) znw tol gijhonger znw geeuwhonger gil(le) znw o. gezelschap gilde znw o. O deel v.h. dorp gilp znw schreeuw gilpen ww gillen gimmestiek znw gymnastiek gingeln ww drentelen gis znw raming gizzen ww gissen glaai bnw gezwollen; glimmend glaas znw o. glas; venster glad bnw glad glad bw bijna; helemaal gladdeghaid, gladden(s) znw gladheid gladsmeer znw schoensmeer gladsmeerdeus znw echtgenote (scheldw.) gladstevel znw als heer gekleed persoon gladte znw gladheid glas znw o. glas; ruit glasketikjen, glasketikken ww ruitentikken glee znw het glijden glee, op - znw op streek gleer znw vuile streep gleers(k) bnw niet zindelijk; glibberig glereg bnw glibberig; streperig gieren ww besmeuren glidderg bnw glibberig, glad giidderglad bnw slijmerig glad gliddern ww glijden glidskeboane znw glijbaan (e) znw glijbaan glieboantjen ww op de glijbaan spelen\ glieden ww glijden • tt: glie-glidt vt: glee vdw: gleden glidt > gliedt glief znw kier gliesterken, gliestern ww glijden (op sneeuw of ijs); kiskassen glieve znw W kier glij bnw gezwollen; glimmend glimmers znw ogen glimsmeer znw o. schoensmeer glin in hakken bnw des duivels glm(de) bnw boos; gloeiend; verzot op; sterk van smaak glln(ne) bw erg glinne bnw gloeiend glinneghaid znw gloed Glins (in) [Glinster] Godlinze N glistern ww glijden (op sneeuw of ijs) gloazetikker znw meikever gloep znw kier; steeg gloepen ww gluipen; kwaad kijken •tt: gloep-glópt vt: gloop vdw: glopen glópt > gloept; in W gloepen > glupen gloepend bw erg, zeer gloependeglm bnw gloeiend heet gloepens, gloepenze bw zeer gloeperd znw gluiperd gloepgat znw o. kijkgat gloeps(k) bnw gluiperig gloepstreeks bw stiekem glop znw gat; hoeveelheid glots znw snee (snijwond) gloud znw gloed gluien ww gloeien glup(pe) znw snee (snijwond); spleet glupen ww W gluipen. Zie gloepen. glupend bw W zeer gluup znw W kier gnaauwen ww onverwacht bijten gniflagen ww gniffelen gnot, gnut, gnuut znw o. O onweersbeestjes goadelk bnw voordelig goaf bnw gaaf goaf znw gave; tweede gezicht goagel znw tandvlees goal znw W stapel vak (in de boerenschuur) goalek bnw voordelig goan ww gaan • tt: N en O goa-gaait W goa-gijt vt: ging vdw: goan N en O goa > gaai goan, der om - ww er om spannen goan, der om wèg - ww er van langs gaan goar bnw gaar; half vergaan goaren znw o. garen Goarkeuken, De - (op) [Goarkeuke-ner] Gaarkeuken W goas znw o. gaas gob-aai znw o. stinkei; flater gobbe znw zware regenbui gobbe bnw dik (v. vloeistof) gobbeln ww bewegen (vloeistof); gutsen gobben ww bewegen (vloeistof); hard regenen; ruim zitten gobse znw hoeveelheid goddel bnw half gaar; los (van structuur); ongedurig goddein ww borrelen; gorgelen goddern ww gutsen; ritselen gods(e) bw zeer godsbenaauwd bw intreurig goegelfluiten ww in elkaar flansen goegeln ww W goochelen goeie znw O oud paard goelen ww W huilen (div. bet.) goen vnw W iets goenen(t) vnw W enkele(n) goeze znw suffig persoon; vergeetachtig persoon goezen ww gutsen gogelder znw goochelaar gogeln ww goochelen goi tussenw hemeltje goidag, goiedag tussenw goeiedag goiendag tussenw goeiedag gokkerd znw dikke neus gold znw o. goud golden bnw gouden goldjebloum(e) znw goudsbloem goldrenet, goldringenet znw goudrenet golf znw stapelvak (in boerenschuur) ggolp znw scheut ggolpen ww bewegen (v. vloeistof) golve znw stapelvak (in boerenschuur) golvern ww luid huilen gongeln ww slenteren ggonnen ww gaan gonnen(t) vnw N enkele(n) ggontern ww verlangen naar ggooi, in dij - bw ongeveer ggoot znw regenbui; scheut ggörde, görde znw gort g |
ggordegruwel znw krentjebrij ggorreg bnw groezelig ggorrel bnw half gaar; los (van structuur); ongedurig ggorreln ww borrelen; gorgelen ggort znw N, W gort ggort znw O gort ggortenteller znw vrek ggoud bnw goed ggoud bw royaal ggoud znw o. goederen; kleren ggoudens znw goedheid; inschikkelijkheid ggoudhaals znw goedbloed ggoudkeuren ww goedkeuren ggoudkeuren znw goedkeuring ggoudkoop bnw goedkoop ggoul znw stapel vak (in boerenschuur) ggoullougen ww volstouwen (v.d.'goul') ggoumorgen tussenw goeiemorgen ggoun vnw iets ggoundag tussenw goeiedag ggounen(t) vnw enkele(n) ggo wel znw kwajongen ggovvelg bnw onregelmatig ggo wel n ww bewegen (vloeistof); slaan ggower(d) znw lobbes; lomperd ggoze znw suffig persoon ggozen znw onhandige jongen ggozzel bnw slim bijdehand gozzel znw suffig persoon graacht(e), graaft(e) znw gracht graain znw korrel graas znw o. N oppervlaktemaat graauw bnw grauw; donker; halfvolwassen graauw znw o. hekel graauw en groeterg bw smerig graauwaart znw grauwe erwt graauwen ww proberen te bijten; snauwen graauwke znw o. aardgeest graauwlicht znw o. schemering graauwstammen znw kleine kinderen grabeg bnw begerig; nijdig grades eigenn Gerardus graft znw gracht; brede sloot graimboudel znw gemors graimdotse znw morsebel graimeg bnw licht morsend graimen ww O morsen graimer(d) znw morsepot graimerij znw gemors graimsel znw o. opveegsel grainen - bnw grenen – Grait eigenn Griet grammiedeg, grammieterg, gram-niedeg, gramnieterg bnw kwaad gramniet znw knorrepot gras znw o. gras; oppervlaktemaat, grashipper, grashupper znw sprinkhaan; mager persoon grasregen znw regen (groei bevorderende -) grassnieder znw kleine zeis graswupper znw sprinkhaan greide znw W grasland greideboer znw veeboer grèl bnw boos; gril gremen ww N morsen gremiet znw knorrepot grens znw grens grensken ww grimmig kijken gres znw o. gras greun bnw N groen greunte znw groente grewels znw W kanen gribbegrap, op -; gribbelgrabbel, op - znw te grabbel gribbeln ww grabbelen griebelgrabbel, op - znw te grabbel griebels znw fratsen grienderd znw huilerig kind grienderg bnw huilerig; gierig grienen ww huilen grienerd znw huilerig kind grienerg bnw huilerig griepen ww grijpen • tt: griep-gript vt: N greep vdw: grepen gript > griept grieptengel znw kind dat overal aan zit griewels znw kanen Grieze, O1de - eigenn Martinitoren griezel tussenw jeetje griezel znw kruimel griezeln ww griezelen; doen ijzen griezeln, z. ww afkeer voelen griggen znw Ww kanen grijmen ww W morsen gril bnw helder; opzichtig; verbaasd grille(r)g bnw rillerig grillen ww huiveren grimd bnw gevlekt (v. vee) grins znw grens g rins ken, grinzen ww hinniken grins ken ww huilen groade znw graat groag bw graag groalen ww genieten; schateren groapeg bnw begerig; inhalig groapen ww schrapen groaperd znw inhalig persoon groat znw graat groaven ww graven; omspitten • tt: N en O groaf-graft W groaf-groaft vt: N grouf, O gruif, W groef vdw: groaven graft > groaft grobbeg bnw inhalig grobbeln ww grabbelen; tasten grobberd znw vrek grode znw N groot ding; volwassene Grodegast (in) [Grodegaster] Groote-gast W groe(de) znw litteken groede znw bos (stro); vuil (hardnekkig -) groedeln ww slecht wassen groes znw o. gruis groet znw vuil (hardnekkig -) groeten ww slecht wassen groeterd znw morsebel groeterg bnw vuil, groezelig groetje znw morsebel groetjederij znw morsboel groetjen ww slecht wassen groetjepoet, groetjetoet, groetpoet znw morsebel groezelementen znw gruzelementen groezeis znw gruzelementen grof en groot bw meer dan erg grofdoadeg bw geweldig grofmelenschobberd, grofwaaiten-schobberd znw zwaar en dik persoon grollen ww genieten, glunderen grom znw o. kind; bezinksel grommel znw donder grommeln ww donderen; mopperen grommen ww zacht sneeuwen grompie znw o. dreumes grond znw aarde (stofn.) grondel, grondel znw grendel grondjekroepen ww onbeholpen zwemmen grondschoul(e) znw basisschool Grönneger bnw'/eigenn O Groninger groopmoe znw oma groot bnw goed bevriend groot bnw groot; trots grootbrengen ww opvoeden groothaid znw grootheid; trots groothans znw opschepper grootknecht znw eerste knecht grootmaaid znw eerste meid grootmoaken ww opvoeden grootmoe, grootmoek(e) znw oma grootolden, grootollu znw grootouders groots(k) bnw trots grootseghaid znw trots grootte znw grootte grootvoader, grootvoar znw opa gros znw o. gros; de meesten Grote Gapperd eigenn Atlantische Oceaan grotte znw O grootte grotterg bnw niet lekker grou znw litteken groube znw stalgoot groul znw O afkeer; hekel group znw stalgoot groupmis znw stalmest groutnis znw groet grouzeg bnw licht eetbaar grude znw bos (stro) \ grui znw groei gruien ww groeien; stralen (v. genot) gruilen ww genieten gruin bnw groen; plat (fig.) gruin boer znw veeboer gruinlaand znw o. weiland gruinlaandsploats, gruinploats znw boerderij (met uitsl. weigrond) gruinschild bnw met groene schil gruinte znw groente \ gruinte znw soepgroente gruinterij znw groente gruinzaip znw groene zeep grui poëten znw groeipuistjes gruizoam bnw groeizaam grundel znw grendel Grunneger bnw/eigenn Groninger Grunnegers, Grunnings znw o. het Gronings grup(pe) znw grens grup(pel) znw greppel, slootje gruterg bnw W vuil Gruupskerk (in) [Gruupskerker] Grijpskerk W gruutjen ww W slecht wassen gruvvels znw kanen gruwelwotter znw krentjebrij gruzels znw gruzelementen gudeg bnw guitig gugel znw gekheid gugeln ww goochelen; gekscheren guiten znw kinderen gul bnw gul; koel (v.d. wind) gulbe znw snee (snijwond) gulen ww W huilen gulp znw hoeveelheid; scheut; snee (snijwond) gun(ne) bw ginds gun(s) vnw gindse gunder(s) bwfbnw ginds gunderwied bw ginds gunt bw ginds guntern ww verlangend klagen; verlangen gust bnw droog (v. dieren); lens gust bnw leeg; niet melkgevend guster(n) bw gisteren gustwaaide znw vetweide guteg bnw guitig guterd znw guitig persoon guut znw guit guutjen ww grappen maken guutjepuut znw guit |
|
haai znw o. hooi haaide znw heide haaiden znw heiden haaidenboudel znw verwarde rommel haaidens bw zeer haaider znw hoeder (v. dieren) haaike znw (o.) huik haail znw o. heil haail om t zaail bw om 't hardst haai leg bnw heilig Haailsleger znw o. Leger des Heils haainen ww N vangen naaister znw hard werkende vrouw haaistern ww druk werken haalf bnw half haalf put-, haalf regenwotter znw o. halfbakken Nederlands haalfbeks, haalfbekt bnw gebrekkig; sprekend haalfgoare znw halve gare haalfgozzel bnw halfwijs haalf maal znw dwaas haalfschaid znw helft haalfsleten bnw tweedehands; van middelbare leeftijd haalfstieg znw o. tien haalfstoan ww uitdagen; delen haalfstoander znw helper haalftied(en) bw vaak haalftwaalf znw meelkost haalfwas znw jongere knecht haalfwazen bnw onvolwassen haalf weg bw halverwege haalfwies bnw gek haalfwieze znw dwaas haalfwozzen bnw onvolwassen haalfzeuven bnw getikt; tipsy haals znw hals; keel haalsboog znw deel van paardenstel haalsgat znw o. keelgat; opening (in kleding) haalsknoak znw halswervel; sul haalsmaal znw dwaas haalssloekers znw krieltjes haalterkwaalter znw chaos haalve znw o. helft haalzen ww zwoegen haand znw hand haandje en wiltje znw ieder (die maar wil) haandjebakken, haandjeplakken ww loven en bieden haandkaarnen ww masturberen haarbaarg(e) znw herberg haard bnw hard haardbrood znw o. soort kadetje haarddroaver znw harddraver; uitblinker haarden ww het uithouden haardheureg bnw hardhorend; ongezeglijk haardhoed znw veel verdragend persoon haardloperij znw schaatswedstrijd haardoet, haardop bw hard; luid haardriederij znw schaatswedstrijd haardschild bnw met harde schil haark(e) znw hark haarken ww harken Haarm eigenn Harm haarm, maal - znw mal persoon Haarpel (op t) [Haarpelker] Harpel O haarst znw herfst Haarstee (in) [Haarsteder] Harkstede O haart znw o. hart haarten bnw harten (speelkaarten) haarten znw harten (speelkaarten) haarten, van - bw van harte haartkloppens znw hartkloppingen haauw(e) znw slaag; slag haauw(er) znw houwwerktuig haauwbred (scherts.) znw tennisracket haauwen ww druk bewegend lopen haauwen, haauwgen ww slaan haauwken ww wieden habbedoedas znw slag haggeln ww eten (gulzig -) hai tussenw ach hai vnw hij haid(e) znw afval haien en faien ww kreunen en steunen haikeroazie znw drukte hail bnw geheel; heel hail(en), haildaal bw helemaal haile znw flink persoon, flink - haileboel, haileboele vnw O heleboel hailendaal bw helemaal hailewel bw bepaald hailtied(en) bw altijd haim znw o. heem; erf haimerke znw o. kakkerlak, huiskrekel haimstee znw o. bouwterrein; grond (voor huis en tuin) haimzaik bnw heimwee hebbend haimzaikte znw heimwee hais(teg), haisterg bnw hees haisterg bnw wild haistern ww druk werken hait bnw heet; driftig; warmbloedig haiten ww heten haitied(en) bw altijd haitkiddelg, haitkilleg bnw kleinzerig hak(ke) znw hak hakhoorn znw schoenlepel hakje znw o. kniestuk v.e. varken hakjedraaien ww ronddraaien (op de hakken) hakkebieten ww bijten (naar de hakken); vitten hakkelepel znw schoenlepel hakkemak znw rommel hakkemak en nikkenak, hakkemak en vegezak znw allerlei hakkenkruk(ke) znw krabbelaar (schaatsen); knoeier hakketrekker znw schoenlepel haksel znw o. fijngehakt stro hakseln ww verhakselen; schaatsenrijden (met korte slag) haldaal bw helemaal hallozie znw o. horloge halterkwalter bw kriskras Ham (op n) [Hamster] Ham, Den - W hammeln, z. ww z. flinkhouden Hammerk, t - (in) [Hammerker] Nieuwolda O hampel znw sul; hinkend persoon hampeln ww hinken hampetamp znw rare vrouw hampslamp znw sul handegen, handen ww mee overweg kunnen handen vollen ww bidden handeveger znw flinke hulp hands(e), handsk, handske znw want handsel znw o. handvat handsmeren znw fooi handtaiken znw handtekening handtast znw kort werkje handwisk znw fooi handzoam bnw handzaam; geschikt hang-over-deur znw meelkost hangel, hangelgare, hangelstok znw hengel hangeltopke znw o. dobber hangen ww hangen • tt: hang-hangt vt: hong vdw: hongen hong > hing; hongen > hangen hankemank bnw kreupel Hans eigenn Hans hans znw sufferd hans miegel znw lomp persoon hans(ka) znw torenkraai hantam znw peuterend kind happeg, haps bnw happig hapscheer znw kribbige vrouw hapschuddel znw lompe vrouw hapsnoede znw brutale vrouw hapwaarm bnw goed warm harin vz Old naar binnen harrebakkel, harregat, harrejakkels, harrekakkel tussenw bah hartelk bnw hartelijk; hartig hauwken ww W wieden havvel, havvelkoar, havveltoe znw snibbige vrouw havveln ww twisten hazzens znw hersenen hazzenschraben ww studeren hebbelachteg bnw aanstellerig hebben ww hebben• tt: heb-het vt: N en O haar, W har vdw: had het > heeft, hebben, z. ww schikken, z. hebrecht znw gelijkhebberig persoon hecht znw o. heft heden, op t - bw tegenwoordig heeg znw heg heegknipper, znw winterkoninkje heegkroepertje znw o. winterkoninkje heegscheer znw heggeschaar heegsnitter znw winterkoninkje heegster znw actieve vrouw heegstern ww druk werken heegtikkertje znw o. winterkoninkje heelt znw zweet heelt znw o. eelt |
heer bw geleden; hierheen; vandaan heer znw o. koning (kaartspel) heerd znw haard; strook land heerdaimke, heerdiemer znw kakkerlak; huiskrekel heergeven (,z.) ww overgeven (,z.) heergoan ww gebeuren heerhoalen ww vandaan halen; herstellen heerholden, z. ww z. overgeven heem znw haring heerns, oet - znw serieus heertiekje znw o. lieveheersbeestje heertuutje znw o. lieveheersbeestje heerwoarts bw geleden hege znw heg negen ww verzorgen neger znw kwajongen; actieve vrouw heibels znw N ruzie hekeln ww hekelen; krabben hekjeperfekje bw perfect hekjeperfekje znw o. zeer precieze vrouw heksebiel(e) znw soort bijl heksen ww het onmogelijke doen helbannegduvels bw razend hèlbèl znw tierende vrouw heibellen ww tieren helder bnw helder helder bw flink heldertje znw o. borrel helfte znw N de helft heigen znw helling; scheepshelling heileg bnw duivels Helm (in) [Helmster] Helium O helpen ww helpen; slaan • tt: help-helpt vt: N hulp, O hólp, W hielp vdw: hólpen hulp en hólp > hielp helster znw o. halster hemmel bnw schoon (net) hemmeln ww schoonmaken; slaan hemmen ww N,W hebben. Zie hebben, hen bw heen hèn? tussenw hè? hengstepraan znw stamppot bruine bonen hennebienoanait bw lang niet here-kom-oet, herie-koom-oet znw ruzie herik (och -) tussenw heden (och -) herin vz Old naar binnen herom vz Old rond hetje znw o. ogenblik hetseg bnw hitsig; warm hette(n), hettens znw hitte hettendruppen znw grote regendruppels heu znw o. O hooi heubult znw hooiberg heuen ww hooien heufd znw o. hoofd heufdpien znw hoofdpijn heugte znw O hoogte heukel znw hokkeling; stommeling heukeln ww slingerachtig lopen heukerg bnw onbeduidend; rillerig heumennen znw hooioogst heun bnw bedroefd; bleek heunsproak znw verwensing heup znw heup heur bnw gehorig; stil (in de natuur) heur tussenw hoor heur vnw haar; N,W hun; zich heuren ww horen; luisteren; toebehoren; klinken; behoren heuren(t) vnw de/het hare; de/het hunne heuweer znw o. weer om te hooien hevven ww heffen; meerderen hibbel znw aanstelster; snoeshaan hiel bw W heel hielemoal bw helemaal hielendal bw helemaal hiem znw o. W heem; erf hiemen ww hijgen hiemerg bnw kortademig hiemham znw lang ding; mager persoon hiep znw slag hiepenkriet znw bang persoon; klein persoon; klager hieper(d) znw tenger kind hieperg bnw kouwelijk hiepern ww rillen (v. kou) hiepkonter znw ontevreden persoon hiepkonterg bnw stuurs; ontevreden; niet lekker; grieperig hieptaik znw hypotheek hier of woar bw ergens hierzoot bw hierzo hies bnw W hees hies znw vlees (div. soorten -) hiestentriest znw onaangenaam persoon hiet bnw W heet hij vnw W hij hikhak znw kibbelaar hikhakken ww ruziën; twisten hikhakkerij, hikhakkerderij znw ruzie hilleg bnw heilig hilt(e) I znw handvat (v. gereedschap) hilt(e) II znw bergplaats himmeltjen ww licht schoonmaken himphamp znw mager persoon; molenwerktuig hm bw heen; op de heenweg; verder; neer hln(ne) znw kip hm of bienoa nait bw lang niet Hinderk eigenn Hendrik hing znw scharnier hïngoan ww heengaan; beginnen hinkelepink znw kreupele hinkelepinken ww hinken; huppelen hinkelpoot znw kreupele hinkjen, hinkjevakjen ww hinkelspelen hlnkuken znw o. kuiken (nl. hen) hinneweer bnw wispelturig hinneweer bw heen en weer hinterdetwinter bw kriskras hipper(d) znw N,W vlo; hippend persoon; mager persoon; hirrewirderij znw ruzie hirrewirren ww kibbelen hister bnw nerveus, opgewonden hizzebizzen ww schelden hizzen ww ophitsen hoageldoorn znw meidoorn hoageln ww hagelen hoagels bnw woedend hoak znw haak; gewricht; soort schop hoaken ww haken; spitten hoalen ww halen • tt: hoal-hoalt vt: N hil, O huil, W hoalde vdw: hoald N hil > hiel > hoalde hoamel bnw mager hoamel znw emelt hoamer znw hamer hoan(e) znw haan hoanebieter znw bruine kiekendief hoanebolt znw lisdodde hoanepoot znw hanenpoot; perzik-kruid, zevenblad hoanetree znw kleine pas (Tig.) hoankuken znw o. kuiken (t.w. haan) hoantree znw ogenblikje; kleine pas hoar znw o. haar hoar-op-hond, dichte as - bnw dicht-opeen hoaren ww scherpen Hoaren (in) [Hoarener] Haren O hoarscheren ww twisten hoarsnieder znw kapper hoas znw o. haas; aas (in kaartspel) hoasjoagen ww jagen; najagen hoasneut znw hazelnoot hoast bw bijna hoasteg bnw haastig hoasten ww haasten hoaten ww haten hoats(k) bnw haatdragend hoaven ww havenen hoaven znw haven hoaver znw haver hoavertaail znw haverpluim hoaze znw haas hoazeneut znw hazelnoot hoazestrik, hoazestroep, hoaze-struup znw hazenstrik hobe, te - bw tesamen hoddern ww schateren hoed znw huid; vel; lichaam hoegen ww hunkeren hoek znw 0,W hurken hoek(e) znw huik hoel(e) znw sirene hoelbek znw schreeuwlelijk hoelen ww huilen; loeien hol znw houvast hol-aan, hoeske van - znw o. gastvrij huis hoeltop znw tol hoeregat tussenw bah hoes znw o. N,01d huis hoesaimke znw o. kakkerlak; huiskrekel hoesgeroad, hoesgroad znw o. huisraad |
hoeshin znw veel thuiszittend persoon hoesholderske znw o. huishoudster Hoeskes, Lutje - (op) [Lutjehoeske-der] Kleine Huisjes N hoesroad znw o. huisraad hoesschonen ww grote schoonmaak hoesschonerstied znw schoonmaaktijd hoesvaast bnw honkvast hoeven ww W hoeven hoezen ww ophitsen Hoezen (in) [Hoezener] Huizinge N hoezie znw o. huisje; toilet höfteg bnw gejaagd; opvliegend Hogebrug (op) [Hogebrugster] Noorderhoogebrug O hogelk bnw voornaam hogemuur znw achtermuur (v. boerderij) Hogezaand (op t) [Hogezandster] Hoogezand O högte znw O hoogte hok znw hoop korenschoven hok-stok-blok znw boter, kaas en eieren hokkebokken ww wiegen hokkefokken ww stoeien hoks(el) znw knieholte hoksel znw brutale meid holbol bnw luidruchtig; winderig holden ww houden • tt: hol-holdt vt: N hil, O huil, W hiel vdw: holden hil > hiel holden znw houding holden, z. ww z. houden; z. richten naar holdert znw einde werktijd holdert geven ww ontslaan holdert holden ww ontspannen hole znw o. hol holoogd bnw hologig holsken znw klompen (soort -) Holstainer eigenn Holsteiner holstainer znw ruw persoon holster znw lomp persoon holsterachteg bnw wild holt znw o. hout holten bnw houten; houterig holtjen ww houtjes maken höltoakster znw vlaamse gaai holtstek znw o. houtpakhuis holvern ww huilen; schreeuwen Holwier (in) [Holwierderj Holwierde N hom vnw hem; N zich Homko, Homkool, Homkoos eigenn Dinges hommeln ww ruziën hommeltje znw o. hoeveelheid Hommes, Homko van der -; Hommes, Van der; Hommesko eigenn Dinges homp(e) znw homp Homskool eigenn Dinges hondebloum znw paardebloem hondebolt znw lisdodde hondekruud znw o. pijpkruid hondjes, op zien - bw slecht zwemmend hondsvot znw verachtelijk persoon hongerkaamp znw schrale weide hongerlap znw hongerlijder hontong znw bladeren v.d. paardebloem hooghöltje znw o. smal en hoog bruggetje Hoogkerk (op) [Hoogkerker] Hoogkerk W hoogsten, ten - bw zeer hoogte znw wierde; hoogte hoogvonder znw O smal en hoog bruggetje hooi znw o. N,W hooi hooien ww hooien hooi znw o. hol hoonder znw kippen hoop, te - bw tesamen hoop-en-troost znw een en al Hoorn (in) [Hoornster] Hoorn, Den - (Wehe -) N hoorn(tje) znw (o.) slakkehuis hoorntjeslak znw huisjesslak hoornvij znw o. koeien hoos znw kous; sukkel hoossok znw sukkel; slordig persoon hoppeg bnw los (v. structuur) hor znw aardappelzeef hór tussenw O hoor hör tussenw hoor hörn znw hoek Hörn (in) [Hörnster] Nieuw Beerta O Hörn, n - (op) [Hörnster] Den Horn W Hörnhoezen (in) [Hörnhoester] Hornhuizen N hörnschaif, hörnschuuns bnw gerend hörntje znw o. hoeveelheid (sneeuw) horre znw kwade vrouw horrebedor znw helleveeg; ruig en opvliegend persoon horrel znw hobbel (ltk en fig) horst znw Ww zandhoogte host bw W bijna hot znw biest; kaasstof (in melk) hötken en stötken ww O horten en stoten hottevotten ww W stoeien hottjen ww slecht lopen; opschieten hou vnw hoe houd znw hoed houer znw hoer hougenoamd bw hoegenaamd houk vnw hoe zulk(e) houk znw hoek; soort schop Houk (op) [Houkster] Martenshoek O houken ww baggeren; wieden houken(t), houksen(t) vnw hoe zulke(n) hounder znw kippen hounder- voorv kippen- hounderdaif znw kippendief; gluiper hounderkefraans znw o. gebrabbel (v. kinderen) hounderneers znw nieuwsgierig persoon houndervel znw o. kippenvel hounen(t) vnw wat voor een houp(el) znw hoepel houst(e) znw knoest housten ww hoesten houstje znw o. borrel; hoeveelheid houvel, houveul vnw hoeveel houveul te ... houveul te voegw hoe ...des te Houwerziel (in) [Houwerzielster] Houwerzijl N hoze znw kous; sukkel hozevöddels, op -; hozevörrels, op - znw op kouse voeten hozezok(ke) znw sukkel hudde znw hut hude(r) znw bergplaats; hoeveelheid hugeln ww huichelen hugen ww O hunkeren hui bnw aanstellerig; dun (v. vloeistof) hui I znw drukte hui II znw wei (zuivel) hui III znw o. hooi hui(la) bnw luidruchtig huil bw O heel huil om t zuil bw om 't hardst huiven ww hoeven • tt: huif-huft vt: N hufde, O huifde vdw: huifd huif > huf; huifde > hufde huk, hukken(t) vnw wat voor huken, op - znw W op de hurken hukker znw lafaard huks vnw hoe zulk(e) huksoorteg vnw wat voor hul znw peul hulpzeel znw bretel hulpzoam bnw behulpzaam huls znw huls; hulst huiten en bulten znw oneffenheden hulterg bnw hobbelig huize znw huls hulzebos znw hulststruik hummel znw hommel; klein kind hunneg, hunnek znw honing hunskern ww verlangend huilen hup(pe) znw heup hupzelen znw bretels hur tussenw hoor hurre, hurregek tussenw tjongejonge husie znw o. toilet hut znw hut hutje mit mutje znw botje bij botje hutseln ww frutselen; knutselen Hutten (op) [Huttender] Klein Ulsda O huud znw W huid huul znw vliesje (uit klokhuis) huul bw W heel huus znw o. W,Vk huis huusholdster znw huishoudster huuske znw o. toilet huut(je) znw (o.) restant hu ven ww W hoeven • tt: huuf-huft vt: N huufde vdw: hufd huft > huuft; hufd > huufd huver znw huivering huverg bnw huiverig huvern ww huiveren huwen ww hoeven Zie huiven, huzen ww ophitsen huzien znw o. toilet huzzeln ww hutselen |
|
ie vnw jullie; u iebels bw W zeer iedel bnw ijdel; zenuwachtig iedeljipsk bnw ijdel; zenuwachtig iedeltoit; iedeltoide, iedeltuut znw ijdeltuit ieder znw ijzer iegel znw egel; rakker; bijdehand kind iegelkouerte znw Ww egel iegeln ww ijzen iegelswien znw o. egel iegoal bnw W om het even iek I znw eik iek(je) ii znw merkteken ieken bnw W eiken iel(t) znw o. eelt ieiinne znw ellende ieljebij znw wesp ielte I znw o. eelt ielte li znw O lisdodde ieiu vnw jullie iembieter znw koolmees iem(e) znw bij iemeg bnw ijverig, nijver, aktief iemerke, iempien znw o. kakkerlak; huiskrekel iempikkertje znw o. koolmees ien vz N,W in ienaargern ww verergeren ienankern ww wortel schieten iendoekt bnw met gebogen hoofd iengoal bw W gelijkmatig ienkrabeg bnw inhalig ien ree znw inrit iensterment znw o. instrument; ondeugend kind |
ienstupen ww influisteren iepenboom znw iep iepenkriet znw klein persoon ier znw N,W gier ies bw W eens ies znw o. ijs (niet voor consumptie) iesboarliek bw zeer iesder znw O ijzer ieuweg bnw W eeuwig ieveg bnw W eeuwig iever znw ijver iezel znw ijzel iezen ww ijzen; griezelen ijde znw egge ijden ww eggen IJmentil (op) [IJmentilster] Enumatil W ijs znw o. ijs (voor consumptie) ijske znw o. N ijsje, ijsco immer bw even in vz O in in ... bezied vz temidden van in ... om vz in de omgeving van in ... op vz tegen ... in in hebben ww moeite kosten in stee dat bw in plaats van in tied bw intussen in tied dat bw terwijl in tieden bw langdurig inains bw ineens inbeuren ww beuren ind(e) znw o. eind(e) ind, in t - bw overeind; uiteindelijk indelk, Indeln bw eindelijk indrift znw inrit; weg (tussen twee stukken land) |
induzzein ww influisteren ingoan ww aangaan (school) inhoalen ww binnenhalen inholten znw lichaamsgestel inkoelen z. ww zich nestelen in kom steg bw voortaan inlakkaaiern, inlaksaaiern ww inklinken inlustern ww influisteren inmoaken, der - ww zaaien inom vz in de omgeving van; rond inop vz in,... -inpaiken ww O insmeren inpangeln ww ruilen inpoeiern ww inprenten ins bw eens inschunen ww influisteren inslag znw schoolbegin instekersraive znw o. slecht gereedschap insterment znw o. instrument instoeken, instupen ww influisteren instoeper znw souffleur intast znw eetbare ingewanden integen bw tegen Inter znw eenjarig paard intieds bw tijdig invoart znw inrit inwaaiden ww inwijden inzaailen ww inslapen inzaipen ww inwrijven (zeep of sneeuw) inzeggen znw berisping; waarschuwing inzeggen ww waarschuwen inzen bw eens inzetten ww inmaken (conserveren) ipscheuten, van - znw zonderling persoon ittjebi] znw O aardbei |
|
ja bw immers; ja jaainen ww drenzen, huilen Jaan eigenn N Jan jaan, maal - znw mal persoon Jaanje eigenn Jantje jaas znw N jas jaauweln ww babbelen jaauwsterlaid znw o. smartlap jaauwstern ww huilend klagen jacht znw jacht; haast jacht-deur-daarms znw dun eten jachteg bnw gejaagd jachten ww haasten jachtsnij znw opgewaaide sneeuw jachtwaaid(e) znw gelagkamer jai, jaikes tussenw jeetje jai vnw St je jaipies znw St meidoornvruchten jaiweln ww klagen jaizeln ww klagen; zeuren jakkei tussenw bah Jan gat znw sufferd Jan hm znw pottenkijker Jan Paiter Oepkes eigenn Dinges Jan, Pait en Kloas vnw Jan en alleman Jan-in-de-boksem, Jan-in-de-zak, Jan-in-onderboksem, Jan-in-t-hemd znw meelkost jandoedel znw jenever (slechte -) jank znw verlangen jan lap znw apotheek jan neg bnw zwierig jannever znw jenever jannewoarie, jannewoariemoand znw januari japperd znw deugniet jas znw jas jawol bw ww jawel jaze, jazze znw jas je vnw jullie; u |
jechteg bw echt jechteghaid znw zekerheid jegend znw O omgeving jegender znw gelijke jenteg bnw geschikt; lenig jes znw N,W jas jeud(e) znw jood jeudenbouldag znw slordige troep jeudenkerk znw synagoge jeudenschoule znw janboel jeudske znw o. jodin jeukerg bnw prikkelend jeukte znw jeuk; zorg jeupen znw appelsoort jeuzel(gat), jeuzelkont znw klagend persoon jeuzeln ww klagen; zeuren jezzeg bnw lenig jidder znw O slijk; uier jier(e) znw N gier jilpen ww gillen jim vnw W jullie jimmes vnw de/het uwe Jipsenhoezen (In) [Jipsenhoezer] Jipsinghuizen O jirre znw O gier joa bw ja joagen I ww jagen, op jacht gaan • tt: joag-joagt vt: joagde vdw: joagd joagen II ww jagen, hard rijden • tt: joag-jagt vt: N joug, N juig en jaig, W joeg, vdw: jagd jagt > joagt; joug/juig/jaig/joeg > joagde; jagd > joagd joak znw diaken joakenraif znw slecht goed joaneken ww zaniken joap znw snee (snijwond) joar I znw o. jaar joar II znw o. uier joardag znw verjaardag joareg bnw jarig
|
joarlieks bnw jaarlijks joe vnw jullie; u joechaai, joechij znw drukte joegel, joegeltjebom znw slecht drinken (: koffie) joeien ww W stoeien joekseln ww schudden joen vnw uw joenent vnw de/het uwe joepe znw gier; slijk joggel, joggelebom znw drinken, slecht - (: koffie) joks, oet - znw voor de lol jompen ww gooien; stoten jong znw jongen jongen znw jongelui jonges, dikke - znw pronkerbonen jongkerel znw jongeman jonk bnw jong jonk znw o. jong (v.e. dier) Jonkersvoart (op de -) [Jonkersvoar-ter] Jonkersvaart W jonkgoud znw o. jongelui jonkhaid znw jeugd jonkvolk znw o. jongelui jonnevoet znw W weinig inbrengend persoon jorreg bnw N jarig jou vnw S u jouker bnw duur; slim joun vnw uw joune znw flauw persoon juchtern ww stoeien juffraauw znw juffrouw juggel znw drinken, slecht - (: koffie) juggelwodder znw o. slechte koffie (e.d.) jui, aan de - znw aan de zwier juipies znw St meidoorn vruchten juk znw o. oppervlaktemaat; bruggetje zonder leuning Jukkerd (in) [Jukkerder] Jukwerd N just bw juist jutjen ww treuzelen juust bw juist; trouwens juvver znw juffrouw juvvern ww netjes staan |
|
k vnw ik ka znw tamme kraaikaaibakjen, kaaibakken ww werpspel met stenenkaaier znw wandeling kaaiern ww O kuierenkaaikebakjen, kaaikebakken, kaai-keboeren, kaaikegooien znw o. werpspel met stenen kaainen ww stinken, ruikenkaaizer znw keizerkaalf znw o. kalf; onnozel persoonkaalf(d) bnw drachtig (v.e. koe)kaalfkou znw drachtige koekaalf mozes znw stommeling kaalk(e) znw kalkkaalm bnw kalmkaalven ww kalvenkaalverknijen znw met de knieën naar binnenkaalverproat znw flauwe praatkaam znw kamkaambe, kaamp znw stuk grondkaan znw kan; literkaande znw kantkaans znw kanskaant(e) znw kantkaar bw bijna; wankelkaar znw karkaarbenoadje znw karbonadekaart znw kerf; ring (in koehoren)kaarmen ww kermenkaarmenoadje znw karbonadekaarnen ww karnenkaarnhoes znw o. deel v.d. boerderijkaarper znw karperkaars, kaarze znw kerskaarven ww kervenkaarzepikkertje znw o. zangvogeltje (div.)kaast(e) znw kastkaauw(e) znw kooikaauweln ww kauwen (kleine hapjes -); onbeduidend pratenkaauwen ww kauwen; vervelend pratenkabbe znw bovenstuk; hoeveelheid; kapkabbenaalern ww verslindenkadde znw katkaddepokkel znw hoge rugkaddepokkeln ww z. nederig buigenkaddepul znw katapultkaddestaart znw lisdodde; bloem (div.)kaggel znw kachelkaibeln ww kwebbelenkaif, kaiwe znw O kieuw; kaakkaiweln ww langzaam kauwenkaizen ww kiezenkaizer znw kiezerkakallechie znw soort snoepjekakheuvel znw wijsneuskakje, t haile znw o. de hele zwikkakkenoodje znw o. bang persoonkakstoul(e) znw kinderstoelkal kou n znw kalkoenkalvien znw appelsoortkam(me)lötten ww smullenkame; kamme znw kamkam mei n ww kauwenkammeroad znw kameraadkammeroadske znw o. vriendinkamnet znw o. kabinetkamp bnw gelijk (bij wedstrijden)kamp geven ww de strijd opgevenkamzool znw o. jakje; jaskane, kanne znw kan; literkankouk znw kantkoekKannes (In) [Kaanster] Kantens N kant bnw klaar; netkant bw bepaald; bijnakanten en ranten znw hoeken en gatenkantkouk znw kantkoekkap(pe) znw kap; bovenstuk; hoeveelheidkappeloan znw kapelaankapperoal znw korporaalkaps bnw blutkapsaaizen ww kapseizenkapsie znw tegenwerpingkapstok znw kapstok; lang en dun persoonkaptaain znw kapiteinkaptoal znw o. kapitaalkarbenoade znw karbonadekare znw karkarrel znw o. kaasstof (zuivel)karreln ww bederven (v. melk); schiftenkarriefarrie znw O een of ander dingkarro, kokende - znw iets heetsKarsttied znw W,Ww Kerstkaskenoade znw koude druktekastelaain znw kasteleinkat(te) znw katkat-achter-kat bw in een lange sliertkathaalzen ww reikhalzenkatje, t haile - znw o. de hele zwikkatjejacht znw drukte (op straat)katjeliem znw harskatjen ww trillen (v.d. lucht)katjewaai znw klap; oorvijgkat-oel znw kerkuilkawalter speulen znw de baas spelenkaziematten znw bedkebalter speulen znw de baas spelenkebèlskop znw maskerkeboal znw o. kabaalkebof znw keuken (in boerderij); bouwvallige woningkebouter znw kabouterkedde znw kettingkedel znw ketelkedelbuiterij znw druktekedetje znw o. kadetjekedip nemen znw onder handen nemenkedonzel znw slagkedonzels, kedovvels znw aardappelskeduks(ie) znw beheerKee eigenn Corneliakeel znw dik geworden melkkeers, keerze znw kaarskees znw kaaskeesblommen znw N iluitenkruidkeesbrog(ge), keesbrüg znw roggebrood met kaaskeeskaauwen ww kieskauwenkeesrief znw kaasraspkefoor znw o. komfoorkejak znw cognackekajchie, kekajzie znw soort snoepjekekeln ww babbelen; redetwistenkèl bnw koud van schrikkeldermot znw pissebedkelen ww schiften (v. melk)kèlleghaid znw schrikkelonie znw hoeveelheid; koloniekemizzie znw commissiekemotter znw klapkenail znw o. kaneelkenailduveltje, sokkern - znw o. lievelingkennen ww kennen • tt: ken-ken vt: kon vdw: kendkon>kende kepiddel znw o. hoofdstukkepot bnw kapot; ziekkeraaiern ww genezenkerdiet znw o. kredietkerdoat bnw flinkkerel I znw kerel; handelaarkerel II znw N mankerel-el Ie znw stevige vrouwkerel-op-peerd tussenw tjongejongekerel-op-peerd znw ruiterkerel-trien znw stevige vrouwkerelachteg bnw flinkkeren ww drogen (v. hooi)kerk(e) znw kerkkerkvolk znw o. kerkgangerskernuten znw kornuitenkeroazie znw baldadigheid; moedkerwaai znw karwijkerwaai znw o. karweikestail znw o. kasteelkestuutsiekoor znw o. corduroyket znw kettingket-oet bnw N uitgelatenketaaier znw o. kwartier; hoeveelheidketaaier-veur-twaalven znw meelkostketaar znw o. Vk kwartierketoen znw o. katoenkettermenten ww tekeer gaankettikjen ww tikken (met sleep)keudel znw keutel; dreumesKeudeldoemke eigenn Klein Duimpjekeudeldoemke znw o. dreumes; lief kind; winterkoninkjekeudelg bnw bekrompen; onhandigkeudein ww drentelen; treuzelenkeugeltente znw ruimte vol prullariakeukelder znw goochelaarkeukelderij znw kunstenmakerijkeu Ien znw N keutelkeuneg znw koningkeunegin znw koninginkeunek znw koningkeunen ww kennen; kunnenkeunenk znw koningkeur bnw kieskeurigkeur znw keus; overvloedkeuvern ww sparenkeviel znw appelsoortkevöt, kevört znw o. envelopkeze znw kaaskezebloumen znw fluitenkruidkezèrn znw kazernekezien znw o. kozijn kezoan, veur - znw voor de gekkezoaten znw kameradenkezoatsie znw catechisatiekezorten znw kameradenkibbeg bnw bijdehandkibbel znw twistKibbelgoarn (op) [Kibbelgoarner] Kibbelgaarn O kibbelsnoet znw ruziezoekerkibbern ww N tintelenkidde znw paardjekiddelg bnw kieteligkiddeln ww kietelen; prikkelenkiebeg bnw bijdehandkiedeln ww kietelenkieft znw N kievitkiek znw kijk; soort onkruidkiek, gele - znw perzikkruidkiek, oet de - bw buitengewoonkiek-boven-deur znw meelkostkiek-in-de-wereld znw groentjekiek-over-deur znw meelkost kieken ww kijken • tt: kiek-kikt vt: keek vdw: keken kikt > kiektkiel znw wigKiel (in) [Kielster] Kiel winde weer kieleg bnw kietelig Nkielen ww wigvormig toelopenkiels bnw gerendkiemen ww kiemenkiend znw o. kind N,Wkiep(e) znw vrouwenhoed; rugmandkiepeg, kieperg bnw bijdehand; bedrijvigkiepkerel znw marskramerkiepkörf znw rugmandkieuw znw kieuw N,Wkieve znw mopperskieven ww kijven• tt: kief-kift vt: keef vdw: keven kift > kieft > kijftkieviet, kiewiet znw kievitkifke znw o. keffer; gelijkhebberig persoonkifkederij znw bekvechterij; ruziekifken ww keffen; kuchen; ruziënkijf znw kieuw Wwkijlebruier znw drinkebroerkikkak znw ruziezoekerkikkakken ww ruziënkikker(d) znw kikker; klein ventjekikkerrit znw kikkerdrilkillen ww klapperen; tintelenkilterkalter znw schiftende melkkim I znw kimkim II znw kiem; aardappelpitkimmen ww kiemenkin, dubbele - znw onderkinkind znw o. O kindkindermaal bnw gesteld op kinderen kinderpuil, kinderpuut znw op kinderen gesteld persoonkinkel in daarm znw darmkronkelkinken ww tegen elkaar tikkenkinken, oet de - znw ver wegkinkhoorn znw huisjesslakkinkhoust znw kinkhoestkinkjen ww hinkelenkinnen ww kunnen • tt: kin-kin vt: N kon vdw: kindkip(pe) znw soort hoed kip-kap-kogel znw Sint Maarten; lampionkippern ww O tintelen; kort trillenkir(re) znw paardjekirreln ww doen jeukenkirrevaalk znw nachtzwaluwkiskern ww kiskassenkist(e) znw kistkitsen ww ketsen; afwijzenkitsken ww klikklakkenkittjen ww klikklakkenkivveln ww kibbelen kivven ww keffen; kijvenklaai znw kleiklaaien ww morsen; ontdoen van kleiklaaier znw klerenklaaieroazie znw kledingklaaiker znw kleibewonerklaain bnw kleinklaaipoazer znw kleibewoner (scheldn.)klaar znw klad (vuiligheid); klitklaauw znw soort haak; klauwklaauwen ww uit alle macht lopen; snel schaatsenklaauwer(d) znw stevig kindklaauwstern ww klauterenklabbe znw ophaalbrugkladder, op - znw aan de haal; in opspraak klaid znw o. kleed; japon klaiden ww kleden • tt: klai-kledt vt: N en O kledde, W kleedde vdw: N en O kled, W kleed kledt > klaidt; kledde > klaidde; kled > klaid klaimen ww morsen klaims(k) bnw klef (v. meelgerecht) klain znw veen Klainmeer (in) [Klainmeerster] Kleinemeer O klamp znw hoeveelheid (klei, hooi) klandern ww opknappen; glanzend maken (stof) klap znw klap klap(pe) znw ophaalbrug klapscheet, ieder - znw ieder ogenblik klapspoan znw klikspaan klare znw klad (vuiligheid); klit klariddefikken znw fikken klas znw klas klazze znw klas klebukseln ww flansen kledder, op - znw op hol, aan de haal kledderpuut condoom kleden ww W kleden (zie klaiden) klem znw veenmaat kien holden ww soldij krijgen klender, op - znw aan de haal klep(pe) znw klep klepgat znw o. galmgat; gat (boven schuurdeur) kleroazje znw W kleding kletsmaaier znw kletsmajoor kletter, aan de - znw aan de zwier klettern ww kletteren; met geweld vallen; met geweld lopen kleuf znw kloof; scheiding (in haar) kleum kadde, kleum kat znw kleumig persoon kleums(k) bnw kleumig kleun(e) znw huis; bouwvallige woning |
kleutern ww hameren; knutselen kleuven ww kloven; soort ploegen klevaaiern ww in orde maken kleveren ww opkomen voor kleverg bnw kleverig kleviender znw appelsoort klibberg bnw kleverig klidder, aan de - znw aan de zwier klied znw o. W kleed klief znw soort sluisje klien znw veen kliester znw lijster kliesterbij znw lijsterbes klieve znw soort sluisje klikschulden znw kleine schulden klikspoan znw klikspaan klimmer znw klimop klink znw kling klink(e) znw deurklink klins znw melkzeef klinsbak znw afvoerbak klinstem ww op beide benen springen klinze znw melkzeef klinze znw vergiet klmzebak znw afvoerbak kllnzen ww filtreren klip(pe) znw hoeveelheid; blikken kan;zandhoogte klipgat znw o. N brievenbus klis(ter) znw kleefkruid klit znw kleefkruid klits(e) znw ongedurig meisje klitter, aan de - znw aan de haal kloagen ww klagen • tt: kioag-klagt vt: N kloug, O kluig en klaig, W kloagde vdw: kloagd klagt > kloagt; kloug/kluig > kloagde kloar bnw gereed; helder; hersteld kloar bw louter kloareghaid znw aanstalten Kloas eigenn Klaas kloater znw vuiligheid (in wol) kloaver znw klaver kloavers znw klaveren (speelkaarten) klob(be) znw stukje; hoeveelheid klóbke znw o. rond stukje hout klodde znw soort pet kloddern ww morsen kloede znw kluit; dik persoon kloef znw kluifje kloet znw kluit; klont; brok; hoeveelheid; kloeten ww klonteren; morsen kloetenstamper znw grote en zware vrouw, kloeterg bnw hobbelig; nors kloetjebakken ww knoeien; bedisselen kloetjen ww klonteren kloeven ww kluiven klodderpuutje condoom klok I znw kloek (kip) klok II znw slok klök(ke) znw klok klökgat znw galmgat klökhörn znw hoek (v. kamer) met de klok klokje znw o. borrel; slokje klokjen ww met teugjes drinken klokken ww klokken; klotsen klokkern ww klokkend geluid maken; koesteren (als een kloek) kloks bnw broeds klokschoner znw horlogemaker klombe; klomp znw klomp klompke znw o. klompje; hoeveelheid klongel znw concubine klongeln ww klungelen; overspel plegen klonje znw eau de cologne klont znw kluit; meelkost; onhandig persoon; hoeveelheid klonter znw sneeuwbrok klonter(d) znw lomp persoon klontern ww onhandig lopen; rommelig werken klontjegat znw gevangenis (scherts.) klontjegroes znw kandijgruis klontjen ww prutsen; zeuren kloon znw N kluwen Kloosterboeren (in) [Kloosterboerster] Kloosterburen N Kloosterholt (in) [Kloosterholtjer] Heiligerlee N klootvegen ww zaniken klos znw klos; sneeuwbrok (onder schoeisel) klöt znw soort pet klottjen ww morsen kloug, te -; klouk, te - bw te slim af klouk bnw bijdehand kloun(e) znw kluwen; onnozel persoon klouwen znw kluwen klözzen ww klossen kluit znw boel; hoeveelheid klumen ww W kleumen klumpe znw klomp klunderbeun znw galerij (kerk) klundern ww stommelen klunen znw opschik kluuf znw w kluif kluun znw bel (v.e. slee) kluunder znw bel (op slee) kluundern ww klingelen kluut znw W kluit kluzen ww stormen knaar znw oud ding knaars, knaarze znw oud persoon knaarzen ww knarsen knaauw znw knauw knaauweln ww knabbelen knage znw oud persoon knailen ww fijnmaken knapbus znw proppenschieter knappen ww knappen; vuurwerk laten knallen knapperd znw oud persoon knappertjes znw soort crackers knapscheet, ieder - znw ieder ogenblik knare znw oud persoon knarren ww knersen knarskop znw oud en verzuurd persoon knaster znw kraakbeen; oud ding; oud persoon Kneel eigenn Cornelia Kneels, Kneles eigenn Cornelis knepeg bnw nauwsluitend kneuzen ww kneuzen knibbel(tje) znw (o.) kleinigheid - knibbeln ww knibbelen; knabbelen knibbels znw knieën knibbeltoond bnw met de knieën naar binnen kniddervink znw opvliegend persoon kniebeltoons bnw met de knieën naar binnen knief(t) znw o. soort mes knien(e) znw o. konijn knienevreten znw o. bladeren v.d. paardebloem knientjesdoagen znw onbezorgde tijd kniep(e) znw stille kroeg; val (werktuig) kniepen ww knijpen • tt: kniep-knipt vt: kneep vdw: knepen knipt > kniept knieper znw knijper knieper(d) znw zuinig persoon; nood kniepertjes znw soort koekjes kniephoezen, kniepstuver znw gierigaard knieps(k) bnw zuinig knieptaang, knieptange znw nijptang znw scharnieren knieterd znw zuinig persoon znw gierigaard; vervelend persoon kniezen ww gniffelen; grijnzen •tt: knies-knist vt: knees vdw: knezen knist > kniest; in O knezen > kniesd knif znw werkkracht knij(e) znw knie knikkebaintjen ww beentjdichten knip znw knip; stille kroeg; portemonnee; val (werktuig) knipnoagels, op - znw op hete kolen knipper znw knijper; wasknijper knipsloapke znw o. hazenslaapje knir(re), knirt znw werkkracht knirt znw zeer zuinig persoon knirzel(bonk) znw kraakbeen knis znw steen knistern ww knarsen; knetteren knittern ww knetteren; opscheppen; vloeken knitterslag znw knetterende donderslag knivveln ww gniffelen knivveltoond, knivveltoons bnw met de knieën naar binnen knizzel znw kraakbeen knoagen ww knagen knoak znw bot Knoal (op t) [Knoalster] Stadskanaal O knob znw stomp; stoot knobbe znw knop knobben ww stoten knobe znw knoop knödde znw knot knoedel znw bundeltje; slordige kluwen; gedrongen persoon knoedeln ww frommelen knoeien ww W zwoegen knoeren ww rommelen (v. honger) knoest znw knuist; hoeveelheid knoestje znw o. hoeveelheid knoggeln ww hoesten; kuchen knöl(le) znw knol; gat (in kous, sok) knooiboksem znw knoeier knooien ww zwoegen; knoeien; beschadigen; bedriegen knoop znw knoop; vloek knoopkes znw soort kamille knoord bnw kortademig knop znw knop knopen, glmne - znw politieagent(en) knor(re) znw kraakbeen; knoest; hoeveelheid knorhoan znw knorhaan; mopperaar knot znw knot knottjeboas znw knoeier knottjen ww knoeien knovvel znw duw; soort handschoen knovvelachteg bnw onhandig knovvel kont znw onhandig persoon knovveln ww onhandig omgaan met; stoten knubbe znw knoop knuizen ww W kneuzen knup(pe) znw knoop; vloek knuren ww N kneuzen; knijpen knuterboksem ww knutselaar knuterg bnw lief; opgewekt knutern ww knutselen knuur znw kneuzing knuustern ww knutselen knuut znw o. N onweersbeestjes knuutje znw o. winterkoninkje knuutjen ww knutselen knuzen ww kneuzen koabel znw kabel; kabeltelevisie koadiek znw binnendijk koak znw kaak koakel znw kakelend persoon koakeln ww kakelen koal bnw kaal; arm; blut koalopkaps bnw blut koamer znw kamer koan(e) znw kaan koanzel znw sneeuwbrok (onder schoeisel) koanzels znw voeten koap znw meeuw koapke, koapmeske znw o. aardappelschilmesje koar(e) znw eenwielige kruikar koart znw kaart; speelkaarten koater znw kater koaterbèls bnw over z'n toeren koatsebaal znw kaatsbal koatsebaaltjen ww kaatsen koatsken ww doen buitelen köb(be) znw meeuw kobbeltjeboideln, kobbeltjebuideln ww koprol maken koddel-om znw dik en klein kereltje koe znw W koe koebloemke znw o. W madeliefje koedel(gat) znw kort en dik persoon koedein ww omlaagrollen koedeltje znw o. bundeltje; propje koedeltje, in n - znw ineengedoken koef znw kuif koegel znw kogel koegein ww z. snel voortbewegen koegelsgeweld, mit - znw razendsnel koekoekspij(e) znw schuimbeestje koel(e) znw kuil koeltjen ww knikkeren (in een kuiltje) koeltjestoiten ww soort knikkeren koem(e) znw kom koep znw kuip koeraaiern ww genezen koeren ww kirren (duiven in paartijd) koes znw kies koes kas bnw kriskras koeskas znw ratjetoe koeskazzen ww mengen koeskillen, koespien znw kiespijn koevört znw envelop koeze znw kies koezenropper znw tandarts (scherts.) koezepreukel znw tandenstoker kof I znw soort tweemaster kof II znw soort handschoen kofje znw W koffie koggeln, koggen ww kuchen koier znw wandeling koierd znw soort knikker koiern ww O wandelen kol znw kou köld bnw koud kolde znw kou; verkoudheid Kol ham (op) [Kolhamster] Kolham kolkje znw o. N binnendijkse kolk kolske znw o. onnozel persoon kolsken ww babbelen kolverd znw lobbes; lomperd kom(me) znw kom kombain(er) znw combine kombooi znw o. zorgen komdaaiern ww bestellen; commanderen komen ww komen komföttje znw o. envelop kommen ww komen kommersjetsen ww commanderen Kommerziel (in) [Kommerzielster] Kommerzijl W kommousker znw toilet kompelment, kompelmmt znw o. compliment komplöt znw o, complot; hoeveelheid komzool znw o. jakje; jas kon de znw achterste konduksie, onder - znw onder de plak konkelderij znw gekonkel konkelfoezelderij znw gekonkel konkeln ww koffiedrinken; konkelen konnerstuutsiekoor znw o. corduroy konsjènzie znw N mond konstuutsiekoor znw o. corduroy kont znw achterste konterboer znw bedrijfsleider (beperkt bevoegd) konterstuutsiekoor znw o. corduroy kontjeloage znw pak slaag kontjen ww prutsen kontjeprop znw flesopener kontrainen znw omgeving kontrovvel znw uitbrander konzorten znw kameraden kooihinken ww hinkelen kooldörs(k)en ww koolzaaddorsen koordjebraaien ww punniken koorns znw kanen koors, koorze znw koorts koorzeg bnw koortsig kootjehinken ww hinkelen kop znw hoofd; kop; wil; hoeveelheid kop-akker znw wendakker kopen ww kopen • tt: koop-kocht vt: kocht vdw: kocht Vooral in O als vt: ook köchte en köchde kop-en-kont znw gedrongen persoon koppeltrekker znw voorman kop-over-haals bw halsoverkop kopdukertje znw o. tapijtspijkertje |
koppel vnw veel koppel znw aantal koppeltjeboideln, koppeltjeboien ww koprol maken kopschraben ww piekeren kopschraberij znw kopzorg(en) kopstubber znw ragebol kopstuk znw onredelijk, onhandelbaar persoon kopzeerde, kopzeerte znw hoofdpijn; muizenissen kopzere, schele - znw migraine korf znw korf; mand körk(e) znw kurk korken, körken ww een boer laten korrel znw dreumes; soort wagentje; wieltje korrel, korrel znw korrel; pit korreln ww omlaag rollen korries znw afval körst(e), körste znw korst kort bnw N kort kort bnw kort; stuk kort bie bw dicht bij kort dag bw spoedig kortbainen znw kinderen kortdikje znw o. kort en dik persoon körtens, körtens bw binnenkort; onlangs kortkop znw driftkop korts, korts bw binnenkort; onlangs körtsleden bw onlangs kortvolk znw o. kinderen kost, kost znw kost kosten(s), kösten(s) znw kosten koster znw koster; meester (scherts.) köstern ww keuvelen kosterske znw o. juffrouw (scherts.); vrouw van de meester kotsebaal, kotsebale znw kaatsbal kou znw koe; domoor koubaalk znw koestalzolder koubaist znw o. koe koudeel znw o. koestal Kouert eigenn Koert kouflare, kouflort, kouflotter znw koeiedrek kougaang znw koestal kougroup znw stalgoot (achter koeien) kou hut znw koeienstal kouk mit krenten znw apekool kouk(e) znw koek kou ken ww zaniken koukhaauwen, koukhakken, kouk-sloagen ww koekhakken (spel) koul bnw koel kou mak bnw mak als een koe kou nawel znw stommeling; sul kou paanzen, koupïnzen znw grote regenwolken kouribben znw schaatsen (scherts.) kouschiet znw koeiendrek kouschietengruin bnw groen als van koeiendrek kouschut, koustaai znw koeienstal Koustaallapper znw slechte timmer-man kouster - koosjer kove ztïm schaapskooi kower zmv koffer kowie znw koffie kowieachteg bnw houdend van koffie kowiebred znw o. theeblad kowielood znw o. koffiemaat kowieprut znw koffiedik kraab znw krab kraab-ien-paan, kraab-oet-paan, kraab-om znw meelkost kraab-op-de-noad znw armoe kraabhak znw krabbelaar (schaatsen) kraai znw kraai kraaikewippen, kraaikewuppen ww koprol maken (getweeën) kraaite znw waddenslee kraaizummer znw mooie nazomer kraal znw kraal; bes kraande znw krant kraans znw krans kraant(e) znw krant znw tuinwerktuig krabe znw krab kraben ww krabben; rooien (aardappels); wieden (onkruid); krabbelen (schrijven, schaatsen) kraben, der tegen - ww z. inspannen kraber znw krabbelaar (schaatsen); tuinwerktuig; aardappelrooier kraiken, kraiten znw N lijsterbessen kraivelder znw bedrieger; kibbelaar kraiveln, kraiweln ww krioelen; vals spelen Kraiwerd (in) [Kraiwerder] Krewerd N krale znw kraal; bes; schattebout (baby) krang bnw verdraaid krap znw ijzerplaatje (onder schoen, tegen glijden); sluithaak krap-aan bw bijna krapmoatjeswaark znw o. zuinig bestek krazzen ww krassen krébas znw kwibus krebenteg bnw niet lekker kregel bnw ferm krek(t) bw juist krekgeliek bw om het even kremenaaiern ww klagen krentjebrij znw watergruwel krep znw o. onkruidgras kret znw o. laddertje (in boerderij-gracht) kreude znw jongetje; klein kind kreupeln ww mank gaan kreus znw veenbes kreus znw o. kroos kreut znw klein persoon kreuze znw veenbes kreuze znw o. kroos kribbelkrabbels znw hanenpoten kribberij znw ruzie kriebes znw kwibus kriegel bnw wat boos; ferm kriegen ww krijgen; pakken • tt: krieg-krigt vt: kreeg vdw: kregen krigt > kriegt kriet znw o. krijt krietoakster znw vlaamse gaai krieten ww krijten krieter(d) znw gierigaard krieterg bnw gierig; nors; ziekelijk krieterke znw o. huilerig kind krieweln ww kriebelen krije znw kraai krik znw driftig persoon krik(keg) bnw lichtgeraakt krimmeln en wimmeln ww krioelen krimp znw inspringende hoek; het krimpen krimphaarteg bnw gierig krimpkat znw gierigaard; kleumer krlnde, krint(e) znw krent krintekakkerij znw kouwe kak krlntjebrij znw besjesgort krmtstoet znw krentenbrood krmzelachteg, krlnzelg bnw zuinig krinzeln ww zuinig zijn krioulen ww krioelen kripsie znw ellende; moeite kris znw veenbes kritsezoer bnw erg zuur kriwwel I znw krabbel kriwwel ii znw krielaardappel kriwweln ww krioelen; vals spelen kro(de) znw het kruien; vracht v.e. kruiwagen kroag(e) znw kraag kroagbonk znw sleutelbeen kroaken ww kraken kroakstoul znw leunstoel kroam znw kraam kroan(e) znw kraan kroan, n - van n vraauw znw knappe vrouw kroantjepot znw ouderwetse koffiepot krob(be) znw kever (diverse soorten -) krobbe znw krop; wreef kröd znw N onkruid krödde znw O onkruid (div. soorten); perzikkruid; gele kiek kröddeboer znw slordige boer krode znw kruiwagen kroden ww kruien kroeg znw 0,W kroeg kroek(e) znw kruik kroem znw ietsje; kruim kroemel znw kruimel kroemeln ww kruimelen kroep-ien-buus, kroep-ien-döb, kroep-ien-heeg znw dreumes kroep-in znw klein woninkje kroep-in-de-kroane, kroep-oet-dop, kroep-oetje znw dreumes kroepbeziedjen ww Old verstoppertje spelen kroepen ww kruipen • tt: kroep-krópt vt: kroop vdw: kropen krópt > kroept kroepen en krimmeln ww krioelen kroepiewèg speulen, kroepverzietjen Vk ww verstoppertje spelen kroes znw rimpel; vouw kroes bnw kreukelig krol znw krul krollen ww krullen krombekken znw soort bonen kromjong znw soort schop krommels znw kruimels kromschop znw soort schop kromsprongen znw uitvluchten kromstoan ww zwoegen kroodkoar znw kruikar (eenwielige -) krookje znw o. krokus krop znw krop; wreef krör, krör znw onkruid krör znw perzikkruid krös znw karos; kleding; lichaam krösken ww gaan krot znw o. krot kroug znw N kroeg kroun znw kruin krözze znw karos; kleding; lichaam krözzen ww z. met geweld voortbewegen krub(be) znw kribbe krudeldoorn znw kruisbes kruderg bnw kruiderig; guitig krudoorn znw kruisbes krui znw bocht kruikoar znw kruiwagen kruk(ke) znw kruk; sukkel krukkeln ww sukkelen; krabbelen (schaatsen) krul znw krul krullen ww krullen krumel znw kruimel krumeln ww kruimelen krummel znw kruimel krummeln ww kruimelen; beetje voor beetje eten, bestellen e.d. krummeln en wummeln ww krioelen krummeltje znw o. kruimeltje; ietsje krupen ww W kruipen • tt: kruup-krupt vt: kroop vdw: kropen krupt > kruupt krupsie znw ellende; moeite kruud znw o. kruid kruudhof znw bloementuin kruuk znw kruik kruul znw o. penis kruun znw kruin kruus znw o. kruis kruusjazzen ww kruisjassen kruusken ww zwoegen kruuslam bnw lam (in het kruis);uitgeput kruuslings, kruusweegs bw kruiselings Kruusweg (op) [Kruuswegster] Kruisweg N kruzen ww kruisen kub(be) znw deel v.e. fuik kudeln ww tuimelen; treuzelen; knoeien; oneffen worden kugelsgeweld, met - bw W razendsnel kui(kaalf) znw vaarskalf kuiern ww N,W kuieren kuin bw gedeisd kukeln ww goochelen kukeispul znw o. goochelarij kuken znw o. kuiken; grappenmaker kukenjong bnw piepjong kul znw penis kulibas znw grappenmaker kul kou k znw flauwekul kullebieter znw loopkever kullen ww foppen; mislukken; tegenvallen kulloazie znw flauwekul kuipers znw grote ogen kun(de) znw kunde; kennissenkring;kennis kundeg bnw kundig; bekend kunnen, ien e - znw W in kennis met kups bnw blut kureg bnw grappig; met half toegeknepen ogen, kuren ww ogen half dichtknijpen; mikken kurendriever znw grappenmaker kurken ww een boer laten kuske znw o. zoen kutjen ww vals spelen (bij knikkeren) kutkammeri] znw gezanik kuuf znw kuif kuum znw W kom kuur znw grap; gril kuurogen ww loeren kuus! tussenw weg! (tegen dier) kuut znw kuit kuutjebuten, kuutjebuutjen, kuut-jen ww ruilen Kuzemer (op) [Kuzemer] Kuzemer kuzzen ww kussen kwaab znw kwab; hoeveelheid kwaalm znw walm; waas kwaalmen ww walmen kwaalmlaamp(e) znw persoon die praat over onbegrepen zaken kwaalmpot znw kletsmajoor kwaalster znw fluim; kwalsterijs; vuiligheid; eigenwijs persoon kwabe znw hoeveelheid; kwab kwabs(e) znw hoeveelheid; smak kwak znw plof; hoeveelheid; dokter (scherts.) kwakje znw o. spuug; hoopje kwakjen ww spugen kwakjern ww spuwen kwakker znw kletskous kwaksel znw o. vochtige massa kwakseln ww mengen; morsen kwanswies bw kwansuis kwardel, kwartel znw kwartel kwastjen ww verven kwattjes bnw van een kwartje kwedel znw zeurkous kwedelmesien znw praatgraag persoon kwedeln ww babbelen; zaniken kweek znw onkruid, kweekgras kweekboer znw slordige boer kweeksen znw lijsterbessen kween znw onvruchtbare koe; onvruchtbare vrouw kweer(s) bnw mierzoet kweetsekralen, kweetsen znw lijsterbessen kwekkerd znw kakelend persoon kweldern ww schapen op de kwelder laten weiden kwene znw onvruchtbare koe; onvruchtbare vrouw kwengeln ww morsen kwestie znw kwestie; ruzie kwetsebijen, kwetsen znw lijsterbessen kwezzie znw kwestie kwezzie, kwezziederij znw ruzie kwiel(e) znw o. kwijl kwienen ww kwijnen kwienskwans bw kwansuis kwiet bw kwijt kwiet worden ww kwijt raken kwiethandeg moaken bw ontfutselen kwinde znw O bouwvallig huis kwlngeln ww morsen kwink znw nuk kwinskwans bw kwansuis kwint(e) znw bouwvallig huis, kwitsebaaien, kwitsekralen znw lijsterbessen kwittje znw c. hoeveelheid; straaltje spuug kwittjen ww door de tanden spugen kwoad bnw kwaad; driftig kwoade, de - znw duivel kwoadens, kwoadhaid znw kwaadheid kwoad kop znw driftkop kwoaiens znw kwaadheid kwoajong znw kwajongen kwoal znw kwaal kwoalek bnw kwalijk |
|
laai bnw O lui laai znw lei; soort net; soort slee laaide znw leidsel laaideg bnw vals vleiend laaiden ww leiden laaiden znw leiding laaidseel znw o. leidsel laaien ww hijsen (molent.) laaiern ww O luieren laaikbeugel znw baggerstok laaiken ww uitbaggeren laaip bnw listig; ongezond laaip znw gemenerik laaiseel znw o. lijzeil laaiten ww uitbaggeren laaiter I znw lang persoon laaiter II znw schoonmaakmes laaiter III znw klap(pen) laaiter, laange - znw middelvinger laaitern ww slaan laam znw o. N lam laambe, laamp(e) znw lamp laampepoester(d) znw borsteltje; lis; uitgebloeide paardebloem laand znw o. land laandgebruker znw huurboer laandhoud znw grote zonnehoed laandjebloum(e) znw N,0 madeliefje laandjer znw plattelander laandnoabers znw buurboeren laandskaande znw Vk landzijde laandsman znw landgenoot; plattelander laange bw lang laange zuiten, laange zuren znw appelsoort laangs vz N langs laank bnw lang laank al bw allang laank nat znw o. 'slap' vocht laank overlet bw eindelijk laank-en-benoa-nait bw lang niet laankachteg bnw vrij lang laankbaind bnw langbenig laankbainder(d) znw langpootmug laankbijnd bnw langbenig laankbijner znw langpootmug laankhaals znw lang persoon laankhaalzen ww verlangen laankhoard bnw langharig laankhoes znw o. soort boeren voorhuis laan kiezer znw o. ploegmes laankmanstied bw langdurig laankmanstieden, in - bw lang geleden laankmous znw o. boerenkool laankneersd bnw traag laan koet bw languit laankpoot znw langbeen; langpootmug laankpoter(d) znw langpootmug laankstoald bnw voorzien v.e. lange steel laankwaarpeg bnw langdradig; langwerpig laankwams znw lang persoon laankwieleg bnw langdurig; vervelend laankziekeg bnw lang en vermoeiend laankzinneg bnw lankmoedig laankzuikeg bnw ongeduldig laans vz langs laar znw graszode laarp znw brok; pas; geweldige slag laarpen ww slaan Laauw(e) eigenn Louw Laauwde (in) [Laauwder] Laude O laauwerd, te - bw loefzijde laauwgat znw luiaard laauwloene znw laks persoon laauwloeneg bnw laks labaaien ww kwaadspreken lababbel znw oorvijg labbe znw lap; oppervlakte labberaaiern ww lijden aan labberlötteg bnw ellendig ladde znw lat ladderg bnw wee lade znw graszode laf bnw laf; zouteloos lafbek, lafscheet, lafsnoet znw lafaard laggen, lagen ww lachen laid bnw leed laid znw o. lied laidaanzegger znw aanspreker laif bnw lief laif znw O leeuw iaifhebber znw liefhebber; belangstellende laifhebberij znw liefhebberij; liefde laifkebloum znw dubbel madeliefje laifst bnw liefst laigen ww liegen •tt: N laig-lugt, O laig-lógt, vt: loog vdw: logen lugt > laigt; logt > laigt laigenbaist znw leugenaar laim znw leem laimen bnw lemen Iaimeneer, ons - znw onze lieve heer laimeneerstiekje znw o. lieveheersbeestje laimeneerstuutje znw o. lieveheersbeestje; lieveling Lain eigenn Leentje lain znw leen Laindert eigenn Leendert lainen ww lenen lainen znw lening Lains (in) [Lainster] Leens N La int je eigenn Leentje laip bnw leep; listig; ziekelijk Laip eigenn Levi laiperd znw leep persoon Lais eigenn Elias laisk(e) znw lies laist bnw liefst laist(e) znw leest; lies Laite (in de) [Laitjeder] De Lethe O laive znw liefste laiver bw liever laiverd znw lieveling; mooie (zgn) laiverlee, van -; laiverloa, van -; laiverloag, van - bw van lieverlee laiw, bonde - znw scholekster laiwe znw leeuw laiwebek znw leeuwebekje laiwerik, laiwerke znw leeuwerik lak en flak bw zgn. gewoon lak of smak, gain - znw geheel zonder smaak lakken ww lachen lakkeris znw pijpdrop lakschaauwen ww bespieden lam znw o. lam lamlötteg bnw lamlendig lamlul znw beroerling lamme(n)taaiern ww lamenteren lammelötteg bnw lamlendig lammenoadeg bnw kleingeestig; lamlendig lammerkeneuten znw grote hazelnoten lammerkommen znw o. voorjaar (rond begin april) lammerkriegen znw o. lammeren Lammert eigenn Lambert lammert znw luiaard; schoffel (met schuine steel) lammertled znw voorjaar (rond begin april) lammerzaalern znw lambrisering lampteern znw lantaren lamstroal znw ellendeling lamswaaide znw graasrecht (v.e. lam) lamswans znw beroerling lamzak znw ellendeling land(sd)aauw znw landouw landbaauw znw landbouw landjer znw plattelander landschop znw o. landschap landzuchteg bnw uit op meer grondbezit lange(r)s vz O langs langemanstieden bw langdurig langen ww aanreiken; geven langs, bie - vz langs langzoam bnw langzaam langzoam aan bw geleidelijk langzoamscheet znw treuzelaar(ster) lanskeboeren ww springend vooruitgaan lanteern znw lantaren lanterg bnw verdrietig; vervelend lantern ww soort kaarten lap znw lap; oppervlakte; klap lap(pe) znw tong lap-op znw slaag lapkekoopman znw manufacturier lapkes znw manufacturen lapkou k znw kantkoek laplander znw bedrieger lappe znw lap; oppervlakte lappen znw kleren lappen I ww het 'm leveren; slaan lappen II ww lappen; breken (scherts.) lappenlonten znw vodden; manufacturen lapperd znw bedrieger lapperg bnw gemeen; vol lappen; slordig lapperij znw bedrog; broddelwerk lappieskoopman znw manufacturier lapswaans znw beroerling lapzaalven ww bewimpelen (fig.); kwakzalven lapzaalver znw kwakzalver lapzak znw ellendeling lapzakken ww knoeierig herstellen lapzakkerij znw smoesjes lare znw graszode; hoeveelheid lareg bnw flauw; niet lekker laren en bellen znw zeer slechte kleding; slecht vlees larreg bnw flauw; niet lekker |
larrie znw larie laren en bellen znw zeer slechte kleding; slecht vlees larreg bnw flauw; niet lekker larrie znw larie larriefaks, larriefarrie znw larie lask znw las; verbindingsstuk lasteg bnw ongeregeld (opgekomen) lat znw lat lat, vrakke - znw soort kantkoek latdailen znw schroten latse znw las; verbindingsstuk latte znw mager meisje latveerdeg bnw vergeetachtig lavverd znw lafaard lavverij znw zottepraat lawjbes znw W klap, oplawaai lebabbel znw oorvijg lebait bnw ziekelijk lebbe znw oorlel lebbeg bnw smakeloos lebendeg bw regelrecht ledder I znw ladder ledder II znw N letter ledderg bnw hangerig; vervelend ledebreken znw zwaar werk ledeg bnw goedgebouwd ledemoaten znw ledematen leden bw geleden; voorbij leden znw ledematen ledenbreken znw zwaar werk leeftied znw leeftijd leeg I bnw leeg leeg II bnw laag leegstamd bnw laag (van stam) leegte znw laagte Leek (op de) [Leekster] Leek W leerderi] znw studie leerkoamer znw catechisatiekamer leer koepen znw leerlooierij leerlap znw zeem Leerms (in) [Leermster] Leermens N l leers, leerze znw laars leerskes znw dameslaarzen lieerwaark znw o. le(d)ergoed leesderij znw gedrukte papieren leeuwerk, leeuwerk(e) znw leeuwerik leeuwerken znw o. soort inwijdingsritueel leg(ge) znw stro (v.e. dorsvloer vol) lege znw o. laagte legedeuzenwaark bw leeg legelaand (in t) [Legelandster] La geland O leger znw o. dorsplaats (v. koolzaad); • : Mzaadhoop leger znw o. Leger des Heils legerachteg bnw bedlegerig; liggend graan) legerg bnw liggend (graan) leggen ww leggen; liggen leggen ww W liggen • tt: leg-leit vt: lag vdw: leid leid > legd legger I znw leggende kip legger II znw vloerbalk leggerholtje znw o. gelukstol legister, leguster znw liguster leide znw leidsel lek en brek znw allerlei fouten lekkeris znw pijpdrop lekkerij znw lekkage lekkerroek znw eau de cologne lekkertje znw o. zgn. mooie; smulpaap lekkoazie znw lekkage lekooi znw violier lèl(le) znw babbelaarster; slordige vrouw lèlk bnw lelijk; boos lèlkens znw lelijkheid lèlkerd znw lelijkerd lellen ww luid zingen lellen en bellen znw slecht vlees Lèlns (in) [Lèlnster] Leilens N lemperd znw klap; lang persoon lempers, laange - znw lange benen lemt znw o. lemmet len(de) znw lende lep I znw klep lep II znw soort schoffel, spade lepel(tje)blad znw o. herderstasje lepeldaif znw herderstasje lepels-en-vörken znw herderstasje lepien znw lupine lepken I ww nippen lepken II ww tennissen (soort -) W Lepterd (in) [Lepterder] Lettelbert W lepuun znw lupine leren ww leren; onderwijzen leren znw catechisatie leries znw slungel lest bw laatst lest(en)doags bw laatst leste, op t -; lesten, ten - bw uiteindelijk lesten ww tikken (als laatste) lestent bw laatst lesttled bw de laatste tijd letten ww verzorgen letterwies bnw ingevoerd (fig.) leugenbaist, leugender, leugenpuut znw leugenaar leunen znw leuning leus, veur de - bw voor de schijn leuterboksem, leutergat, leuterkoar znw leuteraar leutje bnw klein(e) leutjen, bie - bw langzamerhand leuven ww O geloven levaaiern ww laveren leven(t) znw o. leven leventeg bnw levendig; levend; waarachtig ievverd znw speelzieke hond; lafaard lewaai znw o. lawaai; (pauze)teken lewaaien ww lawaai maken lezen ww lezen; voorlezen (preek) libbe znw lip; uitsteeksel (a.e. balk) licht bw gemakkelijk; misschien licht znw o. nageboorte (van koe of paard) lichten I ww optillen; minder erg worden; ged. lossen lichten II ww bijlichten; licht worden; weerlichten lichtkans bw wellicht lichtmoan znw lichte maan lichtschain bw misschien lichtveerdeg bnw lichtvaardig; losjes; licht hanteerbaar lid I znw o. lid lid II znw o. deksel lidrusk znw paardestaart (plant.) lie bnw vleiend lied bnw leed liedeik bnw toegefelijk lieden ww pijn lijden; dulden; toestaan •tt: lie-lidt vt: lee vdw: leden lidt > liedt Iieder znw lijder; stumper liederliek bnw liederlijk; mager liedzoarn bnw geduldig lief znw o. buik; lichaam lief vol znw o. zoveel als men op kan liefzeerte znw buikpijn; bezorgdheid liegen ww W liegen • W tt: lieg-lugt vt: loog vdw: logen liek bnw gelijk; quitte; recht liek moaken ww betalen liek, nait om - bw ongehoorzaam liekbendeg bw ronduit liekdoorn znw likdoorn lieke bw even liekedaaiern ww liquideren lieken ww lijken lieker znw liniaal liekewel voegw evenwel liekholtje, lieklatje znw o. liniaal liekoet bw rechtuit liekoet znw rechtuit persoon liem znw o. lijm lien(e) znw lijn; touw lieneg bnw lenig lienholtje znw o. liniaal liepbek znw huilebalk liepen ww huilen liepenketrien, liepentrien, lieperd znw huilebalk Iier(e) znw draaiorgel liere, as n - bw gesmeerd (fig.) lierken ww langzaam werken liest(e) znw lijst liester znw lijster liester, swaarde - znw merel liesterbaai, liesterbij, liesterkraal znw lijsterbes lietjelaauw bnw lauw (eerder koud dan warm) lietjelaauw znw O lui meisje lieuw znw scholekster lieverloa, van - bw van lieverlee liggen ww liggen • W tt: lig-leit vt: lei vdw: leid (ei > lag liggerij znw slaapgelegenheid ligoam znw lichaam lij bnw luw; zacht ijaanzegger znw aanspreker Lijas eigenn Elias lijen ww luwen lijmeneerstiektje, lijmeneerstuutken ww o. lieveheersbeestje lijmeneertieke znw lieveheersbeestje lijte znw luwte Iinioal znw liniaal linnenrik znw linnenrek; mager persoon lins bnw droog; vrij linterij znw garen en band ip znw lip; uitsteeksel (a.e. balk) lipken ww nippen liplapperij znw Mafjes lippen ww lassen (v. hout) |
|
lipzuit bnw zeer zoet lits(e) znw lus; bretel litsen, de - znw lichaam liwer(ke) znw W leeuwerik liwerbek znw leeuwebekje loa znw la(de) loaden ww laden loaden znw lading loag znw N la(de) loag(e) znw laag; aantal loaken znw o. laken loakens bnw van laken loan(e) znw menpad; laan loat bnw laat loatachteg bnw nogal laat loaten ww laten • tt: loat-let vt: N lait, O luit, W liet dw: loaten let > loat lobbaai, lobbale znw O zuurtje lobbe znw lel lobbeg bnw dik (v. vloeistof) locht znw O lucht lochtbaal znw zuurtje lod znw lel lodde znw uitwas lodder(d) znw sufferd lodderaain, lödderaain, lödderin znw eau de cologne loddern ww liggen luieren lodeg bnw zwaar loebes znw lobbes; lummel loek bnw bedaard; slim loek znw o. luik; gat Loeks eigenn Lucas loender znw o. bed loenen ww passen; schikken loens(k) bnw luimig loer znw het loeren; mispunt; poets loerangel znw mispunt loeren ww loeren; dreigen loes znw luis loeter bw louter loeter(d) znw lummel loezebadje znw o. bad (goedkoop -) loezebos znw persoon met ongedierte; landloper loezekaam znw stofkam loggem znw hoge vlam; walm loggemen ww walmen loi bnw O lui loieghaid znw luiheid loiern ww luieren loiterd znw lang persoon loiwievenkost znw O meelkost lok I znw o. gat; spleet lok(ke) II znw o. wollegras lok-mle-de-vent znw eau de cologne (scherts.) lokkebrood znw o. lokmiddel lokken ww O lukken lollemansstip znw mosterd lommerken ww eierspel (met pasen) lompend bnw lomp longern ww verlangend wachten lood znw o. lood; schietlood; koffie-maat loodzaand znw o. donkere zandgrond looien ww hijsen (molent.) looike znw o. arreslee loop znw loop; diarree loop-bie-de-huzen znw nieuwsgierige vrouw loop-bie-de-weg znw hondsdraf loopachteg bnw graag uitgaand loophek znw box loopke znw o. wandeling loops(k) bnw loops; graag uitgaand loopschoet, loopschuut znw praatgrage vrouw loopsel znw o. loot loopstaai znw schuilplaats in weiland loopswien znw o. jong varken loopswieze bw in het voorbijgaan loopvraauw znw uitgaanstype (vr.) loos bnw slim; ingenomen; eigenwijs looske znw o. wijsneus lopeldag znw uitgaansdag lopen ww lopen; stromen; z. snel voortbewegen • tt: loop-löpt vt: N laip O luip W liep vdw: lopen löpt > loopt lopend(s) bnw lopend; stromend loper znw schaatsenrijder loperij znw schaatswedstrijd; verkering lopiesvot, lopiesweg bw O in de loop; terloops Loppersom (in) [Lopster] Lopper-sum N lor I znw vod lor II znw lel lork znw O lange jongen lort I znw oude lap; brok vuil lort II znw sukkel lorteg bnw sukkelig lorten ww lenen lorten en bellen, lorten en florten znw slecht vlees lortjen ww lenen; zeuren lös bnw los; vrolijk lösachteg bnw vrij los lösbandeg bnw los(bandig); vrij Losdorp (in) [Lösdörpster] Losdorp N löslieveg bnw in diarree lot I znw o. lot (de fortuin) lot II znw uitwas lót znw fopspeen; domkop löt znw o. lot (uit loterij); lot (de fortuin) lotje znw o. oorlel lotjestip znw saus (op meelkost) lotten ww loten lötterij znw loterij loug znw o. dorp, (kom v.h. -) Loug, Groot - eigenn Groningen (stad) lougen ww vlijen loug ijver znw St flauwerik lougslu znw dorpsgenoten lougster znw dorpeling lovelbaaier znw o. verlovingsbier loven ww N,W geloven lovverd znw lobbes; lomperd lozaaiern ww logeren lozeghaid znw eigenwijsheid; slimheid lözzen ww lossen lu znw lieden; lui lub(be) znw grote snee lubbaal znw zuurtje lubben ww snijden; castreren lubbern, lubken ww nippen lucht bnw licht lucht znw N,W lucht luchteg bnw vrolijk; koel luchten ww bijlichten; branden (v. stro luchter znw stro vuur luddek bnw N klein; bedremmeld Luddeweer (in) [Luddeweerster]Ludde weer O luden ww luiden• tt. lu-ludt vt: N en O ludde W luudde vdw: N en O lud W luud ludt > luudt; ludde > luudde; lud > luud lui bnw N,W lui luien ww hijsen (molent.) luiens znw luiheid luierken ww luieren luierman znw soort schop luiter znw lange vent luitern ww talmen luivraauwlu-eten znw meelkost luk bnw klein; bedremmeld lukken ww N,W lukken lulbruier znw kletsmajoor lulderij, lulkouk znw geklets lullemanstip znw mosterd lulmaaier znw kletsmajoor luns, lunze znw spie luppen ww snijden; castreren lurpen ww lurken lusterachteg bnw stil (in de natuur) lustern I ww luisteren lustern II ww fluisteren lut bnw N,W klein lut(t)ek bnw klein lutje bnw klein(e) lutje znw o. de jongste lutje knecht znw jongste boerenknecht lutje maaid znw jongste meid Lutje Oldambt eigenn Klei-Oldambt lutje vent znw jongste boerenknecht lutje vinger znw pink lutjeke znw o. baby; iets kleins lutjen, bie - bw langzamerhand lutteg bnw klein; ziekelijk lutters bnw blut Lutters eigenn Luthers luudruchteg bnw luidruchtig Luuks eigenn Lucas Luukswolle (in) [Luukswolmer] Lukaswolde W luus en pluus znw klein ongedierte; vuil luustern I ww luisteren luustern II ww fluisteren luutk bnw W klein luwerke znw W leeuwerik luzivèr znw lucifer luzzen ww lusten |
|
maag bnw broeierig maai znw mei maai, nij znw 1 mei maai, ol znw 12 mei maaibloumpie(n) znw o. Vk madeliefje maaid znw dienstmeid; meisje maaier znw beklemde grondbezitter; huurboer maaiern ww mieren maaierske znw beklemde grondbezitster maai knollen znw soort knollen maaimoand znw mei Maaindert eigenn Meindert maaitied znw voorjaar maaitieds bw in het voorjaar maaivuur znw o. strovuur maal bnw mal; boos; driftig; gek; gesteld op; slecht maal bw erg; zeer maal znw o. gekte maal appie znw zonderling persoon maaldaarten bnw brooddronken maalderd znw aansteller maalfots(e) znw aanstelster maalqeboren znw dwaas maal hebbel, maalhibbel znw raar persoon maal hoede znw gekscherende vrouw maaljoagen ww stoeien; gekheid maken maaljoagerij znw gekheid, scherts maal kinds bnw gesteld op kinderen;kinderlievend maal kop znw driftkop maalkopt bnw driftig; humeurig maalmeulen znw draaimolen maalpeerd znw o. jong persoon maalstoatsies znw aanstellerij maaltweren ww gekheid uithalen maalvreten bnw dwaas maan, maande znw gemeensch. bezit maan je znw o. N kereltje (vleinaam) maank vz/bw tussen maans bnw N rijk; sterk maarg bnw broeierig maark I znw O markt maark II znw o. merk maark III znw o. merg maarken ww merken; opmerken maart znw N markt maauw(e) znw mouw maauwen ww miauwen maauwhemd znw o. T-shirt machtspreuken znw bluf madde znw mand; tas maf bnw loom magen ww N mogen; houden van; kunnen maggei znw krabbel maggeln ww slecht schrijven maggen ww 0,W mogen; houden van; kunnen maiden znw laag grasland Maiden (op de) [Maidemer] Meeden O maif znw O meeuw mainen ww menen; bedoelen mainen znw mening mainen(, z.) ww z. verbeelden mainscheer, mainschoar znw o. onverdeelde wei mainst bw meest mainstekaans bw waarschijnlijk mainsttied bw meestal maintgeut znw grote greppel maintjenaaiern, z. ww z. redden Mais eigenn Meeuwis maist bw meest maitgeut znw grote greppel maive; maiwe znw meeuw maizeg bnw mat makkelder bw makkelijker makke brannekkel znw witte dovenetel makkelk bnw gemakkelijk maleghaid znw gekheid malemeuien znw draaimolem maien ww stoeien malteraaiern ww pesten man voegw/bw Ww maar – mandaileg bnw gemeenschappelijk mandegoud znw gemeensch. bezit mandei I znw mantel mandel II znw amandel mane znw gemeensch. bezit manen ww samenwerken mangel znw amandel mangs bw O misschien mank vz/bw W tussen – mankeliek bnw zwaarmoedig manlu (volk) znw mannen manmensk znw manspersoon manne(goud) znw gemeensch. Bezit mannekeperen znw soort peren mannekop znw papaver mannelk bnw sterk mannelkte znw grootte mans bnw rijk; sterk Mans eigenn Herman(nus) manskerel znw man mantel znw amandel mantje znw o. mannetje mantjes znw grimassen Martje eigenn Martha martjen ww markten Martini eigenn Martinitoren masken, masten znw mazen Mat eigenn Martha mat znw O mand; tas mat znw o. halve hectare mats(k), matseg bnw loom medde, eelske - znw Vk aanstelster meder bw O sterker meed lieden znw medelijden meelderg bnw melig meel ie znw o. medelijden meeliedeg bnw medelevend; meelijwekkend meel klont znw meelkost meel koekje znw o. biscuit meer znw merrie meerder bnw sterker meerderman znw meerdere meerlam znw o. nachtzwaluw meert I znw bunzing meert II, meertmoand znw maart Meerten(t) eigenn Maarten meetjen ww haasje-over-springen meeuw znw meeuw megoggel znw dikke vrouw mei znw W mei meid znw W meisje mekaaiern ww mankeren Mekkoa's raaize znw moeilijke tocht mekrail znw makreel mèl znw N melde melaifke znw o. Old madeliefje melerg bnw melig meleur znw o. ongeval melk bnw afgekalfd melkenbrij znw brij van melk melkentwijbak znw Jan Salie; melk en beschuit melkoavend znw melkenstijd melkvaaier, melkvaal, melkvoart znw melkplaats melkwaarm bnw warm (als pas gemolken melk); gunstig melkzoeger znw dovenetel; kamperfoelie mellen ww onnauwkeurig werken mem znw W moeder menaaier znw manier menaar znw Vk manier menailtjepeer znw soort peren meneer znw borgheer; meneer meneertuutje znw o. lieveheersbeestje menèr znw St manier meneuvels znw gebaren; uitvluchten; aanstellerij mengen ww mengen • tt: meng-mengt vt: N en O mong, W mengde vdw: N en O mongen, W mengd menistenwitje znw o. scheefkelk; sneeuwklokje Menne eigenn Menno menneg vnw menig; veel mennegsten znw datum (vragend) mennen ww de teugels houden; vervoeren; de oogst binnenhalen mennen znw menpad mens(k) znw mens mensk znw o. vrouw menskeg bnw gesteld op mensen (v. dieren) mensken znw men; mensen Menskeweer (in) [Menskeweerster] Mensingeweer N ment, as de - bw erg; vlug Menze eigenn Menzo mere znw merrie meree znw o. moiré meroakel bnw buitengewoon |
meroakel znw o. mirakel meroakelderij znw scherts meroakels znw praatjes mès znw o. mes meschain, meschien bw misschien mesester znw o. manchesterstof mesien znw o. machine mesjedde, mesjet znw manchet mèsk, mest znw o. mes mesk znw o. messing messelswien znw o. mestvarken mester znw meester mester haarm znw toilet mesterabt znw de baas mestern ww breken; dokteren mestvölder znw mesthoop met vz mee; met met znw o. gehakt varkensvlees met, eelske - znw N aanstelster meterbred znw o. dashboard metérie znw etter Metini eigenn Martinitoren mette, eelske - znw Old aanstelster mettereghaid, metterij znw aanstellerij meu znw tante meubel znw o. meubel; onhandelbaar persoon meug(e) znw maat (etens-); smaak (zin) meugelk bnw mogelijk meugelkhaid znw mogelijkheid meugen ww mogen meuje, meuke znw tante meuker znw moker meukerg bnw verteerd meulen znw molen meu len hoes znw o. molenaars woning meulenhörn znw wijk met de molen meulenrou znw molenwiek meulensloot znw molentocht meulentje znw o. dagkoekoeksbloem meulenwiek znw molentocht meun znw soort voorn meur bnw half vergaan meurbroa znw lendenstuk (v.e. rund) meuren znw eigenschappen mevaaiern ww plagen; slaan mezze znw mest mezzebult znw mesthoop mezzeln ww metselen mezzels znw mazelen mezzelswien znw o. mestvarken middag znw middageten middeg znw middag middel bw midden middelhoes znw o. deel v.e. boerderij middelkerwies bw redelijkerwijs; waarschijnlijk middel post znw sluitbalk middelschot znw o. middenrif middelsloot znw grote greppel Middelsom (in) [Middelsommer] Middelstum N middelste znw boerenknecht middelsteek znw miltsteek middelsukker znw basterdsuiker middel vent znw boerenknecht midden bw midden midden maank vz te midden van Midhoezen (in) [Midhoester] Meedhuizen O midwilleg bnw dartel midwilleghaid znw brooddronkenheid Midwinter znw Kerst Midwolle (in) [Midwolmer] Midwolda O Midwolle (in) [Midwolmer] Midwolde W miede znw Vk onweersbeestjes mieden znw laag grasland mieden, z. ww mijden; z. ontzien• tt: N en O mie-midt, W mie-miedt vt: mee vdw: meden midt > miedt mieds(k) bnw bescheiden miedzoam bnw terughoudend mieg znw urine miegaimer znw mier miegappel znw zeurpiet miegein ww W motregenen miegen ww urineren tt: mieg-migt vt: meeg vdw: megen mieger, mieghommel znw mier mieghummel znw mier; klein manspersoon; rakker miemern ww denken mien vnw mijn mienen ww mijnen (veiling) mienen ww W menen, bedoelen mienen(t) vnw de/het mijne mier I znw afkeer mier II znw muur (plant) mier(e) znw ereprijs (plant); murik (onkruid) mies bnw afkerig; boos miesderd znw zeurpiet miesderg znw troosteloos miesgaster znw mispunt miest bw W meestal miet znw 0,W mijt; onweersbeestjes mieter(d) znw valsaard mieterg bnw niet lekker; slecht mietern ww gooien; vallen; schelen mieteroal tussenw tjongejonge mieters bnw beroerd mieters bw zeer miethans znw valsaard mietje znw aarzelaar mietjefoek znw muggenzifter mietoor znw valsaard miezeg bnw onfris; ongezond; triest miezeln, miezen ww motregenen miezerg bnw onfris; triest miggein ww motregenen mij znw grasland Mij (op) [Mijster] Uithuizermeeden N mijden znw laag grasland mijnst bw W meest mik znw soort bolletje mikmak znw rotzooi; ratjetoe Milbert (in) [Milberder] Middelbert O min bnw slecht; vervelend; ernstig ziek minderman znw de mindere minderzaaiern ww verminderen min hoed znw slechtaard Minne eigenn Menno minne znw slecht ding; slecht persoon minnelk bnw tenger minnen ww de oogst binnenhalen mms(k) znw mens minske znw o. oude vrouw Minze eigenn Menzo minzent, te - bw tenminste mirreg znw N middag mis znw mest, mestvaalt misbrudsel znw o. misbaksel misbult, misdöbbe znw mesthoop mishebben, z. ww z. vergissen mishotken, mishottjen, mishottjern ww mislukken misken ww bemesten miskennen ww niet goed kennen miskielen ww mislukken miskleureg bnw slecht geverfd; verkleurd miskomen ww slecht bekomen miskullen ww mislukken miskwoam bnw dronken mismasserij znw onenigheid; twist mismoal znw ziekte-aanval mismoudeg bnw mismoedig misschain bw N misschien misscheer, misschere znw grote mestschop missen ww missen; verliezen mistiek(e) znw mestkever misvaal znw misstap; lager wal miszain, z. ww vergissen,z. miszetten, ain - ww iem. in verlegenheid brengen miszinnen, z. ww z. vergissen mit bw mee mit vz met mit dat voegw doordat mitte znw bed mitterlichten bw 's ochtends vroeg mitweren ww mee zitten (door 't weer) miw znw N meeuw mizze I znw mest; mestvaalt mizze II znw miskraam; slechtaard mizzelk bnw misselijk; onpasselijk; walgelijk mizzem znw mesthoop mizzen I ww missen; verliezen mizzen II ww bemesten; uitmesten mizzenk znw mesthoop moa znw grasland moade znw made (insect) moagdje znw o. meisje moager bnw koud (bij zoekspel); mager moagerns znw magerheid moager Oarend znw mager persoon moakelder, moakeloar znw makelaar moaken ww maken; opbrengen • tt: moak-moakt vt: N mouk, O muik en maik, W moakte vdw: moakt mouk, muik, maik > moakte moal znw o. hoeveelheid; maal moalderg bnw malend; mul |
moalen I ww fijn malen moalen II ww zeuren moan(e) I znw maan moan(e) II znw manen moand znw maand moandag znw maandag moanekop znw papaver moanen ww aanmanen moansedel znw aanmaning moanzoad znw o. blauwmaanzaad moar voegw maar moar I znw o. natuurlijke waterloop moar II znw o. grasland moar III znw made (insect) moaren ww kirren (duiven in paartijd); paren (v. vogels) Moarhoezen (op) [Moarhoester] Maarhuizen N moars znw achterste Moarum (in) [Moarumer] Marum W moarze znw achterste moat I znw afmeting; maat moat II znw makker moat III znw made (insect) moatje-aingoal bw gelijk moatske znw maat (vr.) modde znw zeug moddeln ww morrelen modder znw aarde (zwarte -), slijk modderbeer znw vuilak moddern ww modderen; zaniken modderproeksel znw o. slijk modderreuster, modderzeef znw aardappelrooster mode znw mode moe znw moeder moed bnw W moe moedens znw moeheid moeien ww lastig vallen; spijten moek, moeke znw moeder moenen ww W moeten moes I znw W boerenkool moes II znw muis moeskevoal bnw muiskleurig moet znw indruk; merk moet, ien e - bw W tegemoet moeten ww W moeten moetje znw o. moeder moezenusten znw muizenissen mof bnw muf möf znw mond mogelk bnw mogelijk moi(en) tussenw goeiedag moien ww lastig vallen mok znw duif mokkel(tje) znw lief kind; dik vrouwspersoon mol(ie) znw mol molboon znw paardeboon (ontkiemd en geroosterd) molbult znw molshoop mollebone, molleboon znw paarde-boon (ontkiemd en geroosterd); Stad-jer mollen znw W molen molt znw mout molvanger znw jek molverd znw lobbes mommel znw mond; tand mommeln ww met tegenzin eten; mompelen mond-op-mond-poesten znw mond-op-mond-beademing monden ww praten mondgaauw, mondjegaauw bnw gebekt mondjen ww goed bevallen; goed smaken monkeln ww mompelen monnen ww N moeten monster znw o. knaap monsterachteg bnw o. uitstekend (fig.) mooi bnw mooi; netjes mooi bw behoorlijk; nogal mooichie znw o. Vk iets moois mooie laifkes znw madeliefjes mooieghaid znw moois mooike znw o. N iets moois moor znw o. moeras moorden, z. ww z. afbeulen moorder znw harde werker; wreedaard (t.o. dieren) moorke znw o. wollegras mopperderij znw gemopper mopperkoar znw mopperaar mor voegw maar mor znw moed; verstand mor even bw nauwelijks morgen znw morgen mörgeneten znw o. ontbijt mörgenglorie znw gele en blauwe morgenster; gele ganzebloem mörgenman znw ochtendmens mörgenvroug znw morgenochtend mork znw slijk mörn znw morgen mörnvro znw N morgenochtend morreln ww morrelen morries znw moed mosdoare(n) znw soort hommel mosterdstip znw mosterdsaus mot znw turfmolm; veegsel mot I znw zeug mot II znw pissebed motblik znw o. stofblik motblik en veger znw stoffer en blik motgat, mötjeder znw mopperaar mötjen ww mopperen motschoet znw soort schort motschop znw o. stofblik motstaine, motte znw pissebed motte-mit-biggen znw salomonszegel (plant) motten I ww motregenen motten II ww morsen motten III ww mopperen motterd znw mopperaar motterg bnw regenachtig mottern ww mopperen motters znw O moppers mottje bnw dood (scherts.); ervandoor moud I znw moed; lust moud II znw N mode moude znw merkteken mouder znw moeder moudveren znw hanenstaartveren moudveren (fig.) znw moed mouer I znw vr. dier; moeder mouer li znw moer mouerg bnw humusrijk mouke znw moeder moureg bnw veenachteg mous znw o. boerenkool mousker znw groenboer mouskerij znw moestuin mout znw merkteken mouten ww moeten • tt: mout-möt vt: mos vdw: mouten/móst mout > mot;mouten > mötten/mónnen moutwaark znw o. verplichting movveg bnw muf movveghaid znw mufheid movveln ww moffelen mozes znw boerenkool (scherts.) mozzelgoud znw o. klein grut mud znw N bunzing mud(de) znw o. mud; landmaat (oude) mudden ww opleveren (mudden -) mug(ge) znw vlieg mui bnw moe muichie(n) znw Vk tante muid, muide bnw moe muide, in de - bw tegemoet muideg bnw vermoeiend muidelk bnw spijtig muidens znw moeheid muidzoam bnw vermoeiend muie znw tante muieg bnw spijtig muieik bnw bedroefd; jammer; spijtig muien ww lastig vallen; spijten muike znw tante muilek bnw moeilijk muilen znw molen muit, in de - bw tegemoet muite znw moeite muiten ww spijten; tegenhouden muiten, z. ww z. spijten muive znw mond mukjes, te veul - hebben znw zeuren mulder znw molenaar mulderske znw molenaarsvrouw mummeln ww mompelen munnek znw monnik munster znw o. monster mure znw muur muren ww metselen murre znw o. mud musk(e) znw mus muur znw muur muurbroa znw lendestuk (v.e. rund) muurloes znw pissebed Muzzel, De - (in) [MuzzelkerJ Mussel O Muzzelknoal (op) [Muzzelknoalster] Musselkanaal O |
|
n lidw een n Hoag pin Den Haag na tussenw nou naacht znw N nacht naai znw naald Naandel (in) [Naanster] Den Andel N naanje znw wieg naanjen ww wiegen naarboksem znw knorrepot naarf znw nerf naargens, naarms, naarns, naarnt bw nergens naarpot znw knorrepot Naarsie eigenn Bernard(us) naarsk bnw N,W lichtgeraakt naauw bnw nauw naauw bw nauwelijks naauwborsteg bnw kortademig naauwnemend bnw lichtgeraakt nacht(e) znw nacht nachtbidder znw bedelaar nachtendagke znw o. viooltje (plant.) nachtkaarvel znw zwarte nachtschade (plant.) Nachtmoal znw o. Avondmaal nai bw niet naichien znw o. nieuwtje naichies znw Vk nieuwtjes nai mand vnw niemand nais bw straks nais znw o. O nieuws naisblad znw o. nieuwsgierige vrouw nait bw niet nak(ke) znw nek nale znw naald nander vnw O elkaar nanen ww wiegen nareg bnw O brommerig; humeurig; lastig; vervelend naren ww plagen; vervelend schreien naro znw mopperaar narreg bnw N,W vervelend; knorrig nasjen, nasken, nastern ww stelen nathaals znw drinkebroer natjen ww steeds regenen nats(k) bnw vochtig natte, natten znw natheid natten ww steeds regenen nattens znw natheid na wel znw navel neb(be) znw snavel; schaatspunt (over nèb pootje over schaatsen) neddel- voorv netel- nedevreter znw gierigaard neef ke znw o. steekmug neerkaauwen ww herkauwen neerloag znw nederlaag neerloag, in - bw aan lager wal neers, neerze znw aars neetnek znw onaangenaam persoon neetoor znw lichtgeraakt persoon nefie znw o. Vk steekmug negenoog znw steenpuist; dwarskijker negern ww plagen nek(ke) znw nek nekjen ww N nekken nekkebreker znw stroef plekje op glijbaan nekken znw nek nemen ww nemen• tt: neem-nemt vt: nam vdw: nomen nemt > neemt nemen, z. ww z. gedragen; handelen nemmen ww W nemen neppen ww stelen; bedriegen nereg bnw vlug neren znw nering netfing znw lusje (aan paardenhalsand) netfinke znw maas (v.e. net) netgeliek bw om het even nettel- voorv netel- neude I znw noot (vrucht) neude II znw risico neudeg bnw nodig neudegen ww uitnodigen neudelg bnw humeurig neudeln ww brommen neuden, van - bw nodig neudzoak znw noodzaak neugen ww uitnodigen neukerg bnw klein neuleg bnw humeurig neulen ww O mopperen; zacht geluid maken neulerg bnw humeurig neumen ww N noemen neuren ww brommen; mopperen neus znw neus neusken ww rondneuzen |
neut znw noot (vrucht) neuteln ww brommen neutenschaiten ww notenschieten neutjen ww notenschieten neuze znw neus nevven vz naast; vergeleken met nibbel I bnw bijtlustig nibbel II bnw netjes nibbeln ww knabbelen nibbeitoons bnw met de knieën naar binnen; met de tenen naar binnen nich bw Ww niet nicht(e) znw nicht niddel bnw lichtgeraakt nied znw nijd niedeg bnw ferm; nijdig nieds(k) bnw afgunstig; driftig; kwaad; ijverig niet bw W niet nietjeboksem, nietjeder, nietjegat znw plaaggeest nietjen ww plagen nieveln ww inpikken nievelteund, nieveltoond bnw met de tenen naar binnen nij bnw nieuw; benieuwd nijachteg bnw nieuw lijkend nijachteg bw kortgeleden Nijbert (in) [Nijberter] Niebert W nijchie znw o. Vk nieuwtje nijen ww benieuwen Nij hoof (in) [Nijhoofster] Niehove W nij-joar znw o. nieuwjaar Nijkerk (in) [Nijkerker] Niekerk W Nijkomnij (in) |Nijkomnijster] Nieuwe-Compagnie O nijlaand znw o. omgeploegd grasland Nijlaand (int) | Nij kindster] Westernieland N Nijlaand (op t) [Nijlaandster] Oosternieland N njjloatje znw o. nieuwheid njjlootje znw o. nieuwheid; nieuwtje nijmèlk(t) bnw pas gekalfd; nieuwmelks nijmoods. nijmouds bnw modern njjneers, Oagje - znw nieuwsgierig Aagje nijs bw onlangs; straks nijs znw o. nieuws Nijsblad znw o. Nieuwsblad van het Noorden nijsdoags bw binnenkort; onlangs nijsies bw Vk pas nijske znw o. nieuwtje nijskes bw onlangs; pas nijskesopheurder znw nieuwsgierig persoon nijster znw naaister Nijziel (in) [Nijzielster] Niezijl W nikken ww knikken nikkenakke znw O rug nikkoppen ww knikkebollen niknak znw lichaamsdeel (onbepaald-) niknakkoekje znw o. soort chocoladekoekje niksen ww niets doen niksnut znw nietsnut nip znw tik nipjen, nipken ww nippen nippel I bnw bijtlustig nippel II bnw netjes nippen ww plagen nirt znw brompot nirteg bnw knorrig nirten ww plagen nitterg bnw lichtgeraakt nittjen ww N plagen nivveltoond bnw met de tenen naar binnen nkander vnw N,W elkaar noa vz na; naar noabaauweln ww imiteren noaber znw buurman noabergeliek bnw normaal noabern ww buren zijn noaberschop znw buurt noaberske znw o. buurvrouw noabranden ww herkauwen (fig.) noad znw naad noadail znw o. nadeel noadat voegw nadat noader bw nader noagel znw nagel noagelholt znw o. rookvlees noagel n, deroet - ww vluchten noageltjes znw appelsoort noagoan ww nagaan; achter zijn noagoand bnw gierig noagras znw o. etgroen noakend bnw naakt; arm noakende wiefkes znw sneeuwklokjes noakieken ww nakijken; nazien noalopen ww nalopen; letten op |
noam znw naam noamelk bw namelijk noamiddag znw middag noanemend bnw fijngevoelig; zwaartillend noar vz naar noasnuustern ww doorzoeken noast bnw/vz naast noatied bw later noaturelk bnw natuurlijk noaturen ww aarden noatuurlek bnw natuurlijk noawoaren ww nazien noazeggen ww nazeggen; beweren van nobbel, op - bw ervandoor nocht znw genoegen nöchtern bnw nuchter; zonder ervaring nodeg bnw W nodig noe bw W nou noedel znw schatje (vleinaam) noek znw luim; nuk noekeghaid znw nukkigheid noemen ww W noemen -of lek bnw W aangenaam, gezellig noga znw noga; stamppot bonen -cherts.) nok znw nuk nokje znw o. duwtje nokkeghaid znw nukkigheid nokken ww voorzichtig schokken nokkern ww geluiden laten horen (zacht) nommerdag znw middag non bw N nou; nu noodweg znw landweg noodziend(e), noodzijnd(e) bw :e>noods noodzoak znw noodzaak noodzoakelk bnw noodzakelijk noor bnw noord(elijk) noor znw o. het noorden noord bnw noord(elijk) Noordbrouk (in) [Noordbroukster] rdbroek O Noorddiek (in) [Noorddiekster] Noorddijk N Noordhörn (in) [Noordhörner]Noordhorn W 'oordloaren (in) [Noordloarder] Noordlaren O Soordwiek (in) [Noordwiekmer] Noord wijk W Noordwöl (in) [Noordwolder] Noordwolde N noppen (op aarms) znw kippevel norelk bnw noordelijk nork znw onaangenaam persoon norreg bnw brommig norrel bnw brommerig nosk bnw doodstil (i.d. natuur) nöst znw o. nest, hoeveelheid nöster znw neusgat nosterd znw neus nou bw nu nözzeln ww nestelen nucht znw W genoegen nuf ken ww treuzelen nuigen ww uitnodigen nuigen znw uitnodiging nuimen ww noemen nuk znw nuk nukken ww voorzichtig schokken nukkern ww geluiden laten horen (zacht) nulholtje znw o. gelukstol numeg bnw schrander numen ww W noemen numen znw nukken nummen ww W noemen nums vnw niemand nun znw non nunen ww N neuriën nuner znw kinderfluitje; soort schelpje nunern ww neuriën nust znw o. nest; hoeveelheid nustaai znw o. nestei; spaargeld; nakomertje nustdotje znw o. nakomertje nusterg bnw humeurig; verdrietig; verward nusterpot znw knorrepot nustjeschieter znw zeurpiet nut bnw nuttig; waard nutloane znw landweg nutten ww baten nutweg znw landweg nuun, nuunder znw soort schelpje nuunhoorn znw hoornschelp nuuntjen ww neuriën Nuus (in) [Nuusmer] Nuis W nuver bnw N,0 aardig; flink; mooi; W raar nu wel n ww treuzelen nuzzelderij znw get reuzel nuzzeln ww nestelen; treuzelen |
|
oabe znw aap Oabel eigenn Abel oabeldoedas znw klap; slag oaber voegw evenwel; maar Oabram eigenn Abraham oadam-en-evoa znw witte dovenetel; monnikskap (plant) oadel znw adel oader znw ader; nerf Oadòrp (in) [Oadòrper] Adorp N oafrikoanen znw afrikaantje (plant) Oagje nijneers znw nieuwsgierige vrouw oak(e) znw aak oakelk bnw akelig oaker znw aker (emmer) oakster znw ekster; schavuit oal I znw els (instr.) oal II znw paling oalias znw plaaggeest oaliazzen ww gekscheren oalkopòftrekkeri] znw palingtrekkerij oalraaiger, oaltoeker znw reiger oam znw adem oam, achter - znw buiten adem oameg bnw kortademig oamel znw emelt oamen tussenw amen oamen ww ademen oam ias bnw manchesterstof oanen ww vermoeden oap(e) znw aap oapeding znw o. prul oapedriller znw opscheppertje oar I znw aar oar II znw ader oard bw aardig oard znw (o.) aard; genoegen; soort oardeg bnw aardig oardeg bw O, W tamelijk oardeghaid znw genoegen oarden ww aarden; welig groeien oardzoam bnw groeizaam oarend I znw adelaar oarend II znw doffer oart znw wilde haver oas znw o. aas (in kaartspel); aas (prooi); lastig meisje oasnek znw rakker oast bw bijna oavend znw avond oavend, n oetgespierde - znw lange avond oavends bnw 's avonds oavensaaiern ww opschieten oaventuraaier znw avonturier oaventuren ww wagen oaventuur znw o. avontuur; bezigheid; hobby; kans oazem znw adem oazem, gain - znw geen levensteken obsternoat, obstinoat bnw driftig odde znw domoor odde, veur d' - znw voor het lapje odder znw orde; order oddernoatsie znw regeling oef znw de laatste; overschot oel(e) znw uil oei bord, oelbred znw o. uilenbord oelepetoet znw aanstelster; tegendraads persoon oelgevel znw uilenbord oepke, n mooi - znw o. buitenkansje; verzetje oest znw W knoest (in hout) oet vz/bw N, Old uit oet bw afgelopen oet best bw om bestwil oet de kiek bw uitmuntend oet en deur bw door en door; gewoonlijk oet gouder best bw om bestwil oet orde(r) bw niet lekker oet stuur bw overstuur oet t stok bw uitmuntend oet tied bnw overleden oet zied bw opzij oetbaauwen ww uitputten (v. grond) oetbageln ww uitbaggeren oetbedenken ww bedenken oetbedenkseltje znw o. verzinsel oetblieken ww blijken oetboeken ww bol staan oetbòien, z. ww z. uitkleden oetboudeln ww in de kleren zetten oetbozzeln ww uitborstelen; in de kleren zetten oetbulen ww bol staan oetbulen, der - ww ertussenuit gaan oetdolen ww uit zich zelf genezen oetdrift znw laan oetduden ww uitleggen oeterniedsken bw buitengewoon oeterstee bw volstrekt oetfietern, der - ww er hard vandoor gaan oetfigelaaiern ww bedenken oetgoan ww uitgaan; overlijden oetham znw uithoek oethoalen ww uithalen; uitlokken Oethoezen (in) [Oethoester] Uithuizen N oetholen ww uithollen oetkiek znw uitkijk; gezicht oetkielen, der -; oetklaaien, der -; oetklaauwen, der - ww er snel vandoor gaan oetkniepen, der - ww overlijden (pl; oetkniezen ww stiekem uitlachen oetlangen ww uitreiken oetloopgoud znw o. uitgaanskleren oetlopen ww uitlopen, kiemen oetloper znw toonbaar kledingstuk oetlopersboksem znw zondagse broek oetmiender znw uitveiler oetmienen ww veilen oetnaaien, der - ww er snel vandoor gaan oetoarder znw buitenbeentje oetpoesten ww uitblazen oetpoeten ww naar buiten sijpelen oetragen ww uitschelden oetrakken ww opruimen oetredden ww uitkammen oetree znw laan oetrieten, der - ww er snel vandoor gaan oetrooien ww uit zichzelf genezen; uitroeien oetschaiten ww uitschieten; voorschieten oetscheren, z. ter - ww opgeven (spel) oetscheuren ww uitscheuren oetscheuren, der - ww er aan overhouden oetschottern ww uitschateren oetsen ww plagen oetsiepeln ww uitsijpelen oetslag znw uitslag; vakantie oetsliepen ww uitjouwen oetsloapen (, z.) ww uitslapen oetslupen ww wegglijden; wegglippen oetsnieden, der - ww er snel vandoor gaan oetsnoeven, oetsnuden, oetsnutenww snuiten oetspaiken ww scheuren (door droogte) oetspieren ww uitspruiten oetspringen, z. ww z. uitleven oetsteken ww leeg drinken; uitsteken oetstokken ww uitleggen; vertellen oetstokseln ww vertellen oetstubben ww afstoffen; in de kleren zetten oettrekken, z. ww z. uitkleden oetvetern ww uitschelden oetvige/aaiern ww uitdenken oetvoart znw laan oetvòskern ww uitvissen oetwaiden ww uitwieden oetwazen ww uitspruiten; volwassen worden Oetwier (in) [Oetwierder] Uitwierde O oefwieren ww luchten oetwiezen, z. ww blijken oetwozzen bnw volgroeid; volwassen oetzudeln ww venten oetzudeltjen ww prakkiseren òf bw versleten of voegw of òf vz af òf- voorv af- òfbuien ww opklaren òfdraai znw bocht (in kanaal) offrontaafern ww slecht behandelen òfgerakkerd bw buitengewoon òfgeschaaiden bnw afgescheiden; gereformeerd òfgetrokken bnw teruggetrokken òfgeval znw o. afval òf geven ww afgeven; veroorzaken òf geven, z. ww opgeven (spel) òf gries znw afgrijzen òfgruwelk znw afschuwelijk òf gunst znw afgunst òfhaandjen ww verzoenen òfhoedjen ww onthuiden òfjacht znw standje òfkaalven ww aflopen òf keer znw afkeer èfklounen ww afwinden (v.e. kluwen) òflangen ww bezorgen òflopen ww aflopen òflopen bnw afgelopen òfmoaken ww uitmaken òfnaasken, òfnasjen ww ontfutselen òfnieveln ww inpikken òfpaarten ww verdelen òfproaten ww afspreken òfraais znw vertrek
|
òfraaizen ww vertrekken òfravveJn ww afraffelen òf redden, der -; òfreupen, der - ww er aan overhouden òfriggeln ww omheinen òfrovveln ww afraffelen; afsnauwen òfsaaiern ww geen melk meer geven òfsakkedaaiern ww weggaan òf scheren, z. ww opgeven (spel) ofschoon (aal -) voegw ofschoon òfschunen ww schuin maken; hellen òfstand znw afstand òfsteker znw stekje òfstubben ww afstoffen òftak znw splitsing (v. wegen), aftakking òf takken ww verminderen; zakken (met eisen); splitsing van wegen òfteppen ww W plukken òftiggeln ww afranselen òftjoenen, òftjoeren ww afpakken òftoeken, òftokken ww aftroggelen òftraauwen ww scheiden (v. huwelijk) òftreden ww meten òftrekken ww aftrekken, masturberen óftroeveln ww afranselen òftroggeln ww aftroggelen òfvaargen ww eisen òfval znw o. afval òfvalen ww afvallen; tegenvallen òfwalen ww afsteken (v.e. wal) òf zetsel, òfzetter znw (o.) stekje òfzetter znw afzetter òfzolten, òfzoltjen ww afschepen oge znw o. kiem (in aardappel); oog ogelk bnw netjes ogenbekeukelderij znw goochelarij ogenblik(ken), aal - bw telkens ogendainder znw vertederend kind (door oogopslag); vleier ogen kost bnw mooi om te zien ogenslag, ogenstond znw o. ogenblik ogen verkeu kelderij znw goochelarij ok voegw W ook okse znw domoor okster znw N ekster òl znw o. kind (vleinaam); moedertje (vleinaam); Old ouwe (aanspr.) old bnw oud; vervelend olden znw ouders olden tot kolden, van - bw eindeloos Oldenziel (in) [Oldenzielster] Oldenzijl N older znw o. (hoge -) leeftijd olderliek bnw ouderlijk olders znw ouders olderwereldsk bnw ouderwets olderwets bnw ouderwets; vroegwijs oldgeborentje znw o. vroegwijs kind olds(k) bnw ouwelijk oldske znw o. moeder; oudje (vleinaam) oidvoeld bnw vroegwijs ol heer znw vader Ol hoof (in) [Olhoofster] Oldehove W oljoar znw o. oudejaar Ollekerk (in) [Ollekerker] Oldekerk W ollen tot kollen, van - bw onafgebroken Ollerom (in) [Ollerommer] Ulrum N ollu znw ouders olmèlk bnw oudmelks ol Pait znw duivel Olschanze (in) [Olschansker] Oudeschans O Olschip, t - (op) [Olschipster] Oudeschip N Olsde (in) [Olsder] Ulsda 0 ol vint znw duivel olwiefkenijs znw o. familieberichten olwieveknup znw slechte knoop olwievenais znw o. familieberichten olwievetonen znw tuinbonen om voegw want om vz om; om ... te halen; rond om en bie bw ongeveer om roak bw geducht omaandern ww ruilen ombaalgen znw ballast; onkruid; rotzooi; vuil ombakkeln ww zeuren om batterijen ww van gedachten veranderen omboeien ww W verkleden omboeren ww voorbereidend uitdelen (v. kaarten) ombòien ww verkleden omdauweln ww rondslenteren omdeel, omdèl bw omlaag; naar beneden omdenken ww nadenken omdenken znw medelijden omdiedeldaantjen ww flierefluiten omdoameln ww lanterfanten omdraai znw bocht (in kanaal e.d.) omdrlft znw ploeggang (vice versa) omgeven ww ronddelen omgeven znw omgeving omgeven, z. ww z. bekeren; z. omdraaien omgooien ww slopen omgroaven ww spitten omheuren ww informatie inwinnen omhoal znw omhaal omke znw o. oompje omklaiden, z. ww z. verkleden omklokkern ww vertroetelen omkoereln ww liefdevol verzorgen omkontjen ww onhandig zijn (met iets); zeuren Omkool eigenn Dinges ommaans hebben ww doen, mee bezig zijn ommejas, ommejès bnw manchester-stof ommeneden bw omlaag, naar beneden ommeroak bw W geducht ommevruten ww W omwroeten omreden (dat) voegw omdat omrezelvaaiern ww van plan veranderen omroak(s) bw geducht omschutter znw sluismeester omstel znw o. drukke voorbereidingen omstellen ww een plan veranderen omstoan leren ww leren te gehoorzamen ompie znw o. Vk oompje omraais bw op de terugreis omraais znw terugreis omstok znw o. (hele -) snee roggebrood omsunt bw gratis omswinden ww rondzwerven omswinder znw landloper, zwerver omseren ww W opschieten omsnee znw (hele -) snee roggebrood omstalen leren ww leren te gehoorzamen omtiggeln ww afranselen ompaailen mit ww liefdevol verzorgen ompaarten ww ronddelen ompapmelen mit, ompelen mit ww .iefdevol verzorgen omtocht znw ploeggang (vice omnaiten ww afranselen versa); rondreis ommoi, ommui znw ruzie omtrekken, z. ww z. verkleden, z. omzeumen ww afranselen omzwiener znw,W landloper on bnw oneven onbegripzoam bnw hardleers on beleerd bnw ongeoefend onbeschoft znw onbeschaafde on bestekkelk bnw onbesuisd onder... weg bw gedurende onder tied dat voegw terwijl Onderndaam (in) [Onderndamster] Onderdendam N ondersloagen ww verduisteren achterhouden) ondertied bw inmiddels onderwegens bw onderweg ondeude znw kattenkwaad; ondeugend kind ondeugd(e) znw ondeugend kind onduchteg bnw onklaar onfersounlek bnw onfatsoenlijk ongeaargd bnw argeloos ongedoan bnw niet in orde; ongedaan; ontdaan ongeduld znw ongeduldig persoon ongel znw rundvet ongeliek bnw wisselend ongelieke bw niet even – ongemak znw o. ongemak; ongedierte; vuiligheid ongetroost bnw onverrichterzake ongeveer(t) bw ongeveer Ongkool eigenn Dinges ongoadelk bnw onvoordelig ongoal bnw oneffen ongoarlek bnw onvoordelig ongoud znw o. ongedierte onhebbeg bnw smerig onhuur bnw vuil onkroed, onkruud znw o. onkruid onliedelk bnw slecht onmak bnw wild (druk) onmeugelk bnw onmogelijk onmeugelk nait bw volstrekt niet onmeugend bnw onfatsoenlijk onmis bnw verkeerd onmooi znw onenigheid onnaaiern ww overwegen onnask bnw inhalig Onnen (in) [Onner] Onnen O onnen(t) vnw de/het onze onneren ww W overwegen onneude bnw onnodig onneuzel bnw onnozel; buitengewoon; klein; treurig onneuzelhaid, onneuzelns znw onnozelheid onnibus znw autobus onnut bnw nutteloos; verkwistend |
onnut znw nietsnut onnuur bnw vuil; slecht; enorm onoabel znw slechterik onrecht bw averechts onredzoam bnw niet zelfredzaam onroadjen ww verstoppertje spelen ons lai meneer znw onze lieve heer onsjoch, onsjuch bnw W slordig onstumeg, onstuum bnw onstuimig onstuur, in - bw onstuimig onthold znw o. geheugen ontholden ww onthouden ontholdsk bnw goed onthoudend ontjonterg bnw lomp; ongemakkelijk ontkomen ww ontkomen; mislukken; ontglippen (uit de mond); vergeten ontong znw bladeren v.d. paardebloem ontproaten ww uit het hoofd praten ontront(e) znw onding; onmens; lomp persoon ontronteg bnw onbehaaglijk; onbeschaafd ontsloagen ww ontslaan onverdachts bw onverwacht onverdrutzoam bnw onverdroten onverneuden bnw onnodig onverstand znw o. domoor onverzains bw ongezien; onvoorzien onverzeddelk, onverzettelk bnw onverzettelijk onvoeg, onvoug bw erg onweerstuutjes znw W onweersbeestjes onweersvogel znw meeuw onwereg bnw onstuimig onwieze znw dwaas onwis bnw onzeker onzen(t) vnw de/het onze onzuit bnw onaangenaam onzuun bnw vuil oog znw o. kiem (in aardappel); oog Oog eigenn Rottumeroog oogdoppen znw oogkleppen; oogleden ooggroot, gain - znw niets ooghoar znw o. wimpers oogmaark znw o. doel; inzicht oogvol bnw ogend oogwaaide znw iets opvallends ooi znw N,W ooi ooievoar znw ooievaar oom Kool eigenn Dinges oord znw o. uiteinde oordail znw o. oordeel(svermogen) oorspinze znw vervelende vrouw oortiek, oorwurm znw oorworm oorzaip znw oorsmeer oorzoak znw oorzaak oost znw o. het oosten Oost-èn, t - (op) [Oost-ènster] Oosteinde N Oost-lnje (op) [Oost-Injer] Oost-Indië W oosten znw o. het oosten oosterd znw oostereind Oosterhogebrug (op) [Oosterhogebrugster] Oosterhoogebrug O Oosterwiewerd (in) [Oosterwiewerder] Oosterwijtwerd N Oostum (op) [Oostumer] Oostum W Oostwold (in) [Oostwolmer]Oostwold 0,W ootje znw oma ootjezegger znw kleinkind op vz na; op; te (bij sommige plaatsn.) op ... aan vz naar op haand, op slag, op stond(s) bw direct op tied bw op tijd; vroeg op zied bw aan de kant op-ain-noa-leste znw voorlaatste opaarbaiden ww harder werken opakkern ww ophoepelen opbaargen ww opbergen opbaargen, z. ww gaan slapen opbedenken ww bedenken opbedenksel znw o. verzinsel opbewoaren ww bewaren opbòien ww netjes aankleden opborstjen ww wedijveren opbozzeln tegen ain ww wedijveren met iem. opbrengen ww opbrengen; opvoeden opdienen ww dik worden opdoun, z. ww z. mooi voordoen open ww openen opens, opente znw ruimte opflikken ww opknappen (maken) ophemmeln ww schoonmaken opheuren ww vragen naar aanwezigheid van opins bw O opeens opkeren ww tegenhouden opklaiden ww netjes kleden opklandern, opklundern ww opknappen (maken); herstellen (v. ziekte) opkraben ww herstellen; opkrabbelen opkròzzen ww afnokken; opkrassen oplappen ww opknappen (maken) oplebabbel znw slag opleggen ww schaatsen in gelid opleksen ww vertellen oplichten, oplochten ww doen of gaan branden oplontjen ww O in brand steken oplopen ww collecteren; vlug lopen; oplopen opluchten ww doen of gaan branden opmis bw misschien; soms opmuiten ww opwachten; tegenhouden oppeerdjen ww stimuleren opree znw weg (naar boerderij) opregen ww flink regenen opreukeln ww oprakelen oprit znw weg (naar boerderij) opsaaiern ww grootbrengen (zonder moedermelk) opschieren ww verfraaien opschoavern ww opeten (vnl. van fruit) opschoustern ww verzamelen opschuddeld bnw opgescheept opschunen ww opstoken opsloagen ww opslaan; groeien (zonder zaaien of poten); opgieten (v. koffie) opsmieten ww opbrengen opsniddern, opsnittern ww opbakken opstaauwen ww opstuwen opsteukeln ww opstoken opstrekkend bnw z. in volle lengte uitstrekkend (heerd) opstupen ww opstoken optakken ww beteren; toenemen (in aantal) opterpoe bnw opgetogen optugen ww optuigen; netjes aankleden; wedijveren opvòrken ww opsteken; opstoken opvouden ww opvoeden opwaiten loaten ww bericht v. verhindering sturen opweren ww opklaren (weer) Opwier (in) [Opwierder] Opwierde O or I znw o. O meisje or II znw o. oer oraanje bnw oranje orbedor znw ruig en opvliegend persoon; helleveeg ordelk bnw ordelijk ordentelk bnw netjes ordern ww regelen orgel znw o. orgel orgelist, òrgenist znw organist ork znw onaangenaam persoon orke znw o. klein kind; meisje orkebeer znw gesneden beer orre znw o. meisje (vervelend -) orreg bnw N aardig ort znw kwajongen òrt znw o. etensrest ortbeer znw gesneden beer òrten ww restjes maken ortjebeer znw gesneden beer os znw os Oskerd (in) [Oskerder] Usquert N otte znw domoor òttje znw o. etensrest òttjen ww restjes maken oust(e) znw knoest (in hout); kiem (in aardappel) ousterd znw lelijkerd oustje znw o. borrel ou zeg bnw vuil ovent znw oven over zied bw opzij overaal bw overal overbaauw znw extra('s) overbetern ww overgaan overdag bw bij dag; door de week overeerstjen ww verdringen v. eerste plaats (iets of iem.) overgeven ww opgeven (plannen); overhoal znw ongeluk overkomen ww bezoeken overkomen ww overkomen overlieden ww overlijden overlopen ww op heterdaad betrappen overlopen ww overlopen overloper znw luis (scherts.) overoameg bnw buiten adem overoameg bw overhaast overschaiter znw soort jakje oversnoever znw betweter overtou komen ww op het juiste moment komen overver, van - bw van ver overzjed bw scheef ovver znw o. offer ozze znw os ozzeg bnw dom; nors |
|
paaien ww kieskauwen paai jakken ww rondsjouwen paail znw o. peil paailen ww peilen; zorg besteden aan Paalmpoask(e) znw Palmpasen paan znw pan; dakpan paandekt bnw bedekt met dakpannen paardie, paardij telw sommige paark znw o. park; perk paarkhinken, paarkjehinken ww hinkelen paars bnw paars paars znw pers (apparaat) paart znw o. deel paarten ww gelijkelijk delen paarze znw pers (apparaat) paarzek znw perzik paarzen ww persen paauw(e) znw pauw paauwen ww stappen (met grote passen) Paauwen (op) [Paauwster] De Paauwen O pabbe znw papa; vader pad znw o. pad; weg paddestoul znw paddestoel padliggers znw soort snijbonen pad loper znw kuifleeuwerik padschieter znw strontje padschovvel znw soort tuinschoffel padstoul znw paddestoel paf ken ww roken Paider eigenn Pieter Paiderboeren (in) [Paiderboerster] Pieterburen paik znw piek Pait eigenn Piet Pait lut znw onnozele hals Paiter eigenn Pieter Paiter, dreuge - znw vervelend persoon Paiter, zunege - znw zuinig persoon paitereulie znw petroleum Pafterke eigenn Pietje (vr.) Paitje eigenn Pietje Paitje veuraan znw haantje de voorste pak iepe, pak-op-pins, pak haauw(e) znw pak slaag pakdaarm znw endeldarm pakdouk znw luier pakjederij znw bagage pakjedroager znw bagagedrager pakjeleggen ww soort kaartspel pakkedaarm znw endeldarm pakkelarrie znw rommel pakkeloazie, pakkerij, pakkoazie znw bagage pait znw oud lap; vod palteraksie znw rommel; wildernis palterg bnw haveloos palternaksie znw rommel; wildernis pampier znw o. papier pand znw o. pand; onderhoudsdeel pandiezen ww razen pandiggel znw scherf (v. pan) pane znw pan pangelder znw sjacheraar pangeln ww handelen; ruilen pan kou k znw pannenkoek pankoukspaan znw koekenpan pantovvel znw pantoffel pappe znw papa pappegoai(e) znw papegaai papperg, paps(k) bnw papperig parredies znw o. paradijs parrediezen znw appelsoort pas, te - bw van pas Pasop (op de ) [Pasopster] Pasop W passezier znw passagier pastelaain I znw o. porselein pastelaain II znw o. postelein pasteri] znw pastorie pazen ww passen pazzipant znw kameraad; makker pebaaier, op - znw op proef pebaaiern, peberen ww proberen pedde znw pet pedoal znw o. pedaal peer znw peer peerbieter znw soort insect peerblom znw paardebloem peerboon znw paardeboon peerd znw o. paard peerdebloum(e) znw paardebloem peerdenbaisten znw paarden en koeien peerdenseeske znw o. monnikskap plant.) peerdewaark znw o. zwaar werk peerdjen, peerdken ww aansporen; omgaan met paarden, peerdmantje znw o. libel peerdokter znw veearts peerheer znw nachtzwaluw peeriezer znw o. hoefijzer peerkerel znw paardenhandelaar; p aardenliefhebber peerstaal znw paardenstal pefester znw professor pegel znw o. peil pegeln ww onderzoeken pen ui znw drukte (leven) pehuimoaker znw druktemaker Pekel, Nij- (in) [Nij-Pekelder] Nieuwe Pekela O Pekel, 01- (in) [01-PekelderJ Oude Pekela O Pekelder Hollands znw halfbakken Nederlands pelzaaier znw o. plezier pendoal znw o. pedaal pengeln ww morsen Penne, De - (in) [Penjemer] Opende W pennenzestien znw gierigaard pens znw lichaam (plat) penzioun znw o. pensioen peraaiern ww z. voordoen perboat bnw probaat pere I znw o. paard pere II znw peer perfester znw professor perfiedelk bnw voordelig perfiet znw o. profijt perförs bw volstrekt permizje(W), permizzie znw toestemming permoters znw heerschappij perooi bw geregeld persès znw o, bekeuring persies bnw precies persieske znw o. precies persoon pertansie znw belang pertij znw partij pervisie znw provisie pestoorske znw domineesvrouw pestuur znw postuur pestuur, oet - bw niet in orde pet 1 znw pet pet II znw W gegraven veenplas petatter, petetter znw optater petjemaart znw o. avond vóór kermis petoater znw optater petret znw o. raar mens; portret petries znw patrijs petreu I ie, petrol ie znw petroleum petuur znw deel; gelijke partij peuk znw klein ventje peukelg bnw pukkelig peukeitje znw o. pukkeltje peul(e) znw kussen peulings znw Old handen peune znw O schop (handeling); slag, mep peuter znw klap; hoeveelheid peutern ww iets intensief doen pidde znw pit piebe znw pijp; fluit piebezjedjen ww N verstoppertje spelen piek znw o. kuiken; kip piel(e) znw pijl pielebooq znw boog (schietwapen) pielk znw kuif, lok pielken ww tevoorschijn komen pielkerg bnw opstaand (v. haar) pielkevanger znw schuifje (in het haar); haarspeld piemel znw kleine piemeln ww langzaam werken; slecht eten pien(e) znw pijn pienappel znw gierigaard pienlek bnw pijnlijk; zuinig |
piep(e) znw pijp; fluit piepen ww piepen; verstoppertje spelen pieperke znw o. N,W teer kind piepeschoft znw korte pauze piepkaan znw zuigfles piepke znw o. oostindische kers piepken ww pijproken piepkenail znw o. kaneelstok pieppreukel, pieppreukelder, piep-reukel znw pijpuithaler
|